Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2005:AU5072

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
13-10-2005
Datum publicatie
27-10-2005
Zaaknummer
05/1605
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Opschorting en intrekking bijstandsuitkering na weigering medewerking medisch onderzoek. Wel bevoegd tot intrekking op grond van art. 54 lid 4 Wwb. Intrekking gaat echter verder dan de afstemmingsverordening voorschrijft. Besluit geschorst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 05/1605 WWB

Inzake het geding tussen

[A], wonende te [B], verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen, verweerder,

gemachtigde: K.J. Booij, werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 4 augustus 2005 heeft verweerder verzoeker mededeling gedaan van een besluit met betrekking tot de toepassing van de Wet werk en bijstand (WWB).

Verzoeker heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Tevens heeft verzoeker zich bij brief van 9 september 2005 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om op grond van art. 8:81 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 11 oktober 2005. Verzoeker is in persoon verschenen.

Verweerder heeft zich niet ter zitting laten vertegenwoordigen.

Motivering

Op grond van art. 8:81 lid 1 Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoeker te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoeker een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.

Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter.

Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden.

De voorzieningenrechter baseert zich bij zijn oordeelsvorming op onderstaande feiten en omstandigheden.

Verzoeker ontvangt een uitkering op grond van de WWB. In het kader van een herbeoordeling is verzoeker door verweerder opgeroepen om mee te werken aan een medisch belastbaarheidsonderzoek, uit te voeren door Ausems & Kerkvliet. Verzoeker heeft afspraken voor dit onderzoek op respectievelijk 21 juni 2005, 1 juli 2005 en 12 juli 2005 afgezegd en daarnaast een aanbod voor een huisbezoek afgeslagen.

Bij besluit van 4 juli 2005 heeft verweerder hierop verzoekers WWB-uitkering met toepassing van art. 54 lid 1 WWB per 1 juli 2005 opgeschort en aan verzoeker een hersteltermijn gegeven, waarbinnen hij alsnog het medisch onderzoek moet ondergaan.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder verzoekers uitkering per 1 juli 2005 beëindigd wegens het niet nakomen van de verplichtingen verbonden aan zijn bijstandsuitkering.

Verzoeker heeft gevraagd om schorsing van deze beslissing, omdat hij als gevolg van de stopzetting van zijn uitkering in financiële problemen komt.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Art. 54 lid 1 WWB geeft verweerder de bevoegdheid om een uitkering op te schorten indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent.

Art. 54 lid 2 WWB bepaalt dat vervolgens aan de belanghebbende de uitnodiging wordt gegeven om binnen een door verweerder te stellen termijn het verzuim te herstellen.

Art. 54 lid 4 WWB bepaalt dat verweerder, als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

In art. 9 lid 1 aanhef en onder b WWB is onder meer bepaald dat de belanghebbende verplicht is mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling.

De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeker de op grond van art. 9 lid 1 aanhef en onder b WWB verplicht gestelde medewerking aan een medisch belastbaarheidsonderzoek niet heeft verleend. De voorzieningenrechter acht dit verwijtbaar, nu niet gebleken is van redenen op grond waarvan verzoeker niet tot meewerken in staat zou zijn. Niet gebleken is dat verzoekers rugklachten zo ernstig zijn, dat hij niet zou kunnen reizen. Daarbij heeft verzoeker zonder gegronde reden het aanbod van verweerder om het onderzoek bij verzoeker thuis te laten plaatsvinden, afgewezen. Verzoeker heeft voorts geen gebruik gemaakt van de gelegenheid het verzuim te herstellen, door alsnog het onderzoek te ondergaan. Op grond van het voorgaande concludeert de voorzieningenrechter dat aan de voorwaarden voor toepassing van art. 54 lid 4 WWB is voldaan, zodat verweerder bevoegd was de WWB-uitkering van verzoeker in te trekken.

De voorzieningenrechter dient voorts te beoordelen of verweerder in redelijk van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Vooralsnog acht de voorzieningenrechter intrekking van verzoekers uitkering niet redelijk, gelet op het volgende.

In de Afstemmingsverordening (hierna: de verordening) van verweerders gemeente is in art. 8 een indeling gemaakt in categorieën van gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid. Het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, dan wel een onderzoek naar de geschiktheid voor scholing of opleiding, is aangemerkt als een gedraging van de tweede categorie. In art. 9 onder b van de verordening is bepaald dat bij gedragingen van de tweede categorie de maatregel wordt vastgesteld op 25% van de bijstandsnorm gedurende één maand.

Niet valt in te zien waarom verweerder in de onderhavige situatie niet heeft volstaan met een maatregel conform de verordening, die voor deze situatie een specifieke regeling geeft. Van omstandigheden op grond waarvan een maatregel op grond van de verordening in dit geval niet getroffen zou kunnen worden, is niet gebleken. Verweerder heeft in de bestreden beslissing ook niet gemotiveerd waarom in dit geval is besloten tot een intrekking van de uitkering in plaats van het opleggen van een maatregel.

De voorzieningenrechter komt op grond van het vorenstaande tot het voorlopig oordeel dat het bestreden besluit in de hoofdzaak niet in stand zal kunnen blijven. Het besluit wordt daarom geschorst tot twee weken nadat de beslissing op bezwaar op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt, met dien verstande dat wanneer binnen die termijn opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend, de schorsing doorloopt totdat de voorzieningenrechter op dat verzoek heeft beslist.

De voorzieningenrechter treft voorts de voorlopige voorziening dat verweerder wordt opgedragen de betaling van de WWB-uitkering aan verzoeker met ingang van 1 oktober 2005 te hervatten. Verder bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder er voor dient te zorgen dat verzoeker binnen twee weken na dagtekening van deze uitspraak kan beschikken over zijn uitkering over de maand oktober 2005.

Gelet op het vorenstaande en op het bepaalde in art. 8:82 lid 4 Awb dient de gemeente Heerenveen het door verzoeker gestorte griffierecht van € 37,= te vergoeden.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- schorst het bestreden besluit van 4 augustus 2005 tot twee weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar, met dien verstande dat wanneer binnen die termijn opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend, de schorsing doorloopt totdat de voorzieningenrechter op dat verzoek heeft beslist;

- bepaalt dat verweerder de betaling van verzoekers WWB-uitkering per 1 oktober 2005 hervat en dat verweerder binnen twee weken na dagtekening van deze uitspraak zorgdraagt voor de betaling van verzoekers uitkering over oktober 2005;

- bepaalt dat de gemeente Heerenveen het betaalde griffierecht van € 37,= aan verzoeker vergoedt.

Aldus gegeven door mr. D.J. Keur, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2005, in tegenwoordigheid van mr. P.R.M. Poiesz als griffier.

w.g. P.R.M. Poiesz

w.g. D.J. Keur

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Schriftelijke uitspraak verzonden op: 18 oktober 2005