Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2005:AU5018

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
28-09-2005
Datum publicatie
26-10-2005
Zaaknummer
05/1534
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vestiging supermarkt aan de Abe Lenstra Boulevard te Heerenveen. Bestemmingsplan 'Sportstad Heerenveen' in ontwikkeling. Provinciaal planologisch beleid ten aanzien van grootschalige detailhandelsvestigingen. Tijdelijke vrijstelling op grond van art. 17 WRO. Tijdelijkheid staat voldoende vast. Bouwvergunning met instandhoudingstermijn. Besluit luchtkwaliteit 2005. Verkeersaantrekkende werking. Milieu-effectrapport. Niet aannemelijk dat de grenswaarden van het Besluit luchtkwaliteit 2005 zullen worden overschreden. Schorsingsverzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 05/1534

Inzake het geding tussen

Lidl Nederland GmbH, gevestigd te Huizen, verzoekster,

gemachtigde: mr. R.J.H. Minkhorst, advocaat te Nijmegen,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerenveen, verweerder,

gemachtigde: G. Haanstra, medewerker bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2005 heeft verweerder aan de besloten vennootschap Aldi Vastgoed B.V. te Drachten (hierna: Aldi) met een tijdelijke vrijstelling als bedoeld in art. 17 Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) een bouwvergunning verleend voor de vestiging van een supermarkt aan de Abe Lenstra Boulevard te Heerenveen.

Verzoekster heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Tevens heeft verzoekster zich bij brief van 5 september 2005 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om op grond van art. 8:81 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat de vrijstelling en bouwvergunning worden geschorst.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 16 september 2005. Voor verzoekster is bovengenoemde gemachtigde verschenen, bijgestaan door de heer Vogelaar, vastgoedadviseur en de heer Ten Kleij, vastgoedmanager. Namens verweerder is bovengenoemde gemachtigde verschenen. Namens de op grond van art. 8:26 lid 1 Awb aan het geding deelnemende vergunninghouder, Aldi, is de heer Douma, directeur van Aldi, verschenen, bijgestaan door mr. M.C. Muus de Goede. Ter zitting is het onderzoek geschorst ten einde partijen in de gelegenheid te stellen te reageren op het door verweerder ter zitting overgelegde rapport inzake de luchtkwaliteit. Daarbij hebben partijen toestemming gegeven een nadere zitting achterwege te laten. Verzoekster heeft schriftelijk op het rapport gereageerd, waarna verweerder en Aldi op verzoeksters reactie hebben gereageerd.

Motivering

Op grond van art. 8:81 lid 1 Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoekster te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening, nu Aldi inmiddels is begonnen met de bouw van de tijdelijke supermarkt. Daaraan kan niet afdoen dat de bouw inmiddels in een vergevorderd stadium is.

Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter.

Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden.

De voorzieningenrechter baseert zich bij zijn oordeelsvorming op onderstaande feiten en omstandigheden.

Op 24 januari 2005 heeft Aldi een bouwvergunning aangevraagd voor de bouw van een tijdelijke supermarkt op het perceel plaatselijk bekend Abe Lenstra Boulevard 301 te Heerenveen. Ingevolge het bestemmingsplan "Rijksweg 32, gedeelte Heerenveen", heeft dit perceel de bestemming "Uit te werken Verkeersdoeleinden". Niet in geding is dat het bouwplan in strijd met het bestemmingsplan is. Verweerder heeft het voornemen om een vrijstelling als bedoeld in art. 17 WRO met bouwvergunning te verlenen gepubliceerd in de Heerenveense Courant van 9 maart 2005. Verzoekster heeft naar aanleiding van dit voornemen haar zienswijze ingediend. Bij besluit van 28 juli 2005 heeft verweerder besloten Aldi een tijdelijke vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor een termijn van vijf jaar voor de bouw van een supermarkt en de aanleg van de bijbehorende verhardingen.

Namens Aldi is gesteld dat het verzoek om schorsing dient te worden afgewezen, omdat verzoekster niet als belanghebbende in de zin van art. 1:2 van de Awb bij het bestreden besluit is aan te merken en het bezwaarschrift om die reden naar verwachting niet-ontvankelijk zal worden verklaard. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vraag of verzoekster is aan te merken als belanghebbende bevestigend dient te worden beantwoord en merkt daartoe op dat het bouwplan voorziet in de bouw van een supermarkt in Heerenveen, waar ook verzoekster een supermarkt exploiteert. Er is sprake van dezelfde bedrijfsactiviteiten, waarbij de voorzieningenrechter in aanmerking neemt dat Aldi en Lidl tot de discountsupermarkten behoren, hetgeen in het kader van dit geding voldoende aannemelijk maakt dat beide supermarkten zich voor een belangrijk deel op dezelfde groep consumenten richten, ook al is de afstand tussen beide winkels ongeveer 1700 meter.

Verzoekster is van mening dat het niet aannemelijk is dat de vestiging van de supermarkt een tijdelijke aangelegenheid is. Zij betwist dat binnen de termijn van vijf jaar Aldi op de door verweerder beoogde locatie zal zijn gerealiseerd. Op dit moment is pas sprake van een voorontwerpbestemmingsplan en het is nog maar de vraag of de daarin opgenomen mogelijkheid voor detailhandel de eindstreep zal halen. Het gesloten huurcontract biedt naar de mening van verzoekster geen zekerheid dat het terrein na vijf jaar ontruimd zal zijn en is daarom ook geen objectief gegeven op grond waarvan de tijdelijkheid kan worden afgeleid.

Naar aanleiding van deze gronden overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

In art. 44 lid 1 Woningwet is bepaald dat de reguliere bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd wegens strijd met het bestemmingsplan, de bouwverordening of het Bouwbesluit 2003, of indien het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, dan wel indien voor het bouwen een vergunning op grond van de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze is geweigerd.

Art. 45 lid 1 Woningwet bepaalt dat in een bouwvergunning voor een bouwwerk ten aanzien waarvan art. 17 WRO is toegepast een termijn wordt gesteld, na het verstrijken waarvan het bouwwerk niet langer in stand mag worden gehouden.

Ingevolge art. 17 lid 1 WRO kunnen burgemeester en wethouders met het oog op een voor een bepaalde termijn voorgenomen afwijking van een bestemmingsplan voor die termijn vrijstelling verlenen van dat plan. De termijn kan, ook na mogelijke verlenging, ten hoogste vijf jaren belopen.

Ingevolge artikel 19 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: Bro 1985) wordt vrijstelling als bedoeld in artikel 17 van de WRO slechts verleend, indien aannemelijk is, dat het beoogde bouwwerk, werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheid dan wel gebruik niet langer dan vijf jaren in stand zal blijven respectievelijk zal voortduren.

In ontwikkeling is het bestemmingsplan "Sportstad Heerenveen". Verweerder heeft aangegeven dat dit bestemmingsplan mede zal voorzien in de vestiging van twee supermarkten te noorden van het Abe Lenstrastadion. Vooruitlopend op dit bestemmingsplan zijn in het plangebied reeds onderdelen gerealiseerd op basis van vrijstelling op grond van art. 19 lid 1 WRO. De gemeente is nog in overleg met Gedeputeerde Staten van Fryslân over de mogelijkheden van grootschalige detailhandelvestigingen in hetzelfde gebied als waar ook de supermarkten zijn beoogd. Hierdoor is de exacte invulling van het gebied nog niet bekend en is de verlening van vrijstelling op grond van art. 19 lid 1 WRO voor vestiging op de definitieve locatie vooralsnog geen optie.

De vestiging van supermarkten is niet omstreden. Dit blijkt ondermeer uit de reactie van de Commissie van Overleg ex art. 10 Bro 1985. Deze commissie acht de verplaatsing van twee supermarkten uit het centrum naar een goed bereikbare plek met ruime parkeermogelijkheden in het plangebied in principe aanvaardbaar. Onder deze omstandigheden acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat Aldi binnen vijf jaar een winkel kan realiseren op de definitief beoogde locatie, hetzij op basis van een van kracht zijnd bestemmingsplan, hetzij op basis van een vrijstelling op grond van art. 19 lid 1 WRO. Verweerder heeft ter zitting voorts de plankaart van het voorontwerp bestemmingsplan getoond. Op deze kaart is de tijdelijk locatie van Aldi ingetekend. Met verweerder is de voorzieningenrechter van oordeel dat een permanente vestiging van een supermarkt op deze locatie, gelet op de inrichting van het totale plangebied, een onlogische keuze is, zodat niet aannemelijk is dat de vestiging van Aldi op deze locatie blijvend zal zijn. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat tijdelijkheid kan worden aangenomen op basis van het overgelegde huurcontract. Dit eindigt van rechtswege en voorziet niet in verlenging. Ingevolge de bij deze overeenkomst behorende voorwaarden dient na beëindiging van de huur het perceel ontruimd te zijn.

Concluderend is de voorzieningenrechter van oordeel dat voldoende objectieve gegevens voorhanden zijn om aan te nemen dat de vestiging van Aldi op deze locatie tijdelijk is en dat de bouw van de supermarkt op de definitief beoogde locatie binnen vijf jaar zal kunnen zijn gerealiseerd.

Verzoekster heeft voorts gesteld dat het bestreden besluit in strijd is met het Besluit luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005). Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Art. 7 lid 1 Blk 2005 bepaalt dat bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit de in paragraaf 2 Blk 2005 genoemde grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxide, zwevende deeltjes, lood, koolmonoxide en benzeen in acht nemen. In het tweede lid van art. 7 wordt art. 17 WRO genoemd als een van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid.

Niet in geschil is het feit dat de verkeersaantrekkende werking van de vestiging van de Aldi-vestiging effect kan hebben op de luchtkwaliteit. Verweerder dient derhalve voorafgaand aan de uitoefening van de bevoegdheid als bedoeld in art. 17 WRO de luchtkwaliteit ter plaatse in kaart ter brengen om na te gaan of na uitoefening van deze bevoegdheid aan de grenswaarden wordt voldaan. Ter zitting heeft verweerder alsnog het rapport "Onderzoek luchtkwaliteit t.b.v. tijdelijke vestiging ALDI in het stadiongebied te Heerenveen" overgelegd.

In het rapport wordt gebruik gemaakt van het landelijk rekenmodel CAR II. Dit model is ontwikkeld voor het berekenen van de luchtkwaliteit in en langs wegen. Voor het bepalen van de verkeersgegevens is gebruik gemaakt van het Milieueffectrapport Sportstad Heerenveen, de gegevens uit het akoestisch onderzoek in het kader van het voorontwerpbestemmingsplan en het Verkeersmodel Heerenveen/Skarsterlân. Daarbij zijn de verkeersintensiteiten opgehoogd naar de waarden van 2005 en blijkt uit verkeerstellingen, gehouden in de week van 12 tot en met 20 september 2005, dat de feitelijke verkeersbewegingen lager zijn dan gehanteerd in het rekenmodel. Uit het dwarsprofiel luchtkwaliteit A-32 blijkt dat de effectafstand van de A-32 ter plaatse beperkt is. Het betreffende plangebied ligt buiten de effectafstand van de A-32. Voor het bepalen van de bestaande luchtkwaliteit zijn de gegevens van 2004 gehanteerd. Deze gegevens verschillen weinig van de meerjarige gegevens, zodat deze gegevens als representatief kunnen worden aangemerkt. Daarbij is bij het bepalen van de bestaande luchtkwaliteit uitgegaan van een worst-case-scenario en is geen rekening gehouden met de correctiefactor genoemd in de Bijlage bij de Meetregeling luchtkwaliteit (Stcrt 26 juli 2005, p 11). Uit het rapport blijkt dat de grenswaarden thans niet worden overschreden. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat deze conclusie onzorgvuldig tot stand is gekomen of dat daarbij is uitgegaan van onjuiste gegevens. De voorzieningenrechter is derhalve van oordeel dat genoegzaam is aangetoond dat de grenswaarden thans niet worden overschreden.

Voor het bepalen van de gevolgen van de tijdelijke vestiging van de Aldi-vestiging is op basis van verkeersmodellen en ervaringscijfers de verkeersaantrekkende werking berekend. Rekening houdend met de door Aldi aangevoerde gegevens, is het aantal verkeersbewegingen op 1.500 per dag gesteld, hetgeen gelijk staat aan 750 klanten met de auto. Nu de verkeersaantrekkende werking effect kan hebben op de luchtkwaliteit is berekend wat de effecten zijn voor de aan- en afvoerwegen van de supermarkt. Verweerder stelt daarbij terecht dat het bouwwerk zelf geen effect heeft op de luchtkwaliteit. Uit het rapport blijkt dat in geen van de bekeken situaties een overschrijding van de grenswaarden optreedt. Verzoekster heeft het aantal verkeersbewegingen betwist en stelt dat het eerder aannemelijk is dat per dag 1000 klanten met de auto zullen komen, hetgeen leidt tot 2.000 verkeersbewegingen per dag. Deze stelling wordt echter niet onderbouwd. Verweerder heeft daarentegen aangegeven dat ook indien wordt uitgegaan van 2.000 verkeersbewegingen per dag, geen sprake zal zijn van overschrijding van de grenswaarden.

Op basis van deze gegevens is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de grenswaarden genoemd in het Blk 2005 niet worden overschreden door de vestiging van de Aldi-supermarkt. Om die reden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding het bestreden besluit te schorsen wegens strijd met het Blk 2005.

Op grond van voorgaande overwegingen concludeert de voorzieningenrechter dat er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat het bestreden besluit in bezwaar geen stand zal kunnen houden. Het verzoek om een voorlopige voorziening zal daarom worden afgewezen.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek af.

Aldus gegeven door mr. D.J. Keur, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 28 september 2005, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Jansen als griffier.

w.g. M.A. Jansen

w.g. D.J. Keur

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Schriftelijke uitspraak verzonden op: 18 oktober 2005