Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2005:AU7387

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
01-12-2005
Datum publicatie
02-12-2005
Zaaknummer
17/781116-05 VEV
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inbeslaggenomen pillen, NFI-onderzoek, laboratoriumrapport, chemische samenstelling, deskundigenrapport, kwaliteit, uitwerking, amfetamine, MDMA

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 48
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Leeuwarden

Sector strafrecht

VERKORT VONNIS

Uitspraak: 1 december 2005

Parketnummer: 17/781116-05

VONNIS van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres]

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 17 november 2005.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M. Rosema, advocaat te Drachten.

TELASTELEGGING

Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

NADERE BEWIJSOVERWEGING

De rechtbank overweegt met betrekking tot het onder 1 telastegelegde het volgende.

Aan verdachte is telastegelegd dat hij in de periode van 1 oktober 2004 tot en met 6 mei 2005 zogenoemde XTC-pillen en speed heeft verkocht en afgeleverd en heeft verstrekt.

Met betrekking tot de XTC-pillen blijkt uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting dat de politie op 7 mei 2005 in het huis van verdachte een hoeveelheid pillen in beslag heeft genomen. Een aantal van deze pillen is onderzocht door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Uit het laboratoriumrapport van dit onderzoek is gebleken dat deze pillen MDMA bevatten. Verdachte heeft ter zitting echter verklaard dat hij deze onderzochte partij pillen nog maar korte tijd in huis had en dat hij van deze partij weinig pillen had verkocht. Verdachte heeft wel bekend dat hij gedurende de gehele telastegelegde periode XTC-pillen heeft verkocht. Geen van de pillen die verdachte gedurende het grootste deel van de telastegelegde periode heeft verkocht, zijn door de politie inbeslag genomen. Een laboratoriumrapport over de chemische samenstelling van deze pillen ontbreekt daarom.

In een vonnis van deze rechtbank (LJN: AS6892, 22 februari 2005) is vastgesteld dat uit een deskundigenrapport van het NFI, d.d. 25 oktober 2005, blijkt dat onderzoek van 9150 "XTC-pillen" door het NFI in de jaren 2000 tot en met 2004 als resultaat heeft gehad dat 98 % van de tabletten stoffen bevatten die onder lijst I van de Opiumwet vallen. Deze bevindingen worden bevestigd door de resultaten van laboratoriumonderzoek van drugsmonsters die bij instellingen voor verslavingszorg worden ingeleverd, zoals blijkt uit de Nationale Drug Monitor, jaarbericht 2003.

Uit de verklaringen van afnemers van verdachte, zoals die zich in het dossier bevinden, blijkt dat zij de pillen van goede kwaliteit vonden en dat de pillen op hen de verwachte uitwerking hadden. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij van iedere partij pillen die hij verkocht en verstrekte zelf een pil testte; verdachte vond al deze door hem geteste pillen van goede kwaliteit en zij hadden op hem de verwachte uitwerking.

Gelet op deze feiten, gezien in het licht van het hiervoor genoemde rapport, acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich naast de handel in speed (amfetamine) ook over de gehele telastegelegde periode heeft schuldig gemaakt aan de handel in materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of MDEA en/of N-ethylMDA en/of (met)amfetamine en/of een of meer andere middelen voorkomende op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht het onder 1 en 2 telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 oktober 2004 tot en met 6 mei 2005, te Wolvega, in de gemeente Weststellingwerf, meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt aan meerdere personen, hoeveelheden van een materiaal bevattende amfetamine en hoeveelheden van een materiaal bevattende MDA en/of MDMA en/of MDEA en/of N-ethylMDA en/of (met)amfetamine (zogenaamde XTC-pillen) en/of een of meer andere middelen voorkomende op lijst I van de Opiumwet,

zijnde amfetamine en/of MDA en/of MDMA en/of MDEA en/of N-ethylMDA telkens

een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

2.

hij op 7 mei 2005, te Wolvega, in de gemeente Weststellingwerf, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 80 gram van een materiaal bevattende amfetamine (speed) en een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (te weten 84 zogenaamde XTC-pillen) en ongeveer 4,6 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde amfetamine en MDMA en cocaïne, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

KWALIFICATIE

Het bewezene levert op de misdrijven:

1.

Ten aanzien van het verkopen en afleveren:

De voortgezette handeling van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het verstrekken:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd

2.

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

STRAFMOTIVERING

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister en het voorlichtingsrapport van Verslavingszorg Noord Nederland, d.d. 1 augustus 2005;

- het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht;

- de vordering van de officier van justitie tot veroordeling van verdachte terzake het onder 1 en 2 telastegelegde tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van de voorlopige hechtenis, voorts een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden alsmede een werkstraf voor de duur van 180 uren;

- het pleidooi van de raadsvrouw.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim zeven maanden schuldig gemaakt aan het handelen in amfetamine en XTC-pillen. In beginsel dient een dergelijk feit conform de door de rechtbank gehanteerde richtlijnen te worden bestraft met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Tevens heeft verdachte 80 gram amfetamine, 84 XTC-pillen en 4,6 gram cocaïne aanwezig gehad. In beginsel dient een dergelijk feit conform de door de rechtbank gehanteerde richtlijnen te worden bestraft met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 14 weken.

Als strafverlichtende omstandigheden weegt de rechtbank mee dat verdachte geen relevante documentatie heeft en hij inmiddels - naar eigen zeggen - geen drugs meer gebruikt. Tevens is daarbij van belang dat verdachte weer volop aan het werk is en geen contact meer heeft met vrienden en kennissen die drugs gebruiken.

Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat kan worden afgezien van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, die zou meebrengen dat verdachte wederom zou worden gedetineerd. De rechtbank zal verdachte in plaats daarvan een werkstraf opleggen. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de toepasselijke richtlijnen zoals hierboven vermeld, in dezen het opleggen van een werkstraf van de maximale duur een passende sanctie is. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf opleggen gelijk aan het voorarrest. Teneinde te voorkomen dat verdachte weer tot het plegen van strafbare feiten zal overgaan, zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.

TOEPASSING VAN WETSARTIKELEN

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 56, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT

RECHTDOENDE:

Verklaart het onder 1 en 2 telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

1. Een gevangenisstraf voor de duur van 219 dagen.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 180 dagen niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

2. Een werkstraf, bestaande uit het verrichten van 240 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. M.H. Severein en mr. M.R. de Vries, rechters, bijgestaan door mr. E.M. Troost, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 december 2005.