Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2005:AU9582

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
23-12-2005
Datum publicatie
13-01-2006
Zaaknummer
05/2049, 05/2050
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Tentamenuitslag. Rol van bestuursrechter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:84 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nrs.: 05/2049 & 05/2050

Inzake het geding tussen

[A], wonende te [B], verzoeker,

en

het College van beroep voor de examens van de Open Universiteit Nederland, verweerder,

gemachtigde: mr. J.J.F.A. Engels, hoofd Juridische ondersteuning van de Open Universiteit Nederland.

Procesverloop

Bij brief van 12 oktober 2005, verzonden op 9 november 2005, heeft verweerder verzoeker mededeling gedaan van zijn uitspraak op het door verzoeker ingestelde administratieve beroep betreffende de toepassing van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW).

Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Het beroep is bekend onder registratienummer 05/2050.

Tevens heeft verzoeker zich bij brief van 16 november 2005 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om op grond van art. 8:81 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is geregistreerd onder nummer 05/2049.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 20 december 2005. Verzoeker is in persoon verschenen. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door bovengenoemde gemachtigde.

Motivering

Op grond van art. 8:81 lid 1 Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoeker te kunnen ontvangen. Voorts is ter zitting genoegzaam aangetoond dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.

Indien, zoals in het onderhavige geval, het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan terwijl beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter op grond van art. 8:86 lid 1 Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit het geval. De voorzieningenrechter zal daarom onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De voorzieningenrechter baseert zich bij zijn oordeelsvorming op onderstaande feiten en omstandigheden.

Bij brief van 8 juli 2005 is namens de Commissie voor de examens van de Open Universiteit Nederland (hierna: de Commissie voor de examens) aan verzoeker meegedeeld dat hij op grond van het door hem behaalde resultaat (4) op de tentamenzitting van 27 juni 2005 van de cursus Materieel strafrecht niet in voldoende mate heeft voldaan aan de eisen die aan het desbetreffende tentamen worden gesteld. Verzoeker heeft tegen deze beslissing administratief beroep ingesteld bij verweerder.

Overleg om na te gaan of een minnelijke schikking van het geschil mogelijk is, heeft niet tot een andere beslissing van de Commissie voor de examens geleid. Het administratieve beroep is vervolgens door verweerder bij besluit van 12 oktober 2005 ongegrond verklaard.

In beroep heeft verzoeker -kort samengevat- aangevoerd dat het tentamen en de uitslag van het tentamen niet evenredig zijn met het doel van het tentamineren. Een aantal vragen was zeer vaag geformuleerd -waardoor de beantwoording in feite alle kanten op kon- en de beoordeling door de examinator van deze antwoorden is zeer discutabel. Eiser heeft in dit verband verwezen naar de vragen 1, 3, 4 en 6 van het tentamen. Volgens verzoeker geeft de uitkomst niet weer wat gemeten diende te worden. Voorts is verzoeker van mening dat tal van vormvereisten en behoorlijkheidseisen geschonden zijn en dat hij hierdoor ernstig tekort is gedaan in zijn verdediging.

De voorzieningenrechter overweegt het volgende.

In art. 7:61 lid 1 aanhef en onder f WHW is bepaald dat een betrokkene tegen beslissingen van de examencommissie en examinatoren beroep kan instellen bij het College van beroep voor de examens. Ingevolge art. 7:61 lid 2 WHW kan het beroep worden ingesteld op de grond dat een beslissing in strijd is met het recht.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) -verwezen zij onder meer naar de uitspraak van 13 maart 2002, LJN: AE1795- laat art. 7.61 WHW onverlet dat de toetsing door de bestuursrechter van de beslissing van het College van beroep beperkt moet zijn. Op grond van artikel 8:4, aanhef en onder e, Awb kan immers geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld tegen besluiten, inhoudende een beoordeling van het kennen en kunnen van een kandidaat of leerling die ter zake is geëxamineerd of op enigerlei andere wijze is getoetst, dan wel inhoudende de vaststelling van opgaven, beoordelingsnormen of nadere regels voor die examinering of toetsing. Deze bepaling staat eraan in de weg, dat door het instellen van beroep tegen een in administratief beroep genomen beslissing van het College van beroep een oordeel van de bestuursrechter wordt verkregen over een besluit dat als zodanig van de bestuursrechtelijke rechtsbeschermingweg is uitgezonderd. Dit betekent dat -wat betreft het aan de beslissing op administratief beroep ten grondslag liggende besluit van de examinator- door de bestuursrechter slechts kan worden beoordeeld of het College van beroep zich al dan niet terecht op het standpunt heeft gesteld dat aan de formele voorschriften die bij of krachtens de Awb, de WHW of enige andere wet in formele zin zijn gesteld, is voldaan.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de bezwaren van verzoeker voor een groot deel zien op de zijns inziens tekortschietende kwaliteit van het tentamen Materieel strafrecht. Gelet op het voor deze zaak geldende beperkte toetsingskader is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder terecht niet is getreden in een inhoudelijke beoordeling van de kwaliteit van het tentamen.

Ten aanzien van de vraag of er formele voorschriften zijn geschonden overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Verweerders standpunt dat in het onderhavige geval geen sprake is geweest van strijd met enig voorschrift uit de WHW, de Onderwijs- en examenregeling of de Nadere regels inrichting tentamen en examen 2004-2005, is door verzoeker niet betwist en ook de voorzieningenrechter is niet gebleken van schending van formele voorschriften uit bedoelde regelingen. De opmerking van verzoeker ter zitting dat ten aanzien van tentamenvraag 5 de tentamenstof en het antwoordmodel niet overeenstemmen, zodat gehandeld is in strijd met art. 14 van de Onderwijs- en examenregeling, is in administratief beroep niet aan de orde geweest en valt daarmee buiten de onderhavige beoordeling.

De voorzieningenrechter is voorts met verweerder van oordeel dat de beoordeling van het tentamen is voorzien van een deugdelijke en kenbare motivering. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder de beschikking heeft gehad over alle vragen die op het tentamen gesteld zijn, de puntentoekenning per vraag en over het antwoordmodel. Voorts heeft verweerder kennis kunnen nemen van het verweer van de examinator op verzoekers bezwaarschrift en aanvullend bezwaarschrift. De voorzieningenrechter is na kennisneming van bedoelde stukken van oordeel dat verweerder op basis hiervan heeft kunnen concluderen dat de grenzen die in het kader van een beoordeling gesteld worden in acht zijn genomen. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de examinator op alle bezwaren van verzoeker is ingegaan en ten aanzien van die bezwaren een gemotiveerde weerlegging heeft gegeven. Dat de examinator op sommige punten inhoudelijk van mening verschilt met verzoeker, zoals bijvoorbeeld met betrekking tot de interpretatie van een vraag, doet niet af aan de gegeven motivering.

Verzoekers standpunt dat een tweede examinator benoemd had moeten worden, dan wel dat een second-opinion gevraagd had moeten worden aan een onafhankelijke deskundige volgt de rechtbank niet, nu dit niet formeel is voorgeschreven en voorts niet is gebleken dat beoordeling van het tentamen hierdoor onzorgvuldig is geweest.

Verzoeker heeft verder aangevoerd dat verweerders beslissing niet voldoende is gemotiveerd en dat in het kader van de gevoerde procedure vormvoorschriften zijn geschonden. De voorzieningenrechter acht de gegeven motivering door verweerder in de bestreden beslissing evenwel voldoende en overweegt hiertoe het volgende.

Verweerder is ingegaan op mogelijke schendingen van formele voorschriften. Voorts heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht overwogen dat aan de examinator beoordelingsruimte toekomt en dat diens beoordeling door verweerder slechts marginaal getoetst wordt. Verweerder heeft verder gemotiveerd aangegeven waarom argumenten van verzoeker die zien op de inhoud en de kwaliteit van het tentamen buiten beschouwing moeten blijven. Verweerder heeft dan ook niet gehandeld in strijd met het motiveringsbeginsel door niet inhoudelijk in te gaan op argumenten van verzoeker betreffende onder andere de kwaliteit van de vraagstelling, de lage betrouwbaarheidscoëfficiënt en de, volgens verzoeker, onevenwichtige toetsopzet van bepaalde vragen. Verweerder heeft verder benadrukt dat hij, anders dan door verzoeker was gesteld, de beschikking heeft gehad over alle gedingstukken. Tenslotte ziet de voorzieningenrechter niet in dat verzoeker op enige wijze door de proceshouding van verweerder in zijn verdediging is geschaad. Verzoeker heeft alle gelegenheid gehad zijn bezwaren naar voren te brengen en te reageren op stukken van de Commissie voor de examens.

Op grond van het vorenstaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat hetgeen door verzoeker in beroep is aangevoerd -voor zover dit bij de beoordeling kan worden betrokken- niet kan leiden tot het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het besluit van 8 juli 2005 niet in strijd is met het recht. Het beroep zal daarom ongegrond verklaard moeten worden. Gelet op de gegeven beslissing in de hoofdzaak zal voorts het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening worden afgewezen.

De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep in de hoofdzaak met registratienummer 05/2050 ongegrond;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak met registratienummer 05/2049 af.

Aldus gegeven door mr. C.M. Telman, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2005, in tegenwoordigheid van mr. F.P. Dillingh als griffier.

w.g. F.P. Dillingh

w.g. C.M. Telman

Tegen de uitspraak in het verzoek om een voorlopige voorziening met registratienummer 05/2049 kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Tegen de uitspraak in de hoofdzaak met registratienummer 05/2050 staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u dan waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Schriftelijke uitspraak verzonden op: 28 december 2005