Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2005:AU8158

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
15-12-2005
Datum publicatie
20-12-2005
Zaaknummer
17/695362-05 VEV
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Landelijke vrijstellingslijst, kraaien, geen ontslag van rechtsvervolging

Wetsverwijzingen
Flora- en faunawet 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Leeuwarden

Sector strafrecht

VERKORT VONNIS

Uitspraak: 15 december 2005

Parketnummer: 17/695362-05 VEV

VONNIS van de economische politierechter in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres].

De economische politierechter heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 1 december 2005.

De verdachte is verschenen.

TELASTELEGGING

Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

BEWEZENVERKLARING

De economische politierechter acht het telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 26 april 2005, te Surhuizum, in de gemeente Achtkarspelen, opzettelijk, dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, als bedoeld in artikel 4 van de Flora- en faunawet, te weten vier zwarte kraaien (Corvus corone), onder zich heeft gehad.

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de economische politierechter dat niet bewezen acht.

KWALIFICATIE

Het bewezene levert op het misdrijf:

Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13 van de Flora- en faunawet, opzettelijk begaan.

STRAFBAARHEID VAN HET FEIT

Artikel 13 Flora en Faunawet (FEFW) luidt voor zover van belang als volgt:

1. Het is verboden:

a. planten of producten van planten, of dieren dan wel eieren, nesten of producten van dieren, behorende tot een beschermde inheemse of beschermde uitheemse plantensoort onderscheidenlijk een beschermde inheemse of beschermde uitheemse diersoort, of

b. dieren behorende tot een niet beschermde uitheemse diersoort, te koop te vragen, te kopen of te verwerven, ten verkoop voorhanden of in voorraad te hebben, te verkopen of ten verkoop aan te bieden, te vervoeren, ten vervoer aan te bieden, af te leveren, te gebruiken voor commercieel gewin, te huren of te verhuren, te ruilen of in ruil aan te bieden, uit te wisselen of tentoon te stellen voor handelsdoeleinden, binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen of onder zich te hebben.

De tekst van lid 1 onder b is nog niet in werking getreden.

Vanwege het feit dat onderdeel "b" nog niet in werking is getreden brengt strikte lezing van het artikel mee dat het feit niet onder een delictsomschrijving is te brengen. De economische politierechter is echter van oordeel dat er in casu sprake is van een evidente misslag in de tekstplaatsing. De strafbare handelingen zijn toegevoegd aan onderdeel "b" en kennelijk is bij de plaatsing van de tekst miskend dat dit deel afzonderlijk aan het sub "a" had dienen te worden gekoppeld, nu onderdeel "b" nog niet in werking trad. In de conclusie bij het arrest HR 21-01-2003, 02216/01 E wordt ook op deze omissie gewezen en wordt gesteld dat de Staatssecretaris van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft bevestigd dat de handelingen genoemd onder "b" ook betrekking hebben op de planten en dieren genoemd onder "a". Aan verdachte is ook duidelijk welk feit hem verweten wordt. Verdachte bestrijdt ook niet dat het onder zich hebben van kraaien strafbaar is, doch stelt dat voor hem een vrijstelling geldt.

De economische politierechter zal verdachte niet ontslaan van alle rechtsvervolging op basis van de redactionele misslag in de tekstplaatsing van de wet.

Door verdachte is aangevoerd dat voor de kraai een algehele landelijke vrijstelling geldt, zodat het onder zich hebben van kraaien niet strafbaar is.

De economische politierechter overweegt daaromtrent het volgende:

Voor de kraai geldt inderdaad een landelijke vrijstelling op grond van artikel 65 FEFW. Deze vrijstelling is echter alleen van toepassing op handelingen zoals bedoeld in de artikelen 9 tot en met 12 van de FEFW en is van toepassing voor de grondgebruiker of zijn schriftelijk gemachtigde, indien er sprake is van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren. Deze vrijstelling ziet niet op de aan verdachte verweten gedraging die strafbaar is gesteld in artikel 13 FEFW.

Vrijstelling van artikel 13 is echter wel mogelijk op basis van artikel 75 FEFW. De nadere uitwerking van dit artikel is te vinden in het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten (nader te noemen het Besluit) en in de Regeling vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten (nader te noemen de Regeling).

Op basis van artikel 4 van het Besluit geldt artikel 13 FEFW niet indien het gaat om gefokte of in gevangenschap geboren vogels alsmede om de producten van die gefokte dieren. De artikelen 5, 6, 8 en 8 van het Besluit en de artikelen 12 en 13 van de Regeling vormen de nadere uitwerking van de eisen die gelden voor het in aanmerking komen voor de vrijstelling (onder andere de verplichting tot het voorzien zijn van een pootring of soortgelijk merkteken). Door verdachte is verklaard dat hij kraaien onder zich had die niet waren voorzien van een pootring; dat die dieren niet waren gefokt, maar op jonge leeftijd bij hem waren gebracht en nadien in gevangenschap werden gehouden.

Noch afgezien van de verifieerbaarheid van dit gegeven, voldoet verdachte derhalve niet aan de eisen die gelden voor het vallen onder de hiervoor genoemde vrijstelling.

Gelet op vorenstaande is de economische politierechter van oordeel dat het verweer strekkende tot ontslag van alle rechtsvervolging dient te worden afgewezen.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De economische politierechter acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitings-grond is gebleken.

STRAFMOTIVERING

De economische politierechter neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van het gepleegde feit;

- de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister;

- de vordering van de officier van justitie tot veroordeling van verdachte terzake het telastegelegde tot een geldboete van ? 200,-- subsidiair 4 dagen hechtenis;

TOEPASSING VAN WETSARTIKELEN

De economische politierechter heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c van het Wetboek van Strafrecht, artikel 13 van de Flora- en faunawet en de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.

DE UITSPRAAK VAN DE ECONOMISCHE POLITIERECHTER LUIDT

RECHTDOENDE:

Verklaart het telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Betaling van een geldboete ten bedrage van ? 200,-- (zegge: tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door 4 dagen hechtenis.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Beswerda, economische politierechter, bijgestaan door A. van Dijk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 december 2005.