Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2005:AU8866

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
22-12-2005
Datum publicatie
03-01-2006
Zaaknummer
05/808
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

IB/PVV 2000. Aangekochte effectenportefeuille alsmede ter zake van de effectentransacties gemaakte bankkosten heeft eiseres terecht in mindering gebracht op het resultaat van haar onderneming van het onderhavige jaar. De effectenportefeuille dient tot het ondernemingsvermogen te worden gerekend, nu deze niet op enig moment aan het ondernemingsvermogen zijn onttrokken en een privé-bestemming hebben gekregen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingadvies 2006/2.3
V-N 2006/14.2.5
FutD 2006-0027
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

Registratienummer: AWB 05/808

Uitspraakdatum: 22 december 2005

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 26 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[A.]

wonende te [B.], eiseres,

gemachtigde: dhr. A. van den Berg

en

de inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Noord,

verweerder,

gemachtigde: dhr. J. Jeuring

Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2000 aanslagen opgelegd in respectievelijk de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van f 248.950,-- en de premie op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, berekend naar een premie-inkomen van f 84.000,-- (maximum premie-inkomen).

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft verweerder bij de uitspraken op bezwaar de aanslagen gehandhaafd. Eiseres heeft tegen beide uitspraken bij één geschift beroep ingesteld, waarna verweerder een verweerschrift heeft ingediend.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2005 te Leeuwarden.

Partijen zijn daar verschenen.

De feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Eiseres, geboren op [geboortedatum] en gehuwd, drijft in onder meer het onderhavige jaar, in de vorm van een eenmanszaak, een exploitatiebedrijf in onroerende zaken onder de naam “[C.]”. De doelstelling van het bedrijf is het beheren van onroerende zaken, beleggen en deelnemen in onroerende zaken, bemiddelen bij aan- en verkoop van onroerende zaken en advisering, alles in de meest ruime betekenis van het woord.

2.2. Eiseres heeft in het jaar 1999 alle tot het vermogen van haar onderneming behorende onroerende zaken ( hierna: de onroerende zaken) vervreemd. Met de behaalde boekwinst is op grond van artikel 14 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zoals deze wet in het onderhavige jaar gold (hierna: de Wet), een vervangingsreserve gevormd. Deze vervangingsreserve staat per 1 januari 2000 voor f 1.234.821,-- en per 31 december 2000 voor f 978.808,-- op de fiscale balans.

2.3. Met de uit de verkoop van de onroerende zaken door eiseres ontvangen liquide middelen is een effectenportefeuille (hierna: de effectenportefeuille) gekocht. De op de onroerende zaken rustende hypothecaire schulden zijn niet afgelost. De stand van die hypothecaire schulden bedroeg per 1 januari 2000 in totaal f 552.000,-- en per 31 december 2000 f 528.000,-- en deze schulden zijn op de fiscale balans gepassiveerd.

Het bedrag van de op de betreffende onroerende zaken rustende hypotheek is direct na de verkoop van de onroerende goederen door de bank gescheiden van de rest van de vrijgekomen liquide middelen door dit bedrag te boeken op een geblokkeerde rekening. De gelden op de geblokkeerde rekening kunnen niet worden gebruikt ter zake van effectentransacties en zijn ook nimmer als zodanig aangewend.

2.4. Behalve met de uit de verkoop van de onroerende zaken ontvangen gelden, is de effectenportefeuille ten dele opgebouwd met geld uit opgenomen effectenkredieten. De stand van de effectenkredieten per 1 januari 2000 bedroeg f 314.327,-- en per 31 december 2000 f 112.367,--. De effectenkredieten heeft eiseres als passiefpost opgenomen op de fiscale balans.

2.5. Eiseres heeft de effectenportefeuille laten aankopen en beheren door haar echtgenoot in samenspraak met de bank. Ze heeft de effecten gekocht en daarmee gehandeld om rendement te behalen. Tegen het risico van koersdalingen heeft ze zich niet ingedekt. Ten behoeve van de aangekochte effectenportefeuille is gebruik gemaakt van een reeds bestaande effectenrekening, die op naam van haar echtgenoot stond (hierna: de effectenrekening).

2.6. In het jaar 2000 hebben er enkele honderden transacties met de effectenportefeuille (aan - en verkopen van pakketten aandelen) plaatsgevonden. Eiseres heeft (door deze transacties) met de effectenportefeuille in het jaar 2000 een verlies geleden van in totaal f 904.927,--.

2.7. Eiseres heeft de aangekochte effectenportefeuille tot haar ondernemingsvermogen gerekend en aldus het door haar op die effectenportefeuille in het onderhavige jaar geleden verlies ad f 904.927,-- alsmede de ter zake van de effectentransacties gemaakte bankkosten ad f 21.748,--, in mindering gebracht op het resultaat van de onderneming over het onderhavige jaar.

2.8. Verweerder is de mening toegedaan dat het hiervoor vermelde verlies en de genoemde bankkosten niet in mindering op het resultaat van het onderhavige jaar kunnen worden gebracht, omdat hij van opvatting is dat de effectenportefeuille tot het verplichte privé – vermogen gerekend dient te worden. Hij heeft het belastbare inkomen en het premie-inkomen bij de aanslagregeling dienovereenkomstig gecorrigeerd en deze correctie na bezwaar gehandhaafd. De continuering van de onderneming van eiseres en de op de fiscale balans opgenomen vervangingsreserve heeft verweerder nimmer ter discussie gesteld.

Het geschil

3.1. In geschil zijn de antwoorden op de volgende vragen:

- Heeft eiseres de effectenportefeuille (en de daarbij horende schulden) terecht tot haar ondernemingsvermogen gerekend en zodoende terecht het met die effectenportefeuille in het onderhavige jaar geleden verlies en de met de effecten(transacties) gemaakte bankkosten op het resultaat over het onderhavige jaar in mindering gebracht?

- Mocht eiseres aan de afdoening door verweerder van de aangifte over het jaar 1999 het in rechte te beschermen vertrouwen ontlenen dat laatstgenoemde de effectenportefeuille ook voor het jaar 2000 aanmerkt als ondernemingsvermogen?

3.2. Verweerder beantwoordt de vragen ontkennend en eiser bevestigend. Voor uitgebreide weergaven van de wederzijdse standpunten verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

De beoordeling van het geschil

4.1. Niet, althans onvoldoende, weersproken staat tussen partijen vast dat eiseres haar onderneming, na de verkoop en vervreemding van alle tot het ondernemingsvermogen behorende onroerende zaken, niet heeft gestaakt, maar dat zij haar onderneming, ook gedurende het onderhavige jaar, steeds heeft gecontinueerd. Tevens staat tussen partijen vast dat, vanaf het moment van de vervreemding van die onroerende zaken, er bij eiseres steeds het voornemen tot vervanging van die vervreemde onroerende zaken heeft bestaan en kunnen bestaan en dat zij het verschil tussen de opbrengst van de vervreemding en de boekwaarde van de verkochte onroerende zaken op grond van artikel 14, eerste lid, van de Wet op haar fiscale balans heeft mogen reserveren. Aangenomen moet derhalve worden dat partijen er steeds van uit zijn gegaan dat de vervreemde onroerende zaken in het belang van de continuïteit van de onderneming van belanghebbende vervangen zullen worden en dat, nu gesteld noch gebleken is dat de vervanging op een andere wijze zou kunnen plaatsvinden, de onderhavige effectenportefeuille, die hoofdzakelijk is bekostigd door de uit de verkoop van de onroerende zaken vrijgekomen - tijdelijk overtollige - liquide middelen, steeds primair bestemd is geweest om dienstbaar te zijn aan de uitoefening van het bedrijf van eiseres, namelijk om uitvoering te geven aan het vervangingsvoornemen van eiseres, hierin bestaande dat met de uit die effectenportefeuille te genereren liquiditeiten tijdig weer in de onderneming van eiseres beschikbaar zullen zijn ten behoeve van de aanschaf van vervangende bedrijfsmiddelen (onroerende zaken). Nu noch de continuïteit van de onderneming van eiseres noch het vervangingsvoornemen en de opname van de vervangingsreserve op de fiscale balans op enig moment door verweerder ter discussie is gesteld, kan de rechtbank hem niet volgen in zijn stelling dat de uit de vervreemding van de onroerende zake vrijgekomen liquide middelen en de daarmee aangekochte effectenportefeuille op enig moment aan het ondernemingsvermogen zijn ontrokken en een privé-bestemming hebben gekregen. De effectenportefeuille dient derhalve tot het ondernemingsvermogen te worden gerekend.

Daaraan doet niet af dat de op de verkochte onroerende zaken rustende hypotheek niet is afgelost. Het bedrag van de op de betreffende onroerende zaken rustende hypotheek is immers direct na de verkoop van de onroerende goederen door de bank gescheiden van de rest van de vrijgekomen liquide middelen door dit bedrag te boeken op een geblokkeerde depositorekening, terwijl de gelden op deze geblokkeerde rekening niet kunnen worden gebruikt ter zake van effectentransacties en ook nimmer als zodanig zijn aangewend.

De omstandigheid dat de effectenportefeuille ten dele is opgebouwd met geld uit opgenomen effectenkredieten laat onverlet dat, zoals hiervoor is overwogen, de effectenportefeuille, steeds primair te dienste van de onderneming is aangeschaft en beheerd, ook voor zover deze portefeuille voor een beperkt deel is gevoed met gelden uit de opgenomen kredieten. Deze effectenkredieten heeft eiseres dan ook terecht tot haar ondernemingsvermogen gerekend.

4.2. Het feit dat eiseres ter zake van de aankoop van de effectenportefeuille en de daarop volgende transacties met de aangekochte aandelen gebruik heeft gemaakt van een reeds bestaande effectenrekening op naam van haar echtgenoot, leidt er naar het oordeel van de rechtbank niet toe dat eiseres de met de vervreemding van de onroerende zaken verworven gelden en de daarmee aangekochte effectenportefeuille aan haar onderneming heeft onttrokken en deze een privé-bestemming heeft gegeven. Immers, nu vaststaat dat de echtgenoot van eiseres reeds de beschikking had over een effectenrekening en bij eiseres kennis van en ervaring met aandelen(transacties) ontbrak, acht de rechtbank het aannemelijk dat de onderhavige aankoop van en transacties met de effectenportefeuille, die feitelijk door de bank in samenspraak met haar echtgenoot zijn geschied, voor rekening en risico van eiseres ten dienste van haar onderneming zijn uitgevoerd, onder gebruikmaking van de reeds bestaande effectenrekening van de echtgenoot.

4.3. Nu door verweerder niet meer wordt bestreden dat de op de effecten(transacties) betrekking hebbende bankkosten door eiseres daadwerkelijk in het onderhavige jaar zijn betaald, is de rechtbank van oordeel dat ook deze bankkosten, die gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten dienste van de onderneming van eiseres zijn gemaakt, ten laste van het resultaat van de onderneming van eiseres over het jaar 2000 dienen te worden gebracht.

4.4. Het gelijk ligt derhalve aan de zijde van eiseres. De tweede onder 3.1. vermelde vraag behoeft dan geen beantwoording. Het belastbare inkomen dient te worden verminderd tot op -/- f 677.725,-- (het aangegeven belastbare inkomen, onder bijtelling van de, naar tussen partijen niet in geschil is, terecht gecorrigeerde zelfstandigenaftrek ad f 13.110,--).

4.5. Hetgeen hiervoor is overwogen heeft tot gevolg dat het premie-inkomen in het kader van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen dient te worden vastgesteld op

-/- f 677.725,-- (de aangegeven winst).

Proceskosten

Er is geen aanleiding te komen tot een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de AWB.

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraken op bezwaar;

-vermindert de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over het jaar 2000 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van -/- f 677.725,-- (is -/- € 307.538,--);

-vermindert de aanslag ter zake van de verschuldigde premie op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen over het jaar 2000 tot een aanslag berekend naar een premie-inkomen van -/- f 677.725,-- (is -/- € 307.538,--);

-verstaat dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht ad € 37,-- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. H.H.A. Fransen, voorzitter, mr. J.W. Keuning en mr.dr. P. van der Wal. De beslissing is op 22 december 2005 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mw. Mr. K. van der Leij, griffier.

Afschrift aangetekend

verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.