Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2006:AU9622

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
12-01-2006
Datum publicatie
18-01-2006
Zaaknummer
05/523
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Woonvoorziening. Lift. Primaat van verhuizing. Hardheidsclausule.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 05/523

Inzake het geding tussen

[A], wonende te [B], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van Tytsjerksteradiel, verweerder,

gemachtigde: J. Jorritsma, werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 1 maart 2005, verzonden op 4 maart 2005, heeft verweerder mededeling gedaan van zijn beslissing op het bezwaarschrift van eiser tegen het primaire besluit van 18 mei 2004, betreffende de toepassing van de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) en de Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Tytsjerksteradiel 2002 (hierna: de Verordening).

Tegen de beslissing op het bezwaarschrift heeft eiser beroep ingesteld.

Het geding is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, op 10 januari 2006, waar eiser in persoon is verschenen en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn bovengenoemde gemachtigde.

Motivering

Eiser, die tengevolge van een dwarslaesie is aangewezen op het gebruik van een rolstoel, heeft de in de aanhef van deze uitspraak genoemde gemachtigde van verweerder, J. Jorritsma, in een e-mail van 12 januari 2004 gevraagd of hij in beginsel positief staat tegenover een vergoeding voor woningaanpassing ingevolge de WVG, in verband met de door eiser en zijn echtgenote voorgenomen aankoop (binnen enkele dagen) van een woning in project [adres] in [B]. In verband met de aanvaarding door hem van een baan in Leeuwarden per 1 maart 2004, zal eiser met zijn gezin van Zuid Holland naar Friesland verhuizen. Volgens eiser is de door hem bedoelde woning geschikt voor aanpassing aan zijn handicap, mede gezien de verzorging door hem van zijn vierjarige zoon en de uitdrukkelijke, verdere, reële kinderwens van hem en zijn echtgenote. Bij de aanpassing wordt met name gedacht aan het plaatsen van een lift, waarbij volgens eiser verschillende oplossingen denkbaar zijn.

In reactie hierop heeft Jorritsma per ongedateerde e-mail aan eiser bericht dat strikt genomen zijn aanvraag zou moeten worden afgewezen, omdat een gehandicapte in principe gehouden is te verhuizen naar een woning die gelet op diens handicap als adequaat kan worden beschouwd, terwijl de woning die eiser op het oog heeft dat niet is. In verband met eisers rol bij de verzorging van zijn kind(eren) en de verdere reële kinderwens, is in de e-mail verder gesteld: “kunnen wij ons voorstellen dat de woning in [B] in uw situatie een zeer geschikte optie is” en: “zijn wij in principe bereid gebruik te maken van de in de gemeentelijke verordening opgenomen hardheidsclausule en daarmee (deels) in uw verzoek tegemoet te komen. Wij zijn bereid een bijdrage te verlenen in de kosten van het aanbrengen van een lift in de woning er van uit gaande dat volstaan kan worden met een stoeltjeslift c.q. plateaulift”. Hierbij is vermeld dat het om een voorlopig standpunt gaat.

Bij brief van 22 januari 2004 heeft verweerder het volgende aan eiser meegedeeld: “Naar aanleiding van uw e-mail d.d. 13 januari jl. hebben wij u laten weten in principe bereid te zijn een bijdrage beschikbaar te stellen voor eventuele aanpassing van een woning in [adres] te [B]. Mocht u besluiten tot aankoop van deze woning over te gaan dan verzoeken wij u bijgaand aanvraagformulier ingevuld en voorzien van uw handtekening terug te sturen naar (…). Na ontvangst van het aanvraagformulier zal dan tot formele afwikkeling van de aanvraag worden overgegaan”.

Na ontvangst van het desbetreffende aanvraagformulier, heeft verweerder bij brief van 16 februari 2004 de ontvangst daarvan bevestigd en meegedeeld dat, in afwachting van de door eiser in te dienen begrotingen, na ontvangst daarvan een voorlopige beschikking zal worden toegezonden inzake een eventueel toe te kennen subsidiebedrag.

Vervolgens heeft eiser bij brief van 26 februari 2004 aan verweerder bericht dat een stoel- of plateaulift, na overleg met de aannemer en twee liftleveranciers, uit bouwkundig en/of veiligheidsoogpunt niet geschikt is en dat de goedkoopste adequate oplossing een zogenaamde portaallift betreft, waarvoor een begroting is bijgevoegd tot een bedrag van in totaal € 34.867.

Bij brief van 18 mei 2004 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat de woning aan [adres] gelet op zijn handicap niet een adequate woning is, maar dat bij wijze van uitzondering een bijdrage wordt toegekend voor het plaatsen van een stoel- of plateaulift, tot een bedrag van € 13.500, welk bedrag eveneens (ten hoogste) wordt vergoed bij de plaatsing van een portaallift. Tegen dit besluit heeft eiser een bezwaarschrift ingediend.

De commissie bezwaar- en beroepschriften van de gemeente Tytsjerksteradiel heeft verweerder geadviseerd het bezwaarschrift van eiser in zoverre gegrond te verklaren dat in het kader van de heroverweging (alsnog) een bouwkundig onderzoek dient plaats te vinden, alsmede dat advies moet worden gevraagd bij het orgaan als bedoeld in artikel 9a van de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ), overwegende dat, nu verweerder heeft toegestemd in de verhuizing door eiser naar de betrokken woning in [adres], onderzocht moet worden welke woonvoorziening in dit geval als de goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt.

Bij het nu bestreden besluit heeft verweerder zijn primaire besluit van 18 mei 2004 gehandhaafd. Hiertoe is overwogen dat uit bouwkundig onderzoek is gebleken dat na het realiseren van een aantal bouwkundige werkzaamheden het aanbrengen van een plateaulift in bouwtechnisch opzicht mogelijk is, dat de kosten hiervan worden geraamd op € 13.500 en dat dit als de goedkoopst mogelijke adequate oplossing kan worden gezien.

In zijn beroepschrift heeft eiser onder meer aangevoerd dat hij een specialist inzake liften en een bouwkundig specialist heeft geraadpleegd, die beiden hebben geconcludeerd dat in zijn woning geen stoel- of plateaulift kan worden gerealiseerd, maar enkel een portaallift. Bouwkundig onderzoek van de zijde van verweerder heeft pas plaatsgevonden nadat de lift al was gebouwd. Eiser merkt voorts op dat geen medisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Zijn complete cervicale dwarslaesie op niveau C7/8 leidt ertoe dat hij een zeer kwetsbare (romp)-stabiliteit en gebrekkige handfunctionaliteit heeft, als gevolg waarvan een stoeltjeslift of een plateaulift onmogelijk dan wel zeer gevaarlijk is. Volgens eiser heeft de gemeente expliciet aangegeven de woning adequaat te vinden en is hij, nu hij in verband met zijn werk op korte termijn moest verhuizen, daarom met de aanpassing van de woning doorgegaan.

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de WVG wordt onder woonvoorziening verstaan: elke voorziening die verband houdt met een maatregel die gericht is op het opheffen of verminderen van beperkingen die een gehandicapte bij het normale gebruik van zijn woonruimte ondervindt, met dien verstande dat bij ingrepen van bouwkundige of woontechnische aard in of aan de woonruimte slechts dan een voorziening als woonvoorziening wordt aangemerkt indien de voorziening gericht is op het opheffen of verminderen van ergonomische beperkingen.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de WVG draagt het gemeentebestuur zorg voor de verlening van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van in de gemeente woonachtige gehandicapten en stelt met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet daartoe regels vast bij verordening.

Ingevolge artikel 3 van de WVG biedt het gemeentebestuur verantwoorde voorzieningen aan. Onder verantwoorde voorzieningen worden verstaan de voorzieningen die doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht worden verleend.

In artikel 8, eerste lid, van de WVG is bepaald dat, alvorens op een aanvraag van een woonvoorziening waarvan de kosten gelijk zijn aan of meer bedragen dan € 20.420 te besluiten, het gemeentebestuur omtrent de noodzaak van deze voorziening advies inwint van het orgaan bedoeld in artikel 9a van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Verordening, voor zover hier van belang, kan de door burgemeester en wethouders te verstrekken woonvoorziening bestaan uit een financiële tegemoetkoming in de kosten verhuizing en inrichting of van woningaanpassing.

Ingevolge artikel 2.8 van de Verordening, voor zover hier van belang, wordt de aanvraag voor een woonvoorziening als bedoeld in artikel 2.1 geweigerd indien de gehandicapte niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij tevoren schriftelijk toestemming is verleend door burgemeester en wethouders.

Naar het oordeel van de rechtbank moet de brief van verweerder van 22 januari 2004 worden opgevat als het verlenen van schriftelijke toestemming aan eiser, als bedoeld in artikel 2.8 van de Verordening, voor verhuizing naar de woning in [adres] te [B]. In de brief zijn geen (concrete) voorwaarden genoemd voor het beschikbaar stellen van een bijdrage in de kosten van woningaanpassing, zodat eiser zijn beslissing tot de aankoop van die woning mede kon baseren op het gerechtvaardigde vertrouwen dat hem later niet zou worden tegengeworpen dat hij had dienen te verhuizen naar een andere, meer geschikte woning.

De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan het standpunt van verweerder dat uit bouwkundig onderzoek is gebleken dat in de betrokken woning een plateaulift kan worden geplaatst. Verweerder heeft echter ten onrechte nagelaten om door ter zake voldoende (medisch) deskundig te achten personen te laten onderzoeken of een plateaulift, gezien de beperkingen die eiser bij het normale gebruik van zijn woning ondervindt, voor hem als een verantwoorde voorziening kan worden beschouwd. In dit verband is met name van belang dat eiser heeft aangevoerd dat hij een zeer kwetsbare (romp-)stabiliteit heeft en een gebrekkige handfunctionaliteit. Het bestreden besluit is dan ook totstandgekomen op een wijze die in strijd is met het bepaalde in artikel 8, eerste lid, van de WVG en met het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde vereiste van zorgvuldige voorbereiding van besluitvorming. Dit betekent dat het bestreden besluit in aanmerking komt voor vernietiging, waarna verweerder opnieuw op het bezwaarschrift van eiser moet beslissen, met inachtneming van deze uitspraak.

De rechtbank acht geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van verweerder van 1 maart 2005;

- bepaalt dat de gemeente Tytsjerksteradiel aan eiser het betaalde griffierecht van € 37,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, rechter, en door hem uitgesproken in het openbaar op

12 januari 2006 in tegenwoordigheid van mr. A.J. Harkema als griffier.

w.g. A.J. Harkema

w.g. E. de Witt

Tegen deze uitspraak kunnen partijen en andere belanghebbenden hoger beroep instellen, behoudens het bepaalde in artikel 6:13 juncto 6:24 van de Awb. Indien u van dit rechtsmiddel gebruik wilt maken, dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een beroepschrift alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

De Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: 13 januari 2006