Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2005:AU5019

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
13-10-2005
Datum publicatie
26-10-2005
Zaaknummer
04/1442
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schending sollicitatieplicht. Maatregel. Bouwvakantie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 04/1442 WW

Inzake het geding tussen

[A], wonende te [B], eiser,

gemachtigde: mr. H.B.T. Koekkoek, werkzaam bij Hout- en Bouwbond CNV, te Drachten,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder,

gemachtigde: P.J. Langius, medewerker bezwaar en beroep bij het Uwv te Leeuwarden.

Procesverloop

Bij brief van 12 november 2004 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Werkloosheidswet (WW).

Tegen dit besluit is namens eiser beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 26 september 2005. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met kennisgeving, niet verschenen. Verweerder is verschenen bij bovengenoemde gemachtigde.

Motivering

Met ingang van november 2001 is eiser werkloos geworden en heeft hij een uitkering krachtens de WW aangevraagd en toegekend gekregen.

Eiser is gedurende de periode van 3 mei 2004 tot en met 23 juli 2004, op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, als stukadoor werkzaam geweest bij [X]., gevestigd te Damwoude. Op 23 juli 2004 heeft eiser wederom een WW-uitkering aangevraagd.

Bij besluit van 23 augustus 2004 heeft verweerder met ingang van 26 juli 2004 aan eiser een WW-uitkering toegekend. Bij brief van dezelfde datum heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat eiser ook gedurende zijn vakantie van 27 juli 2004 tot en met 9 augustus 2004 recht heeft op een WW-uitkering. Bij afzonderlijk besluit van 23 augustus 2004 heeft verweerder tevens besloten dat met ingang van 23 augustus 2004 gedurende 16 weken een maatregel van 20% op de WW-uitkering van eiser zal worden toegepast, aangezien eiser in de periode van 26 juli 2004 tot en met 22 augustus 2004 onvoldoende sollicitaties heeft verricht. Tegen dit laatste besluit is namens eiser bezwaar aangetekend.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft hiertoe het volgende overwogen. Het gaat in deze zaak om de inkomstenverklaring over de periode van 26 juli 2004 tot en met 22 augustus 2004 (week 31 tot en met 34). Eiser is van 27 juli tot en met 9 augustus 2004 met behoud van zijn WW-uitkering op vakantie geweest. In week 31, 33 en 34 diende eiser te solliciteren. Gebleken is dat eiser in deze weken twee in plaats van de vereiste drie sollicitatieactiviteiten heeft verricht, terwijl hij voldoende op de hoogte was van zijn sollicitatieplicht. In week 31 en wel op maandag 26 juli 2004, de dag voordat eiser op vakantie ging, had eiser ook een sollicitatieactiviteit moeten verrichten. Nu uit telefonisch verkregen informatie is gebleken dat eiser er niet bij stil gestaan heeft om op 26 juli 2004 een sollicitatieactiviteit te verrichten, is volgens verweerder het opleggen van een maatregel op zijn plaats. Verweerder stelt dat er geen aanleiding is een verminderde verwijtbaarheid aan te nemen. Voorts is verweerder niet gebleken van een dringende reden om af te zien van het opleggen van een maatregel.

In beroep is namens eiser het volgende aangevoerd. Na het eindigen van de arbeidsovereenkomst tussen eiser en [X] op 23 juli 2004 begon de vakantie in de bouw. In de bouwvak zijn veel bedrijven gesloten en zijn er nauwelijks vacatures. Met dit gegeven dient volgens het Besluit sollicitatieplicht werknemers WW (hierna: het Besluit sollicitatieplicht) rekening te worden gehouden. Eiser heeft niet te weinig gesolliciteerd. Indien desondanks zou moeten worden aangenomen dat eiser wel te weinig gesolliciteerd heeft, dan is er geen causaal verband tussen het in onvoldoende mate trachten arbeid te vinden en het werkloos zijn of blijven. Nu verweerder geen enkele vacature heeft overgelegd waaruit blijkt dat eiser op een voor hem passende functie had kunnen solliciteren, kan geconcludeerd worden dat er geen passende functies zijn geweest waarop eiser had kunnen solliciteren. Gemachtigde van eiser heeft gesteld dat de opgelegde maatregel niet terecht is aangezien eiser al het mogelijke doet om werk te vinden en ruimschoots voldoet aan de door het Uwv gestelde verplichtingen.

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit terecht en op goede gronden genomen is. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

In art. 24, eerste lid, sub b ten 1e WW is bepaald dat de werknemer voorkomt dat hij werkloos is of blijft doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen.

Ingevolge art. 27, derde lid WW weigert het Uwv de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk, indien een werknemer de verplichting van art. 24, eerste lid, sub b ten 1e WW niet of niet behoorlijk is nagekomen.

In art. 27, vierde lid WW is bepaald dat een maatregel als bedoeld in het derde lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de werknemer de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

In art. 27, zesde lid WW is bepaald dat indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn het Uwv kan besluiten van het opleggen van een maatregel af te zien.

In art. 27, achtste lid WW is bepaald dat het Uwv nadere regels stelt met betrekking tot het derde en vierde lid.

Aan laatstgenoemd artikel is toepassing gegeven door middel van het Maatregelenbesluit Tica (thans Maatregelenbesluit Uwv). In de Bijlage bij dit besluit is als verplichting van de vierde categorie opgenomen dat de verzekerde voorkomt dat hij werkloos is of blijft, doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen.

In art. 6, eerste lid van het Maatregelenbesluit is bepaald dat de hoogte en de duur van de maatregel bij het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting van de vierde categorie 20% gedurende 16 weken bedraagt.

Beoordeeld dient te worden of eiser gedurende de periode van 26 juli 2004 tot en met 22 augustus 2004 aan zijn sollicitatieplicht heeft voldaan. In dat kader is hetgeen bepaald is in het Besluit sollicitatieplicht van belang.

Blijkens het Besluit sollicitatieplicht kan van de werknemer die in aanmerking komt voor een WW-uitkering in het algemeen worden verwacht dat hij minimaal één concrete sollicitatieactiviteit per week verricht. Onder een concrete sollicitatieactiviteit wordt onder andere verstaan het versturen van een open of gerichte sollicitatiebrief, de inschrijving bij een uitzendbureau, een (spontaan) sollicitatiebezoek aan een werkgever en het voeren van een sollicitatiegesprek.

De rechtbank stelt voorop dat de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in meerdere uitspraken heeft geoordeeld dat het niet in strijd is met een juiste uitleg van art. 24 lid 1 sub b onder 1 WW dat verweerder van een werkloze werknemer verlangt dat hij in beginsel minimaal één concrete sollicitatie per week verricht. In navolging hiervan acht de rechtbank het gehanteerde uitgangspunt van verweerder derhalve niet onredelijk.

Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB dient een zeker causaal verband aanwezig te zijn tussen het sollicitatiegedrag van de betrokken werknemer en het bestaan of voortduren van de werkloosheid, in die zin dat er bij adequate pogingen om de voorhanden zijnde passende arbeid te verkrijgen, een meer dan louter hypothetische kans had bestaan zulks te verwezenlijken. In zijn uitspraken heeft de CRvB voorts overwogen (onder meer RSV 2001/181) dat bij het niet nakomen van de verplichting één concrete sollicitatie per week te verrichten in principe uitgegaan mag worden van het bestaan van het voornoemde causale verband. Op grond van de inkomstenverklaring met betrekking tot de in geding zijnde periode heeft de rechtbank geconstateerd dat eiser, nu hij in week 31 geen sollicitatie én over de van toepassing zijnde totale periode van vier weken niet meer dan twee sollicitaties heeft verricht, niet heeft voldaan aan de norm van ten minste één concrete sollicitatieactiviteit per week. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het vereiste causale verband in casu aanwezig is.

De rechtbank overweegt voorts dat eiser, door de omstandigheid dat tijdens de bouwvakantie veel bedrijven gesloten zijn en er nauwelijks vacatures zijn, niet ontslagen wordt van zijn sollicitatieplicht. Van eiser mocht in dat geval worden verwacht dat hij open sollicitaties zou verrichten. Bovendien merkt de rechtbank op dat eiser in week 33 wel een sollicitatieactiviteit heeft kunnen verrichten ondanks het feit dat het toen ook nog bouwvakantie was. Voorts is de rechtbank van oordeel dat in de wet- en regelgeving geen grondslag te vinden is voor het door gemachtigde van eiser ingenomen standpunt dat verweerder vacatures dient over te leggen waaruit het bestaan van passende functies voor eiser zou blijken.

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende heeft getracht passende arbeid te verkrijgen en daarmee art. 24 lid 1 onder b sub 1 WW heeft geschonden.

Verweerder was derhalve op grond van art. 27 lid 3 WW gehouden om een maatregel op te leggen. Uit art. 6 lid 1 van het Maatregelenbesluit volgt dat in een dergelijk geval in beginsel een korting moet worden opgelegd van 20% gedurende 16 weken, tenzij het tweede lid van genoemd artikel van toepassing moet worden geacht. Daarin is bepaald dat de hoogte van de maatregel 10% bedraagt indien de mate van verwijtbaarheid van de gedraging of nalatigheid van de verzekerde daartoe aanleiding geeft. Naar het oordeel van de rechtbank is in het geval van eiser van dergelijke omstandigheden niet gebleken. Voorts is de rechtbank niet gebleken van het bestaan van dringende redenen als bedoeld in art. 27 lid 6 WW.

De rechtbank concludeert dat het beroep van eiser ongegrond moet worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. A.J. Rietveld, rechter, en door haar in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2005, in tegenwoordigheid van mr. P.T.M. van der Lelie als griffier.

w.g. P.T.M. van der Lelie

w.g. A.J. Rietveld

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: 14 oktober 2005