Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2005:AU4851

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
20-10-2005
Datum publicatie
26-10-2005
Zaaknummer
05/534, 05/1270, 05/1271
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Inkrimping van openbare basisschool. Risicodragend deel van de formatie. Ontslag.

Wetsverwijzingen
Rechtspositiebesluit WPO/WEC
Rechtspositiebesluit WPO/WEC 117
Rechtspositiebesluit WPO/WEC 228
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:84 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 05/534, 05/1270 en 05/1271

Inzake het geding tussen

[A], wonende te [B], verzoekster,

gemachtigde: mr. G. Wind, werkzaam bij de Algemene Onderwijsbond,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ameland, verweerder,

gemachtigde: T.J.D. Hemminga, wethouder, en mr. H. van der Heide, werkzaam bij de Vereniging van Openbare en Algemeen Toegankelijke Scholen.

Procesverloop

Bij brief verzonden op 25 februari 2005 heeft verweerder verzoekster mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar van 22 februari 2005 betreffende de plaatsing van verzoekster in het risicodragend deel van de formatie.

Verzoekster heeft tegen dit besluit op 4 april 2005 beroep ingesteld bij de rechtbank. Het beroep is bekend onder registratienummer 05/534.

Bij brief van 28 april 2005 heeft verweerder verzoekster mededeling gedaan van het besluit van 25 april 2005 waarbij is besloten het dienstverband met verzoekster per 1 augustus 2005 te beëindigen. Verzoekster heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.

Tevens heeft verzoekster zich bij brief van 28 juli 2005 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om op grond van art. 8:81 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat het besluit tot plaatsing in het risicodragend deel van de formatie (verder: het rddf) wordt geschorst. Dit verzoek is geregistreerd onder nummer 05/1270. Voorts heeft verzoekster verzocht een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat het ontslagbesluit wordt geschorst. Dit verzoek is geregistreerd onder nummer 05/1271.

De verzoeken zijn ter zitting behandeld op 6 september 2005. Verzoekster is in persoon verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot en bovengenoemde gemachtigde. Namens verweerder zijn bovengenoemde gemachtigden verschenen.

Motivering

Op grond van art. 8:81 lid 1 Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoekster te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening.

Indien, zoals in het onderhavige geval, het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan terwijl beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter op grond van art. 8:86 lid 1 Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit het geval. De voorzieningenrechter zal daarom onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak geregistreerd onder nummer 05/534.

De voorzieningenrechter baseert zich bij zijn oordeelsvorming op onderstaande feiten en omstandigheden.

Verzoekster is sinds augustus 1985 als lerares werkzaam op de openbare basisschool '[C]. Ingevolge de meest recente akte van aanstelling van 29 november 2004 is zij in vaste algemene dienst aangesteld en is op het dienstverband het Rechtspositiebesluit WPO/WEC en de geldende CAO PO van toepassing. Voorts is in deze aanstelling opgenomen dat de vigerende afvloeiingsregeling van het bestuur van toepassing is.

Als gevolg van de sluiting van de tijdelijke opvang voor asielzoekers is het leerlingental van '[C] gedaald naar 5 leerlingen in oktober 2003. Omdat '[C] hiermee ver onder de vastgestelde opheffingsnorm voor de gemeente Ameland van 24 leerlingen viel, heeft de raad van verweerders gemeente besloten de school per 1 augustus 2004 te sluiten, hetgeen een formatievermindering van 380 functierekeneenheden (fre's) tot gevolg heeft. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OC&W) heeft een subsidie ter beschikking gesteld om voor het schooljaar 2004-2005 te voorzien in de kosten waarmee de gemeente als gevolg van de vroegtijdige opheffing van de school wordt geconfronteerd. Daarbij is als voorwaarde opgenomen dat het personeel van ’[C] dat op 31 juli 2004 nog in vaste dienst was, te werk wordt gesteld op de overige openbare basisscholen op Ameland of, indien daarvoor onvoldoende formatieruimte bestaat, geplaatst wordt in het rddf.

Bij brief van 9 juni 2004 heeft verweerder om die reden aan verzoekster meegedeeld dat zij met ingang van 1 augustus 2004 voor de duur van één schooljaar in het rddf is geplaatst. Bij besluit op bezwaar heeft verweerder onder aanvulling van de motivering het besluit van 9 juni 2004 gehandhaafd. Bij besluit van 25 april 2005 heeft verweerder verzoekster met ingang van 1 augustus 2005 ontslagen wegens de opheffing van de instelling of de betrekking of zodanige verandering in de inrichting van het onderwijs of de diens van de instelling dat de werkzaamheden overbodig zijn geworden.

Op de rechtspositie van werknemers in het basisonderwijs is het Rechtspositiebesluit WPO/WEC van toepassing. Ingevolge artikel 110 lid 1 van dit besluit stelt het bevoegd gezag jaarlijks voor 1 mei de formatie van de instelling voor het daaropvolgende schooljaar vast. In lid 2 is bepaald dat de formatie, bedoeld in lid 1, wordt onderscheiden in de volgende categorieën: a. de door het bevoegd gezag structureel gewenste functies naar aard, niveau en omvang; b. functies die naar het oordeel van het bevoegd gezag nog slechts één schooljaar kunnen worden gehandhaafd; c. functies in verband met een project waarvoor door het bevoegd gezag dan wel door de Minister van OC&W gedurende 3 of minder schooljaren uit additionele middelen formatie beschikbaar is gesteld en die door het bevoegd gezag niet in de onder a bedoelde formatie zijn opgenomen.

Art. 228 lid 1 Rechtspositiebesluit WPO/WEC bepaalt dat het bevoegd gezag het dienstverband beëindigd op grond van opheffing van de instelling of de betrekking of zodanige verandering in de inrichting van het onderwijs of de dienst van de instelling dat de werkzaamheden overbodig zijn geworden. Ingevolge art. 117 Rechtspositiebesluit WPO/WEC kan ontslag in verband met de opheffing van de betrekking niet eerder worden verleend dan nadat de functie, bedoeld in art. 110 lid 2 onder a, gedurende een geheel schooljaar is geplaatst in de formatie, bedoeld in art. 110 lid 2 onder b.

In de CAO van het Primair Onderwijs 2002-2004 (CAO-PO) is voorzien in de mogelijkheid een werknemer te plaatsen in het rddf. Uitgangspunt daarbij is dat een werkgever met meerdere scholen van dezelfde onderwijssoort, zoals hier het geval is, per categorie personeel een integrale afvloeiingsregeling op bestuursniveau hanteert bij plaatsing in het rddf en ontslag om formatieve redenen van werknemers met een dienstverband voor onbepaalde tijd (artikel D4 lid 2). Op basis van artikel D4 lid 4 kan van dit uitgangspunt worden afgeweken, indien zich op één school of enkele scholen een formatief probleem met een minimale omvang van 120 fre’s voordoet en integrale afvloeiing op bestuursniveau zou leiden tot kennelijke onbillijkheid. In dat geval heeft plaatsing in het rddf plaats uit het personeelsbestand van die school of scholen.

Duidelijk is dat zich op het ’[C] een formatief probleem voordoet dat ruimschoots de voor toepassing van het vierde lid vereiste 120 fre’s overschrijdt. Dat betekent dat vervolgens de vraag beantwoord moet worden of afvloeiing op bestuursniveau in dit geval leidt tot een kennelijk onbillijkheid. Daarbij dient vooropgesteld te worden dat, nu het gaat om een uitzondering op de hoofdregel en gelet op de term “kennelijk”, hoge eisen moeten worden gesteld aan de motivering van de beslissing om van de normale regeling af te wijken.

Verweerder is van mening dat in het onderhavige geval afvloeiing op bestuursniveau zal leiden tot een kennelijke onbillijkheid, omdat dit tot gevolg zou hebben dat niet verzoekster, maar leerkrachten van de andere school 't Ienster dienen af te vloeien. Verweerder vreest dat een wijzigingen van het lerarenteam van 't Ienster zal leiden tot onrust bij de leerlingen en hun ouders, hetgeen mogelijk zal resulteren in een daling van het leerlingental. Omdat het leerlingental van deze school al dicht bij de opheffingsnorm zit, acht verweerder dit een onwenselijke situatie. Verweerder heeft dit vermoeden echter op geen enkele wijze aannemelijk kunnen maken. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verklaard ook geen onderzoek naar deze vermoedens te willen instellen, omdat gevreesd wordt dat een onderzoek alleen al zal leiden tot onrust. Zoals de rechtbank in haar uitspraak van 16 juni 2005 (04/1436) reeds heeft overwogen, is het enkele vermoeden van verweerder dat afvloeiing op bestuursniveau zal leiden tot onrust bij leerlingen en ouders van 't Ienster, wat eventueel de opheffing van deze school tot gevolg zou kunnen hebben, onvoldoende om te kunnen concluderen dat sprake is van een kennelijke onbillijkheid als bedoeld in D4 lid 4 CAO-PO.

De voorzieningenrechter is derhalve van oordeel dat het beroep gericht tegen het besluit van 22 februari 2005 gegrond dient te worden verklaard en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De voorzieningenrechter zal voorts bij wege van voorlopige voorziening het besluit van 9 juni 2004 schorsen. Dit heeft tot gevolg dat het verleende ontslag naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in bezwaar geen stand zal kunnen houden. Om die reden zal de voorzieningenrechter ook het besluit van 25 april 2005 schorsen.

Gelet op het vorenstaande en op het bepaalde in art. 8:82 lid 4 Awb dient de gemeente Ameland het door verzoekster gestorte griffierecht van totaal € 414,- te vergoeden.

Op grond van art. 8:75 juncto art. 8:84 lid 4 Awb veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van verzoekster € 1288,- ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (beroepschrift 1 punt, verzoekschriften 2 punten; verschijnen ter zitting 1 punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322,=). De voorzieningenrechter wijst de gemeente Ameland aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep geregistreerd onder nummer 05/534 gegrond en vernietigt het

besluit van 22 februari 2005;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening geregistreerd onder nummer 05/1270 toe en schorst het besluit van 9 juni 2004, waarbij verzoekster is geplaatst in het risicodragend deel van de formatie, tot twee weken na de bekendmaking van het te nemen besluit op bezwaar;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening geregistreerd onder nummer 05/1271 toe en schorst het besluit van 25 april 2005, waarbij verzoekster is ontslagen, tot twee weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar;

- wijst het overig gevorderde af;

- bepaalt dat de gemeente Ameland het betaalde griffierecht van totaal € 414,- aan verzoekster vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster ten bedrage van € 1288,- aan verzoekster te vergoeden door de gemeente Ameland.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2005, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Jansen als griffier.

w.g. M.A. Jansen

w.g. E. de Witt

Tegen de uitspraak in de verzoeken om een voorlopige voorzieningen met registratienummers 05/1270 en 05/1271 kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Tegen de uitspraak in de hoofdzaak met registratienummer 05/534 staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht.

In het beroepschrift vermeldt u dan waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Schriftelijke uitspraak verzonden op: 20 oktober 2005