Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2005:AU9583

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
13-12-2005
Datum publicatie
13-01-2006
Zaaknummer
05/227
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sollicitatieplicht. Passende arbeid. Medische beperkingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 05/227

Inzake het geding tussen

[A], wonende te [B], eiser,

gemachtigde: mr. H.B. Th. Koekkoek, werkzaam bij Hout- en Bouwbond CNV te Drachten,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder,

gemachtigde: mr. I. Smit, werkzaam bij het Uwv.

Procesverloop

Bij brief van 4 februari 2005 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Werkloosheidswet (WW).

Tegen dit besluit is namens eiser bij brief van 23 februari 2005, ingekomen bij de rechtbank op 24 februari 2005, beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 28 november 2005. Eiser en zijn gemachtigde zijn - met bericht - niet verschenen. Verweerder is verschenen bij bovengenoemde gemachtigde.

Motivering

Eiser, geboren op 20 mei 1950, ontvangt met ingang van 27 januari 2004 een WW-uitkering. Daarnaast ontvangt eiser een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

Bij besluit van 3 november 2004 heeft verweerder een maatregel van 20% gedurende 16 weken op eisers WW-uitkering opgelegd, omdat eiser in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid te verkrijgen.

Het door eiser gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit gegrond verklaard. Daarbij is aangegeven dat met ingang van 1 november 2004 de maatregel op eisers WW-uitkering wordt bepaald op 10% gedurende 16 weken. Verweerder heeft daartoe overwogen dat eiser gedurende de periode van 4 oktober 2004 tot en met 31 oktober 2004 niet heeft voldaan aan zijn verplichting om in voldoende mate te trachten passende arbeid te verkrijgen. Eiser heeft in genoemde periode niet tenminste wekelijks één concrete sollicitatie verricht. Daarbij is aangegeven dat eiser in genoemde periode - evenals in september 2004 - heeft gesolliciteerd bij de werkgevers Langhout en Bosma. Deze werkgevers hebben verklaard dat zij eiser niet hebben uitgenodigd om in oktober 2004 weer te solliciteren, omdat er geen of onvoldoende werk beschikbaar was. Gelet hierop kan de sollicitatie in oktober 2004 niet als een concrete sollicitatieactiviteit worden gezien. Omdat eiser een meer dan louter hypothetische kans op de arbeidsmarkt heeft, kan van hem worden verwacht dat hij zich, naast het werk als schilder, richt op alle voor hem passende arbeid. Verweerder heeft zich echter op het standpunt gesteld dat de overtreding van de sollicitatieplicht eiser in mindere mate kan worden aangerekend, omdat verweerder gedurende langere tijd heeft geaccepteerd dat eiser frequent (open) sollicitaties heeft verricht bij dezelfde werkgevers.

Namens eiser is in beroep aangevoerd dat hij in voldoende mate heeft getracht passende arbeid te verkrijgen. Eiser is arbeidsongeschikt waardoor het voor hem moeilijker is een geschikte plaats op de arbeidsmarkt te bemachtigen. Uit de stukken kan niet worden afgeleid op grond waarvan eiser volgens verweerder een meer dan hypothetische kans op de arbeidsmarkt heeft. Verweerder heeft geen vacatures overgelegd waaruit blijkt dat deze vacatures passende functies zijn voor eiser. Gelet op eisers slechte arbeidsmarktpositie, kan er, aldus eiser, geen verband worden gelegd tussen in onvoldoende mate trachten arbeid te vinden en werkloos zijn en blijven. Volgens het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW moet echter wel rekening worden gehouden met de bijzondere omstandigheden waarin eiser verkeert. Tot slot is namens eiser aangevoerd dat eiser er op mocht vertrouwen dat hij juist handelde, omdat hij op dezelfde wijze solliciteerde als voorheen. De opgelegde maatregel is dan ook niet terecht.

Bij verweerschrift heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hij niet hoeft aan te tonen dat er in een periode waarin te weinig is gesolliciteerd concrete vacatures bestonden. Voorts heeft verweerder aangegeven dat eiser geschikt wordt geacht voor passende arbeid, waaronder niet alleen verstaan wordt hetzelfde werk dat eiser deed voor hij werkloos werd. Het hebben van medische beperkingen hoeft eiser niet te beperken in zijn verplichting voldoende sollicitaties te verrichten. Alleen in het geval eiser door verweerder op een bepaalde functie wordt gewezen, kan beoordeeld worden of die functie, gelet op de eventuele beperkingen geschikt is. Tot slot heeft verweerder aangegeven dat eiser zelf in een telefoongesprek heeft verklaard dat de betreffende werkgevers hem in september 2004 niet hebben uitgenodigd om in oktober 2004 nogmaals te solliciteren. Verweerder is niet gebleken van dringende redenen op grond waarvan kan worden besloten af te zien van het opleggen van een maatregel.

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

In artikel 24, eerste lid, aanhef en onder b, ten eerste, van de WW is bepaald dat de werknemer voorkomt dat hij werkloos is of blijft, doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen.

In artikel 27, derde lid, van de WW is onder meer bepaald dat indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, niet of niet behoorlijk is nagekomen, het UWV, de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk weigert.

In het vierde lid van dit artikel is bepaald dat een maatregel als bedoeld in het derde lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de werknemer de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

In het zesde lid van dit artikel is bepaald dat indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn het UWV kan besluiten van het opleggen van een maatregel af te zien.

In het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW is opgenomen dat van de werknemer, die in aanmerking komt voor een WW-uitkering, in het algemeen wordt verwacht dat hij minimaal één concrete sollicitatieactiviteit per week verricht. Voor de vaststelling of is voldaan aan de sollicitatieplicht wordt rekening gehouden met een aantal aspecten, waaronder het aantal beschikbare vacatures, eventuele (medische) beperkingen van de werknemer in het verrichten van arbeid en de leeftijd van de werknemer. Het Besluit beoogt derhalve een richtsnoer te geven waarbij op grond van individuele omstandigheden van het geval beoordeeld zal moeten worden of de uitkeringsgerechtigde al dan niet aan zijn sollicitatieplicht heeft voldaan.

Uit de gedingstukken is de rechtbank gebleken dat eiser in korte tijd, te weten op 28 september 2004 en 28 oktober 2004 twee maal bij twee dezelfde werkgevers (Bosma en Langhout) heeft gesolliciteerd. Deze sollicitaties zijn aangegeven op de werkbriefjes met betrekking tot de periode van 6 september 2004 tot en met 3 oktober 2004 en de periode van 4 oktober 2004 tot en met 31 oktober 2004. De rechtbank overweegt dat de doelstelling van het ondernemen van sollicitatieactiviteiten is het verkrijgen van arbeid. Daarbij geldt de aanname dat iemand, indien hij voldoende inspanningen aan de dag legt, een meer dan hypothetische kans heeft om passende arbeid te vinden. Als de sollicitatieactiviteiten bij meerdere werkgevers plaatsvinden, is de kans op het vinden van passende arbeid groter dan wanneer meerdere sollicitatieactiviteiten bij één werkgever plaatsvinden. Nu eiser in een tijdsbestek van ongeveer vier weken twee maal bij twee dezelfde werkgevers heeft gesolliciteerd, heeft verweerder dit terecht gezien als het verrichten van één sollicitatieactiviteit per werkgever. Daarbij oordeelt de rechtbank het voorts van belang dat uit de telefoonnotities met zowel de werkgevers als eiser blijkt dat eiser toen hij in september solliciteerde, niet is uitgenodigd om in oktober nogmaals te solliciteren (bijvoorbeeld omdat er alsdan wel werk zou zijn of een uitbreiding van orderportefeuille te verwachten was). Eiser heeft in de periode in geding dan ook niet voldaan aan de verplichting om vier (voldoende) concrete sollicitatieactiviteiten te ondernemen.

Voorts wordt overwogen dat het ontvangen van een WAO-uitkering niet afdoet aan de uit hoofde van de WW op een werkloze rustende verplichting om te voorkomen dat hij werkloos blijft doordat hij in voldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen. Eisers (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid laat onverlet dat er voor hem mogelijkheden op de arbeidsmarkt zijn. Zo is eiser in het kader van een arbeidsongeschiktheidsschatting met inachtneming van zijn medische beperkingen geschikt geacht voor onder meer de volgende functies: productiemedewerker beton, meubelspuiter, monteur, stikker meubelbekleding, medewerker opstellen ochtendploeg, samensteller, machinebediener en bezorger kranten/tijdschriften. Gelet op de aard en het niveau van de functies acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de lichamelijke beperkingen er bij voorbaat debet aan zouden zijn dat er voor hem geen vacatures waren ten tijde in geding.

Voorts kan de enkele omstandigheid dat aan eiser in het verleden voor overtreding van de verplichtingen van artikel 24 van de WW niet een maatregel is opgelegd, er niet toe leiden dat ook in de toekomst - in geval eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 24 van de WW niet een dergelijke maatregel kan c.q. dient te worden opgelegd. Indien sprake is van het overtreden van meergenoemde verplichting, is verweerder, gelet op de hiervoor weergegeven wettelijke bepalingen, immers gehouden een maatregel op te leggen. Wel heeft verweerder - gelijk hij gedaan heeft - hierin aanleiding kunnen zien om ingevolge artikel 6, tweede lid, van het Maatregelenbesluit UWV de korting op de uitkering vast te stellen op 10% in plaats van 20% gedurende 20 weken.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, concludeert de rechtbank dat het beroep van eiser ongegrond dient te worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E.M. Visser, rechter, en door haar in het openbaar uitgesproken op 13 december 2005, in tegenwoordigheid van mr. S. Ambachtsheer als griffier.

w.g. S. Ambachtsheer

w.g. E.M. Visser

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: 14 december 2005