Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2005:AX8375

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
11-02-2005
Datum publicatie
13-06-2006
Zaaknummer
143261 /CV EXPL 04-748
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Arbeidsovereenkomst voor bepaalde of onbepaalde tijd.Loonbetaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Leeuwarden

Sector Kanton

Locatie Leeuwarden

VONNIS

143261 /CV EXPL 04-748

Uitspraak: 11 februari 2005

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. H.A. de Boer,

tegen

de stichting STICHTING OPSPORING ERFELIJKE HYPERCHOLESTEROLEMIE,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

gemachtigde: aanvankelijk mr. K. Both, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, thans mr. V. Disselkoen.

OVERWEGINGEN

Procesverloop

1. Ingevolge het tussenvonnis van 19 november 2004 is op 13 januari 2005 een comparitie van partijen gehouden.

Vervolgens is wederom vonnis bepaald.

De verdere beoordeling van het geschil

2. De kantonrechter neemt hier de inhoud van het tussenvonnis van 19 november 2004 over.

3. De kantonrechter is van oordeel dat Stoeh ten onrechte het voor onbepaalde tijd voorzetten van de voor bepaalde tijde aangegane arbeidsovereenkomst, heeft gekoppeld aan de voorgestelde wijziging van het Personeelsreglement.

Tussen Stoeh en [eiseres] bestond een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Op het moment dat Stoeh vervolgens op 12 juni 2003 aan [eiseres] meedeelde dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou worden voortgezet, diende die overeenkomst in beginsel onder dezelfde voorwaarden te worden voortgezet, tenzij op dat moment een arbeidsovereenkomst met gewijzigde voorwaarden werd aangeboden en [eiseres] dat aanbod afsloeg. Daarvan is echter niet gebleken.

De procedure tot wijziging van het Personeelsreglement moet los worden gezien van het gedane aanbod van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De wijziging van het Personeelsreglement had immers niet alleen consequenties voor eventuele nieuwe overeenkomsten, maar ook voor de bestaande overeenkomsten. In juni 2003 was het Personeelsreglement ook nog niet vastgesteld, doch bestond er nog gelegenheid daarop te reageren en daarover vragen te stellen.

4. Echter, ook wanneer aanvaarding van het gedane aanbod afhankelijk zou zijn van de vaststelling van het Personeelsreglement, dan nog is naar het oordeel van de kantonrechter een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand gekomen. De laatste vragen over het Personeelsreglement zijn immers in het werkoverleg van 11 september 2003 beantwoord. Van bezwaren tegen het Personeelsreglement op dat moment is niet meer gebleken. Door het bereiken van overeenstemming over het Personeelsreglement is eveneens overeenstemming bereikt over de inhoud van de aangeboden arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd. Eerst daarna- en wel op 30 september 2003 - heeft Stoeh meegedeeld de arbeidsovereenkomst met [eiseres] niet te zullen verlengen. Nu er echter inmiddels sprake was van overeenstemming over een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, eindigde de arbeidsovereenkomst niet meer van rechtswege, maar was voor beëindiging opzegging met toestemming van het CWI vereist.

5. Het verweer van Stoeh dat [eiseres] nimmer feitelijk meer beschikbaar was voor werkzaamheden zal als ongegrond worden gepasseerd, nu Stoeh dit verweer niet onderbouwd heeft.

6. Vervolgens dient te worden beoordeeld of er aanleiding bestaat de loonvordering te matigen op basis van de door Stoeh aangevoerde argumenten.

Dat [eiseres] elders inkomsten heeft genoten, en wel bij het bedrijf van haar echtgenoot, is geenszins gebleken, zodat hierin geen grond voor matiging kan zijn gelegen.

Ook in het feit dat Stoeh als stichting geheel afhankelijk is van gelden/subsidies van derden, ziet de kantonrechter geen aanleiding om de loonvordering te matigen, nu Stoeh niet nader heeft onderbouwd dat zij niet aan haar loonbetalingsverplichtingen zou kunnen voldoen.

Ook in de verhouding tussen de hoogte van de loonvordering en de duur van het feitelijke dienstverband ziet de kantonrechter geen aanleiding om de loonvordering te matigen. Overigens wijst de kantonrechter er op dat de ontbindingsvergoeding daarbij buiten beschouwing dient te worden gelaten. In de uitspraak van de Hoge Raad waarnaar Stoeh heeft verwezen, lag de verhouding tussen loonvordering en de duur van het feitelijk dienstverband op grond waarvan werd gematigd wezenlijk anders.

Ook anderszins bestaat er naar het oordeel van de kantonrechter geen aanleiding om de loonvordering te matigen. Overigens had Stoeh zelf invloed uit kunnen oefenen op de hoogte daarvan, door tijdig een voorwaardelijk ontbindingsverzoek in te dienen. Dit is blijkens de ter comparitie overgelegde beschikking van de rechtbank Amsterdam pas op 25 mei 2004 geschied.

7. De loonvordering van [eiseres] zal dan ook worden toegewezen tot een bedrag van 8 x € 2.404,--, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag, derhalve in totaal

€ 20.770,56 bruto.

8. De gevorderde wettelijke verhoging zal, gelet op de omstandigheden van het geval, worden gematigd tot nihil.

9. De vordering van [eiseres] tot betaling van de eindejaarsuitkering zal als ongegrond worden afgewezen. De kantonrechter overweegt daartoe dat Stoeh heeft aangevoerd dat het toekennen van een eindejaarsgratificatie is voorbehouden aan het bestuur en de directie. Zij heeft daartoe verwezen naar het Personeelsreglement. Nu de overgelegde Personeelsreglementen inderdaad bepalen dat het toekennen van een (eindejaars)gratificatie is voorbehouden aan het bestuur en de directie en dat aan eerder toegekende gratificaties geen rechten kunnen worden ontleend, acht de kantonrechter dit deel van de vordering niet toewijsbaar.

10. Stoeh zal als de in het ongelijk te stellen partij worden verwezen in de proceskosten.

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt Stoeh tot betaling aan [eiseres] van een bedrag groot € 20.770,56 (zegge: twintigduizendzevenhonderdzeventig euro en zesenvijftig eurocent) bruto ter zake salaris, te vermeerderen met de wettelijke rente over het salaris vanaf de data waarop het salaris verschuldigd was, tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Stoeh in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [eiseres] begroot op € 975,-- wegens salaris en op € 273,78 wegens verschotten;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. J.C.G. Leijten, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 41