Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2005:AU6738

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
20-10-2005
Datum publicatie
24-11-2005
Zaaknummer
04/1495
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2007:BA4332, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werkloosheidswet. Beschikbaarheid om arbeid te aanvaarden. Arbeids(on)geschiktheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 04/1495

Inzake het geding tussen

[A], wonende te [B],

eiseres,

gemachtigde: mr. H.B.T. Koekkoek, werkzaam bij Hout- en Bouwbond CNV te Drachten,

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder,

gemachtigde: G.A. Tellinga, werkzaam bij verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 10 november 2004 heeft verweerder eiseres in kennis gesteld van zijn besluit op bezwaar met betrekking tot de toepassing van de Werkloosheidswet (WW).

Tegen dit besluit heeft eiseres op 22 december 2004 beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 11 oktober 2005. Eiseres en haar gemachtigde zijn, na voorafgaande kennisgeving daarvan, niet verschenen. Verweerder is verschenen bij voornoemde gemachtigde.

Motivering

Eiseres is vanaf 15 november 2002 voor acht uren per week als huishoudelijk medewerkster werkzaam bij Caparis. Daarnaast ontving eiseres een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Ingaande 19 februari 2003 is de WAO-uitkering van eiseres ingetrokken, omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van die wet werd geacht. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze intrekking. Tevens heeft zij een werkloosheidsuitkering (hierna: WW-uitkering) aangevraagd, welke werd toegekend met ingang van 19 februari 2003. Deze WW-uitkering, welke was gebaseerd op een arbeidspatroon van gemiddeld 36 arbeidsuren per week, werd op voorschotbasis uitbetaald in afwachting van het resultaat van het door eiseres gemaakte bezwaar tegen de intrekking van de WAO-uitkering.

In verband met ziekte van eiseres werd haar WW-uitkering met ingang van 10 april 2003 ingetrokken. Per 1 mei 2004 werd eiseres weer arbeidsgeschikt geacht door de verzekeringsarts en heeft zij opnieuw een WW-uitkering aangevraagd. Bij brief van 25 mei 2004 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat er nog geen beslissing genomen kon worden op de aanvraag in afwachting van het resultaat van het door eiseres ingestelde beroep in de WAO-zaak. Om ervoor te zorgen dat eiseres toch inkomen heeft, is haar met ingang van 3 mei 2004 een voorschot op een WW-uitkering toegekend.

Uit onder meer het telefoonrapport van 11 maart 2003 en de aantekeningen van 25 april 2004 uit het UWV-dossier blijkt dat verweerder soepel omgaat met de beoordeling van de sollicitatie-activiteiten van eiseres in afwachting van de uitkomst van het door eiseres ingestelde bezwaar c.q. beroep in de WAO-zaak.

Op 30 juni 2004 heeft verweerder een Eindrapportage Reïntegratie Traject ontvangen van Salto Reïntegratie. Uit dit rapport blijkt onder meer dat eiseres heeft aangegeven dat zij vanwege psychische klachten niet meer kan werken dan de acht uren per week die zij bij Caparis werkt. Het reïntegratietraject waaraan eiseres deelnam, gericht op terugkeer in haar eigen werk bij Caparis, is daarom afgesloten.

Naar aanleiding van dit rapport heeft verweerder eiseres op 5 juli 2004 een vragenformulier toegezonden, waarin haar is voorgehouden dat uit de rapportage van Salto blijkt dat zij voor maximaal acht uren beschikbaar is voor werk, terwijl zij een uitkering ontvangt voor 36 uren per week. Aan eiseres werd de vraag gesteld of zij voor de uren die zij niet werkt, beschikbaar is voor werk. Daarbij werd opgemerkt dat, indien deze vraag met nee zou worden beantwoord, eiseres voor deze uren geen WW-uitkering zou ontvangen.

Eiseres heeft voormeld formulier op 31 juli 2004 geretourneerd en heeft op het formulier aangegeven dat zij vanwege de beperkingen zoals vermeld in het meegestuurde rapport van psychiatrisch onderzoek van 24 juli 1995 niet in staat is "meer uren erbij te werken". Blijkens een telefoonrapport van 20 juli 2004 had eiseres in een telefoongesprek met een medewerker van verweerder op die dag ook al aangegeven dat zij niet meer dan acht uren kan werken.

Bij besluit van 4 augustus 2004 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat haar WW-uitkering met ingang van 12 juli 2004 wordt beëindigd omdat zij niet beschikbaar is voor werk naast de acht uren die zij reeds werkzaam is voor Caparis.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe overwogen dat middels het door eiseres op 31 juli 2004 geretourneerde vragenformulier ondubbelzinnig is komen vast te staan dat zij door houding en gedrag duidelijk en eenduidig te kennen heeft gegeven of heeft doen blijken niet beschikbaar te zijn voor meer werk dan de acht uren per week die zij al verricht. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij zich in de periode van 19 februari 2003 tot 10 april 2003 en van 3 mei 2004 tot 12 juli 2004 coulant heeft opgesteld door niet onmiddellijk niet-beschikbaarheid voor arbeid aan te nemen op basis van uitlatingen van eiseres dat zij slechts beperkt beschikbaar is voor werk. Voornoemde voorschotten zullen dan ook niet worden teruggevorderd van eiseres.

Eiseres betoogt dat zij zich in een onduidelijke positie bevindt, nu zij meent dat de mate van arbeidsongeschiktheid niet correct is vastgesteld. Zij heeft hoger beroep aangetekend tegen de ongegrondverklaring van haar beroep in de WAO-zaak door de rechtbank op 2 november 2004. De door eiseres gedane mededelingen zijn niet zorgvuldig bezien in het licht van de verschillende belangen die voor haar in het geding zijn.

Eiseres is wel beschikbaar voor werk waarin rekening wordt gehouden met haar medische beperkingen. Dit moet voldoende zijn om een voorschot op een WW-uitkering te verstrekken.

Aan eiseres is niet gevraagd of zij beschikbaar is voor meer dan acht uren werk onder duidelijke vermelding van de consequentie van beëindiging van de WW-uitkering als zij niet beschikbaar is. Er is dan ook niet voldaan aan de strenge eisen die de rechtspraak stelt aan het vaststellen van niet-beschikbaarheid. De verklaring van eiseres op het formulier van 31 juli 2004 ziet op de WAO-beoordeling. In de betreffende verklaring staat niet dat eiseres niet beschikbaar is voor werk.

Verweerder is ten slotte steeds soepel omgegaan met de beoordeling van de sollicitatie-activiteiten van eiseres in afwachting van de uitkomst van het door eiseres ingestelde beroep in de WAO-zaak. De beoordeling van de beschikbaarheid voor werk houdt daarmee nauw verband. De beschikbaarheid voor werk kan nu niet ineens anders beoordeeld worden. Er is geen sprake van gewijzigde omstandigheden. Zolang er geen definitieve uitspraak in de WAO-zaak is, moet een WW-uitkering worden verstrekt, aldus eiseres.

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit terecht en op goede gronden is genomen.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, onder b, van de WW eindigt het recht op uitkering voor zover de werknemer niet langer werkloos is. Dit laatste is het geval indien de werknemer niet langer voldoet aan de voorwaarden van artikel 16, eerste lid, van de WW. In artikel 16, eerste lid, onder b, van de WW is bepaald dat werkloos is de werknemer die beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, zoals die onder meer blijkt uit een uitspraak van 21 april 2004 (AB 2004, 288), geeft het begrip "beschikbaar zijn om arbeid te aanvaarden" in de zin van artikel 16, eerste lid, onder b, van de WW een feitelijke toestand weer waarin de werknemer verkeert. Dit impliceert dat de vraag of een werknemer al dan niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden zal moeten worden beantwoord aan de hand van de feiten en omstandigheden van het concrete geval, waaronder ook houding en gedrag van de betrokkene. Indien er geen feiten en omstandigheden vallen aan te wijzen waaruit zonder meer de conclusie kan worden getrokken dat een werknemer niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden en het uitvoeringsorgaan desondanks op grond van houding en gedrag van de betrokken werknemer tot een niet beschikbaar zijn om arbeid te aanvaarden meent te moeten concluderen, zal in zo'n geval ondubbelzinnig moeten vaststaan dat de betrokken werknemer door houding en gedrag duidelijk heeft doen blijken dat hij of zij zich niet voor arbeid op de arbeidsmarkt beschikbaar stelt.

De rechtbank is van oordeel dat eiseres middels haar telefonische verklaring van 20 juli 2004 en de daaropvolgende schriftelijke verklaring van 31 juli 2004, duidelijk heeft doen blijken dat zij zich, in verband met haar gezondheidstoestand, niet werkelijk beschikbaar stelt voor de arbeidsmarkt.

De grief van eiseres dat de door haar gedane mededelingen niet zorgvuldig zijn bezien in het licht van de verschillende belangen die voor haar in het geding zijn, treft geen doel. Verweerder heeft zich blijkens het bestreden besluit voldoende rekenschap gegeven van de moeilijke positie waarin eiseres verkeert. Hij heeft aangegeven dat de niet-beschikbaarheid - juist gelet op de belangen van eiseres - dan ook niet is gebaseerd op eerdere uitlatingen van eiseres in het kader van het bezwaar tegen de intrekking van de WAO-uitkering, doch eerst is aangenomen naar aanleiding van de rapportage van Salto en de daaropvolgende eigen verklaring van eiseres op het formulier van 31 juli 2004. Dat de opmerkingen op het formulier door eiseres zouden zijn gemaakt in het kader van de WAO-zaak acht de rechtbank niet aannemelijk. Op het formulier wordt eiseres immers uitdrukkelijk gewezen op de mogelijke consequenties voor haar WW-uitkering.

Het enkele feit dat verweerder eerder kennelijk soepel is omgegaan met de beoordeling van de sollicitatieplicht van eiseres in afwachting van de resultaten van het door eiseres ingestelde bezwaar c.q. beroep in de WAO-zaak, brengt niet mee dat eiseres hieraan het vertrouwen mocht ontlenen dat zij bij ongewijzigde omstandigheden een WW-uitkering zou blijven ontvangen. Niet gebleken is dat verweerder op dit punt concrete toezeggingen heeft gedaan of anderszins gerechtvaardigde verwachtingen heeft gewekt.

Gelet op het vorengaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht en op goede gronden de (bij wijze van voorschot toegekende) WW-uitkering van eiseres per 12 juli 2004 heeft beëindigd.

Het beroep van eiseres moet ongegrond worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2005

in tegenwoordigheid van mr. M.B.W. Venema als griffier.

w.g. M.B.W. Venema

w.g. E. de Witt

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: 21 oktober 2005