Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2005:AV0693

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
11-10-2005
Datum publicatie
01-02-2006
Zaaknummer
04/1157
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet voorzieningen gehandicapten. Vervoersvoorziening. Hoorplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 04/1157

Inzake het geding tussen

[A] wonende te [B], eiseres,

gemachtigde: mr. R.G. Riemersma, werkzaam bij Rechtshulp Noord te Leeuwarden,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden, verweerder,

gemachtigde: P.D. Nicolai, werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 24 augustus 2004 heeft verweerder eiseres mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) en de Verordening voorzieningen gehandicapten Leeuwarden (Vvg).

Tegen dit besluit is namens eiseres beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 20 september 2005. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij bovengenoemde gemachtigde.

Motivering

Bij besluit van 25 mei 1994 is door verweerder aan eiseres een vervoersvoorziening toegekend op grond van de Wvg en de op deze wet gebaseerde Vvg. Deze vervoersvoorziening bestaat uit een financiële tegemoetkoming in de vervoerskosten (forfaitair bedrag), in plaats van deelname aan het collectief vervoersysteem. Bij besluit van 25 februari 2003 heeft verweerder deze financiële tegemoetkoming, op grond van paragraaf 3.4.1 van het Verstrekkingenboek Wvg, gehalveerd aangezien aan eiseres tevens een vervoersvoorziening in de vorm van een scootmobiel toegekend werd.

Bij brief van 16 december 2003 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat de gemeenteraad van Leeuwarden heeft besloten om met ingang van 1 januari 2004 het bedrag aan vervoerskostenvergoeding te verlagen van € 821,00 naar € 500,00 per jaar. Voorts heeft verweerder in deze brief vermeld dat, gezien de voor eiseres van toepassing zijnde halvering van het bedrag aan vergoeding, dit voor eiseres neerkomt op een bedrag van € 250,00 per jaar.

Door eiseres is bezwaar gemaakt middels het indienen van een bezwaarschrift van 3 januari 2004. In dit bezwaarschrift voert eiseres aan dat zij tegen de halvering van het bedrag is en het gehele bedrag aan vervoerskostenvergoeding zou willen ontvangen.

Alvorens op het bezwaarschrift te beslissen, heeft verweerder advies gevraagd aan een Adviescommissie bezwaarschriften. Verweerder heeft aan deze commissie een verweerschrift doen toekomen, waarin verweerder stelt dat de forfaitaire bijdrage is verlaagd teneinde deze bijdrage gelijk te stellen aan de kosten van een pas voor deelname aan collectief vervoer en dat eiseres alsnog, in plaats van het ontvangen van een forfaitaire vervoerskostenvergoeding, kan kiezen voor deelname aan het collectieve vervoer.

De adviescommissie heeft gerapporteerd dat op grond van artikel 7:3 Algemene wet bestuursrecht (Awb) is afgezien van het horen van belanghebbenden nu het bezwaar volgens de commissie kennelijk gegrond is. Voorts stelt de commissie dat de gemeente de bevoegdheid heeft om de forfaitaire vervoersvergoeding te verlagen nu naast deze vervoersvergoeding voor eiseres het recht blijft bestaan op deelname aan het collectief vervoersysteem, welk systeem aan de voorwaarden van de Wvg voldoet. De commissie stelt echter ook dat de verlaging niet rechtsgeldig door verweerder is doorgevoerd. De gemeenteraad heeft de bevoegdheid tot het vaststellen van de hoogte van de financiële tegemoetkomingen gedelegeerd aan verweerder. Op 27 januari 2004 heeft verweerder de verlaging van € 821,00 naar € 500,00 in het Besluit financiële tegemoetkoming voorzieningen gehandicapten Leeuwarden (Besluit) opgenomen en aan deze wijziging van het Besluit terugwerkende kracht tot 1 januari 2004 gegeven. Volgens de adviescommissie is deze terugwerkende kracht in strijd met het rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel. Tevens stelt de commissie dat uit de jurisprudentie blijkt dat bij een heroverweging van een besluit als het onderhavige naar de situatie op het moment van het besluit moet worden heroverwogen. De commissie adviseert het bezwaarschrift gegrond te verklaren, het besluit in te trekken en een nieuw primair besluit te nemen.

In afwijking van het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften heeft verweerder bij bestreden besluit van 24 augustus 2004 het bezwaar ongegrond verklaard. In tegenstelling tot de Adviescommissie is verweerder van mening dat de verlaging van de vervoerskostenvergoeding rechtsgeldig is doorgevoerd. De terugwerkende kracht van het besluit tot 1 januari 2004 is niet in strijd met het rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel nu in de pers en in een individuele beslissing van de verlaging bericht gegeven is. Verweerder stelt voorts dat uit de jurisprudentie blijkt dat een heroverweging juist moet plaatsvinden op grond van de situatie en de wettelijke voorschriften zoals die gelden op het moment van de heroverweging, zodat de onderhavige heroverweging mede dient te geschieden op basis van het gewijzigde Besluit.

In beroep is aangevoerd dat eiseres ten onrechte niet gehoord is. Verder heeft eiseres aangevoerd dat halvering van de financiële vergoeding ertoe leidt dat zij niet langer een adequate vervoersvoorziening ontvangt.

Namens verweerder is in het verweerschrift gesteld dat de brief van verweerder van 16 december 2003 geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb is, nu dit schrijven slechts een bekendmaking inhoudt van de gevolgen die het raadsbesluit in het individuele geval zal hebben. Voorts is in het verweerschrift opgenomen dat, indien de rechtbank wel uitgaat van een besluit, er sprake is van een gebrek dat tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden. Dit gebrek betreft het feit dat verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard heeft, terwijl in het besluit niet aangegeven is waarom de belanghebbenden niet zijn gehoord. Namens verweerder wordt bij vernietiging van het besluit om deze reden, verzocht om het in stand laten van de rechtsgevolgen aangezien de verlaging niet in strijd is met de zorgplicht en de forfaitaire vergoeding niet op een ander bedrag dan € 250,00 vastgesteld zal worden.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of de brief van verweerder van 16 december 2003 is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. In genoemde brief heeft verweerder de individuele gevolgen van het raadsbesluit voor eiseres vermeld, de ingangsdatum van de verlaging van de vervoerskostenvergoeding aangegeven en een overgangsregeling opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan waarbij het rechtsgevolg voor eiseres bestaat uit het verlagen van het bedrag aan vervoerskostenvergoeding. De rechtbank is dan ook van mening dat er sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb.

Op grond van artikel 7:2 Awb dient verweerder, alvorens op het bezwaar te beslissen, belanghebbenden in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Blijkens het systeem van de wet en de wetsgeschiedenis moet het horen als een essentieel onderdeel van de bezwaarprocedure worden beschouwd. Het horen van de belanghebbende is van groot belang voor een deugdelijke afhandeling van het bezwaar, zodat daar slechts bij uitzondering van mag worden afgezien. De omstandigheden waaronder van het horen kan worden afgezien zijn opgesomd in artikel 7:3 Awb.

Eiseres is niet in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Alleen al gezien de uiteenlopende opvattingen van de adviescommissie en verweerder, doet zich naar het oordeel van de rechtbank in het geval van eiseres geen situatie voor van kennelijke gegrond- of ongegrondheid van het bezwaar. Nu niet een grond genoemd in artikel 7:3 Awb van toepassing is, had eiseres gehoord dienen te worden. Door dit achterwege te laten, heeft verweerder het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 7:2 Awb. Uit de jurisprudentie (onder andere Centrale Raad van Beroep 4 januari 2000, AB 2000/146) blijkt dat dit vormvoorschrift niet door middel van de toepassing van artikel 6:22 Awb gepasseerd kan worden.

Indien van het horen ingevolge artikel 7:3 Awb wordt afgezien, dient verweerder op grond van artikel 7:12 Awb in zijn beslissing op bezwaar te vermelden op welke grond dit is geschied. De rechtbank stelt dat verweerder in zijn besluit geen grond voor het niet horen van eiseres heeft opgenomen. Weliswaar zou schending van dit vormvoorschrift kunnen worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Awb, doch hiervoor bestaat, gelet op de hierna weer te geven conclusie, geen aanleiding.

De rechtbank concludeert dat het beroep van eiseres gegrond verklaard moet worden. De beslissing op bezwaar zal vernietigd worden wegens het schenden van de artikelen 7:2 en 7:12 Awb. Verweerder dient opnieuw op het bezwaar van eiseres te beslissen met inachtneming van deze uitspraak.

De rechtbank wijst het verzoek van eiseres om toepassing van artikel 8:73 Awb af nu verweerder een nieuw besluit dient te gaan nemen en op voorhand onduidelijk is of eiseres schade geleden heeft die door verweerder vergoed dient te worden.

Gelet op artikel 8:74 lid 1 Awb wordt bepaald dat de gemeente Leeuwarden het door eiseres betaalde griffierecht van € 37,00 vergoedt.

Op grond van artikel 8:75 Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van eiseres € 644,00 (beroepschrift 1 punt; verschijnen ter zitting 1 punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322,00), ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank wijst de gemeente Leeuwarden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de gemeente Leeuwarden het griffierecht van € 37,00 aan eiseres vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres, vastgesteld op een bedrag van

€ 644,00, aan eiseres te vergoeden door de gemeente Leeuwarden.

Aldus gegeven door mr. P. van der Wal, rechter, en door hem in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2005, in tegenwoordigheid van mr. P.T.M. van der Lelie als griffier.

w.g. P.T.M. van der Lelie

w.g. P. van der Wal

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht.

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: 12 oktober 2005