Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2005:AU4683

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
11-10-2005
Datum publicatie
20-10-2005
Zaaknummer
164958 /CV EXPL 05-183
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 7:668a BW. Driejaarstermijn. Uitzendkracht treedt na uitzendperiode in dienst bij de inlener en krijgt daar een serie tijdelijke arbeidscontracten. Met de nieuwe werkgever is op grond van uitzendovereenkomst en de CAO van de werkgever een dienstverband voor onbepaalde tijd ontstaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Leeuwarden

Sector Kanton

Locatie Opsterland

VONNIS

164958 /CV EXPL 05-183

Uitspraak: 11 oktober 2005

in de zaak van

[eiseres],

hierna te noemen: [eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. J.J. Achterveld,

tegen

de besloten vennootschap Philips Domestic Appliances and Personal Care B.V.,

hierna te noemen: Philips,

gevestigd te Drachten,

gedaagde,

gemachtigde: mr. E.W. Kingma.

OVERWEGINGEN

Procesverloop

1.1. Op de bij dagvaarding (met producties) vermelde gronden heeft [eiseres] gevorderd om:

(i) voor recht te verklaren dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd geldt vanaf 22 mei 2003;

(ii) Philips te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van € 1.691,67 bruto per maand vanaf 1 augustus 2003, ter zake van loon, te vermeerderen met 17,9% ploegentoeslag en 8% vakantietoeslag;

(iii) Philips te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van 50% over de onder punt (ii) genoemde bedragen terzake van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW;

(iv) Philips te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van de wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen;

(v) Philips te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van € 486,10 inclusief BTW terzake van buitengerechtelijke incassokosten;

(vi) Philips te veroordelen in de kosten van het geding.

1.2. Philips heeft bij antwoord, onder overlegging van producties, de vordering betwist.

1.3. Na repliek en dupliek is vonnis bepaald op de stukken, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast geldt.

De feiten

2.1. Als gesteld en erkend, dan wel als niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud der overgelegde producties staat het volgende vast.

2.2. [eiseres] heeft op 12 november 1999 met uitzendbureau Adecco Personeelsdiensten B.V. (hierna te noemen: Adecco) een uitzendovereenkomst gesloten. Op basis van deze uitzendovereenkomst is [eiseres] op 15 november 1999 bij Philips werkzaamheden gaan verrichten in de functie van productiemedewerkster.

2.3. Meergenoemde uitzendovereenkomst bevat onder meer de navolgende bepalingen:

2.2 Gedurende de eerste 26 weken waarin de uitzendkracht werkzaamheden verricht geldt het beding van artikel 7:691 lid 2 BW, hetgeen betekent dat de uitzendovereenkomst van rechtswege tot een einde komt op het momentdat de terbeschikkingstelling op verzoek van de derde tot een einde komt. Indien nadien weer een uitzendaanbod wordt aanvaard, gelden wederom de bepalingen van deze overeenkomst alsmede eventueel nadere schriftelijke afspraken die partijen wensen te maken naar aanleiding van die uitzendarbeid.

2.3 Nadat in 26 weken arbeid is verricht, komt deze uitzendovereenkomst van rechtswege tot een eind door het

verstrijken van de periode van 26 weken waarin uitzendarbeid is verricht.

2.4 Indien, nadat in 26 weken uitzendarbeid is verricht, de uitzendarbeid wordt voortgezet, geldt deze voortzetting op basis van het fasensysteem van de CAO en eindigt de uitzendovereenkomst ook in deze tweede fase van 6 maanden van rechtswege doordat de terbeschikkingstelling van de uitzendkracht door Adecco bij de opdrachtgever op diens verzoek tot een einde komt. Evenwel komt deze voortgezette uitzendovereenkomst van rechtswege tot een einde (zo deze dan nog mocht bestaan) door het verstrijken van een periode van 6 maanden aanvangende nadat de uitzendkracht, na in 26 weken uitzendarbeid te hebben verricht als bedoeld in artikel 2.2, uitzendarbeid heeft verricht.

2.5 Partijen bij deze overeenkomst kunnen evenwel, nadat in 26 weken uitzendarbeid is verricht, de overeenkomstschriftelijk voortzetten zonder toepasselijkheid van het fasensysteem en derhalve met toepasselijkverklaring van artikel 7:668a BW.

2.4. Op de uitzendovereenkomst is de CAO voor uitzendkrachten (1999-2003) van toepassing.

2.5. De opdrachtovereenkomst tussen Philips en Adecco van 12 november 1999, op basis waarvan [eiseres] met ingang van 15 november 1999 bij Philips te werk is gesteld, was aangegaan voor onbepaalde tijd.

2.6. Bij brief van 5 juni 2000 heeft Adecco [eiseres] (voor zover thans van belang) het navolgende bericht:

In verband met de gewijzigde ingangsdatum van de onlangs door jou

getekende uitzendovereenkomst ontvang je hierbij een nieuwe bevestiging. De

vorige komt hiermee te vervallen (…)

Je wordt verwacht op: 22 mei 2000 (…)

Opmerkingen: Vermoedelijke einddatum Fase 2 is 21-11-2000!

2.7. Op deze brief bevindt zich een handgeschreven aantekening met de tekst "Overgang naar fase 2 per 21/5/2000".

2.8. Bij brief van 7 juli 2000 heeft Adecco [eiseres] meegedeeld:

Van harte gefeliciteerd met je nieuwe baan. Hieronder tref je alle

relevante gegevens aan, ter aanvulling op de door jou getekende

uitzendovereenkomst (…)

Je wordt verwacht op: 5 juli 2000 (…)

2.9. Op deze brief bevindt zich een geschreven aantekening met de tekst: "Ivm. salarisverhoging".

2.10. Op 22 november 2000 is [eiseres] op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd (namelijk tot 31 december 2000) bij Philips in dienst getreden. Deze arbeidsovereenkomst is een aantal malen verlengd, laatstelijk tot en met 31 juli 2003.

2.11. Op de arbeidsovereenkomst(en) tussen [eiseres] en Philips is de Philips-CAO van toepassing. Artikel 10 lid 5 van deze CAO bepaalt onder meer:

Het dienstverband eindigt zonder dat daartoe enige opzegging is vereist van

rechtswege:

a. (…)

b. bij het verstrijken van de tijd waarvoor een dienstbetrekking voor bepaalde

tijd al dan niet stilzwijgend is voortgezet, voor zover de voortzettingen in totaal

de termijn van 3 jaar niet te boven gaan (ongeacht de duur van de eerste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd). Het gestelde in art. 7:668a BW is niet van toepassing op de beëindiging van een aldus voortgezette dienstbetrekking. Onder dienstbetrekking wordt in het kader van dit artikel tevens verstaan uitzendarbeid.

2.12. De gemachtigde van [eiseres] heeft Philips bij brief van 28 juli 2003 verzocht om tewerkstelling van [eiseres], alsmede om doorbetaling van salaris c.a. aan [eiseres].

2.13. Bij exploit van dagvaarding van 21 februari 2004 heeft [eiseres] Philips in kort geding doen dagvaarden voor de kantonrechter te Opsterland en daarbij (onder meer) gevorderd betaling door Philips van het loon c.a. vanaf 1 mei 2003. Bij vonnis van 11 juni 2004 (de kort gedingprocedure is enige tijd aangehouden geweest in verband met de beslissing op een door Philips geëntameerd spoedappèl in een zaak van een andere werkneemster van Philips tegen Philips waarin een soortgelijke problematiek speelde) heeft de kantonrechter de vorderingen van [eiseres] afgewezen.

Het standpunt van [eiseres]

3.1. [eiseres] stelt dat zij op grond van artikel 7:668a BW junctis de artikelen 7:691 BW en 10 lid 5 van de Philips-CAO vanaf 22 mei 2003 recht heeft op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Op grond van deze CAO heeft een werknemer recht op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd indien er drie jaar zijn verstreken nadat de arbeidsovereenkomst voor het eerst werd verlengd. De overgang van fase 1 naar fase 2 dient volgens [eiseres] te worden beschouwd als eerste voortzetting van het dienstverband. [eiseres] heeft dan ook vanaf 22 mei 2003 aanspraak op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De aanvulling op de uitzendovereenkomst van 5 juli 2000 vormt volgens [eiseres] een voorzetting van het dienstverband tussen haar en Adecco. Deze aanvulling bevestigt dat het dienstverband met Adecco ook na voltooiing van fase 1 wordt gecontinueerd. De uitzendovereenkomst die op 12 november 1999 is aangegaan is op 22 mei 2000 van rechtswege geëindigd en nadien voortgezet. De aldus voortgezette arbeidsovereenkomst is met ingang van 22 november 2000 wederom van rechtswege geëindigd en nadien wederom voortgezet. Subsidiair stelt [eiseres] dat bij de overgang van fase 1 naar fase 2 van rechtswege sprake is van voortzetting van de bij fase 1 gesloten overeenkomst.

3.2. In antwoord op het door Philips gevoerde verweer heeft [eiseres], onder verwijzing naar het arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 17 maart 2004 (rolnummer 0300597), gesteld dat de faciliteiten die artikel 7:691 BW aan uitzendbureau's biedt slechts voor de uitzendwerkgever gelden en een opvolgend werkgever in de zin van artikel 7:668a lid 2 BW niet baten. Philips heeft als opvolgend werkgever in de zin van artikel 7:668a lid 2 BW de feitelijke arbeidsrelatie tussen [eiseres] en het uitzendbureau te accepteren. In de arbeidsovereenkomst tussen [eiseres] en Adecco is aangegeven dat op concreet uit die overeenkomst voortvloeiende data de overeenkomst van rechtswege eindigt en vervolgens met ingang van de eerstvolgende werkdag tussen partijen voortgezet kan worden. Deze feitelijke gegevens zijn volgens [eiseres] van doorslaggevend belang voor de tussen haar en Adecco bestaande arbeidsovereenkomst. De handgeschreven aantekeningen op de brieven van Adecco van 5 juni 2000 en 7 juli 2000 zijn volgens [eiseres] niet relevant. Van een wijziging van en/of aanvulling op de overeenkomst is geen sprake nu tussen partijen is overeengekomen dat op vooraf bepaalde data de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt. Voor de door Philips bepleite matiging van de vordering van [eiseres] is volgens haar geen grond aanwezig.

Het standpunt van Philips

4.1. Het primair door Philips voorgedragen verweer houdt in dat het in strijd is met de beginselen van het Nederlandse overeenkomstenrecht en de rechtszekerheid die het arbeidsrecht beoogt te bieden indien aangenomen moet worden dat een wijziging in de rechtsverhouding tussen twee partijen kan worden bewerkstelligd door wijzigingen in een verhouding tussen één van die partijen en een derde. Voor Philips is derhalve niet van belang of en zo ja hoeveel voortgezette arbeidsovereenkomsten er tussen [eiseres] en Adecco hebben bestaan. [eiseres] heeft Philips nimmer meegedeeld dat er tussen haar en Adecco meerdere arbeidsovereenkomsten hebben bestaan, hetgeen zij wel had behoren te doen.Voorts stelt Philips, onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis, dat er gedurende de periode van uitzendarbeid, voorafgaand aan de eerste arbeidsovereen-komst voor bepaalde tijd tussen Philips en [eiseres], geen sprake kan zijn van meerdere arbeidsovereenkomsten die alle als afzonderlijke schakels in de zin van artikel 7:668a lid 1 BW meetellen. Evenmin kan er sprake zijn van een verlenging in de zin van artikel 10 lid 5 van de Philips-CAO.

4.2. Subsidiair heeft Philips gesteld dat slechts wijzigingen in de opdrachtrelatie tussen haar en Adecco van belang (kunnen) zijn voor het antwoord op de vraag of er sprake is van meerdere arbeidsovereenkomsten in de zin van artikel 7:668a lid 1 BW. Eventuele feitelijke wijzigingen in de uitzendrelatie tussen [eiseres] en Adecco kunnen niet doorwerken in de relatie tussen [eiseres] en Philips als opvolgend werkgever. Tussen Philips en Adecco bestond één doorlopende opdrachtovereenkomst. [eiseres] heeft gedurende een aaneengesloten periode voor Philips werkzaamheden verricht als uitzendkracht. Gedurende die periode hebben zich geen wijzigingen voorgedaan, zodat van verlenging in de uitzendperiode geen sprake is geweest.

4.3. Meer subsidiair heeft Philips betwist dat er sprake is geweest van voortgezette arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd tussen [eiseres] en Adecco. De bevestiging van 5 juni 2000 kan niet als voortzetting van de uitzendovereenkomst worden beschouwd, doch slechts als aanvulling op de tussen [eiseres] en Adecco geldende uitzendovereenkomst. De tweede aanvulling van 7 juli 2000 heeft enkel betrekking op een salarisverhoging. Van enige voortzetting van de arbeidsovereenkomst tussen [eiseres] en Adecco blijkt hieruit echter niet. Philips betwist dat de overgang van fase 1 naar fase 2 als eerste voortzetting van het dienstverband moet worden beschouwd. De fasenstructuur van de (destijds geldende) CAO brengt slechts met zich mee dat gedurende de eerste twee fasen artikel 7:668a lid 1 BW niet geldt. Uit de op de bevestiging van 5 juni 2000 geschreven aantekeningen kan slechts worden opgemaakt dat de uitzendovereenkomst niet aan het einde van fase 1 geëindigd is.

4.4. Ten slotte heeft Philips, nog meer subsidiair, de juistheid van het gevorderde salaris betwist. Volgens Philips bedroeg het laatstelijk door [eiseres] verdiende salaris € 1.226,47 bruto, exclusief emolumenten, per maand. Voorts heeft Philips verzocht de loonvordering, alsmede de gevorderde wettelijke verhoging, te matigen. Ook betwist Philips buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd te zijn.

De beoordeling van het geschil

5.1. De kern van het onderhavige geschil is of er op 22 mei 2000 sprake is geweest van een voortzetting van het dienstverband tussen Adecco en [eiseres]. Immers, indien daarvan sprake is geweest heeft [eiseres] op grond van de Philips-CAO aanspraak op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd indien na de eerste voortzetting van de dienstbetrekking (waaronder tevens uitzendarbeid wordt verstaan) meer dan drie jaar zijn verstreken. De kantonrechter overweegt ten aanzien van de hiervoor gestelde vraag als volgt. Ingevolge artikel 2.3 van de uitzendovereenkomst eindigt de uitzendovereenkomst van rechtswege na ommekomst van een periode van 26 weken waarin uitzendarbeid is verricht. Artikel 2.4 van de uitzendovereenkomst bevat op die (hoofd)regel een uitzondering, inhoudende dat de uitzendovereenkomst, na verloop van 26 weken, kan worden voortgezet op basis van het in de ABU-CAO neergelegde fasensysteem. Voor zowel het uitzendbureau als de uitzendkracht bestaan aldus na ommekomst van de termijn van 26 weken twee opties. Ofwel de uitzendovereenkomst komt van rechtswege tot een einde, ofwel de uitzendovereenkomst wordt voortgezet. In dit geval hebben Adecco en [eiseres] (kennelijk) gekozen voor de tweede optie. De uitzendovereenkomst is immers voortgezet tot 21 november 2000. Het vorenstaande laat geen andere conclusie toe dan dat, gelet op hetgeen in artikel 10 van de Philips-CAO is bepaald, er van uit moet worden gegaan dat tussen [eiseres] en Philips met ingang van 22 mei 2003 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is gaan gelden. Op die datum was immers de in de Philips-CAO genoemde termijn van drie jaar, na de eerste voortzetting van de uitzendovereenkomst, verstreken. In het midden kan dan blijven de vraag of, zoals door Philips ten verwere is aangevoerd, de bevestigingen van 5 juni 2000 en die van 7 juli 2000 als voortzettingen van de uitzendovereenkomst kunnen worden gezien.

5.2. Het door Philips voorgedragen verweer kan niet slagen. Philips had, alvorens met [eiseres] arbeidsovereenkomsten aan te gaan, de arbeidshistorie van [eiseres] dienen te onderzoeken. Van een werknemer, die in beginsel over onvoldoende (juridische) kennis zal beschikken ten aanzien van de onderhavige problematiek, kan in redelijkheid niet worden gevergd dat hij zijn werkgever op eigen initiatief informeert omtrent de aard en de duur van (eventueel) eerder bestaand hebbende dienstverbanden. De stelling van Philips dat gedurende de periode van uitzendarbeid, voorafgaand aan de eerste arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tussen Philips en [eiseres], er geen sprake kan zijn meerdere arbeidsovereenkomsten die alle als afzonderlijke schakels in de zin van artikel 7:668a lid 1 BW meetellen, vindt naar het oordeel van de kantonrechter geen steun in het recht. Niet kan worden ingezien waarom de bepaling van artikel 7:668a lid 1 BW niet zou gelden in uitzendrelaties, zeker nu de uitzendovereenkomst beschouwd dient te worden als een arbeidsovereenkomst. Dat er tussen Philips en Adecco slechts één doorlopende opdrachtovereenkomst voor onbepaalde tijd was gesloten maakt één en ander niet anders. Het bestaan van deze opdrachtovereenkomst, waar [eiseres] geen partij bij was, betekent geenszins dat het voor Adecco en [eiseres] niet mogelijk zou zijn meerdere uitzendovereenkomsten met elkaar te sluiten. In de tussen [eiseres] en Adecco gesloten overeenkomsten wordt juist uitdrukkelijk de mogelijkheid geboden dat deze overeenkomsten na ommekomst van bepaalde termijnen eindigen en vervolgens, eventueel, kunnen worden voortgezet.

5.3. Het vorenstaande leidt de kantonrechter tot de slotsom dat vanaf 22 mei 2003 er een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tussen Philips en [eiseres] is gaan gelden. De bewoordingen van artikel 10 lid 5 van de Philips-CAO, in samenhang beschouwd met hetgeen in de uitzendovereenkomst is bepaald, met name in de artikelen 2.3 en 2.4, laten geen andere conclusie toe dan dat er op 22 mei 2000 sprake is geweest van een (eerste) voortzetting van het dienstverband. Weliswaar betrof het een dienstverband tussen Adecco en [eiseres], doch uit de slotzin van artikel 10 lid 5 Philips-CAO blijkt dat ook uitzendarbeid moet worden betrokken bij de vaststelling van de vraag of sprake is geweest van een dienstverband van meer dan drie jaar.

5.4. De kantonrechter zal bij de toewijzing van het salaris uitgaan van het door Philips gestelde salaris van € 1.226,47 bruto, exclusief emolumenten, per maand, nu [eiseres] de juistheid van het gestelde salaris niet heeft weersproken.

5.5. Voor de door Philips bepleite matiging van de loonvordering acht de kantonrechter geen aanleiding aanwezig. Philips was immers reeds lang bekend met het standpunt van [eiseres]. Het had mede daarom op de weg van Philips gelegen om haar schade te beperken, bijvoorbeeld door een voorwaardelijk verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in te dienen. Nu Philips dit kennelijk heeft nagelaten komt het feit dat de loonvordering van [eiseres] is opgelopen voor rekening en risico van Philips.

5.6. De kantonrechter zal de wettelijke verhoging, gelet op de omstandigheden van het geval, matigen tot 10%.

5.7. De buitengerechtelijke incassokosten zal de kantonrechter afwijzen. Philips heeft de verschuldigdheid van deze nevenvordering uitdrukkelijk betwist en [eiseres] heeft bij repliek verzuimd dit onderdeel van haar vordering nader te onderbouwen. Deze vordering zal dan ook als niet onderbouwd worden afgewezen.

5.8. Als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij zal Philips in de kosten van dit geding worden veroordeeld.

BESLISSING

De kantonrechter:

verklaart voor recht dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd geldt vanaf 22 mei 2003;

veroordeelt Philips tot betaling aan [eiseres] van € 1.226,47 bruto per maand vanaf 1 augustus 2003, ten titel van loon, te vermeerderen met 17,9% ploegentoeslag en 8% vakantietoeslag;

veroordeelt Philips tot betaling aan [eiseres] van 10% over de hiervoor genoemde bedragen terzake van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, voor zover die bedragen thans reeds opeisbaar zijn en voor zover deze bedragen nog niet opeisbaar zijn met inachtneming van de staffel als bedoeld in artikel 7:625, eerste lid, BW;

veroordeelt Philips tot betaling aan [eiseres] van de wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen, vanaf de dag dat Philips ten aanzien van de betaling van deze bedragen in verzuim is tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt Philips in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [eiseres] begroot op € 450,00 wegens salaris en op € 277,60 wegens verschotten;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. J.C.G. Leijten, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 oktober 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.