Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2005:AU4624

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
13-10-2005
Datum publicatie
20-10-2005
Zaaknummer
05/221
Formele relaties
Sprongcassatie: ECLI:NL:HR:2008:AZ1780, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in (sprong)cassatie: ECLI:NL:PHR:2008:AZ1780
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de loonbelasting. Overbruggingspensioen. AOW-uitkering. Pensioentoezegging.

Wetsverwijzingen
Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 10c
Wet op de loonbelasting 1964 18a
Wet op de loonbelasting 1964 18h
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/42.1.4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Registratienummer: AWB 05/221

Uitspraakdatum: 13 oktober 2005

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 26 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[X],

gevestigd en kantoorhoudende te [Q], eiseres,

gemachtigde [gemachtigde] te [R],

en

de inspecteur, [[te P]],

verweerder,

gemachtigde drs. [gemachtigde].

Ontstaan en loop van het geding

1.1 Eiseres heeft een tussen haar en haar directeur/aandeelhouder overeen te komen conceptpensioenregeling ter beoordeling voorgelegd aan verweerder.

1.2. Verweerder heeft op 3 december 2004 beslist dat de voorgelegde conceptregeling niet een pensioenregeling is in de zin van de artikelen 18 tot en met 18h van de Wet op de loonbelasting 1964 (de Wet)

1.3 Na daartegen gemaakt bezwaar van 9 december 2004 heeft verweerder bij de uitspraak op bezwaar van 16 februari 2005 de beschikking gehandhaafd.

1.4 Eiseres heeft daartegen op 24 februari 2005 beroep ingesteld.

1.5 Op grond van artikel 8:58 van de Awb heeft eiser op 5 september 2005 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder en behoren tot de stukken van het geding.

1.6 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2005 te Leeuwarden. Partijen zijn daar verschenen. Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar. De rechtbank rekent deze pleitnota’s tot de stukken van het geding.

1.7 De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

De feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1 Eiseres is opgericht op [datum] met de naam [A]. De naam van deze vennootschap is op [datum] gewijzigd in [B]. Enig aandeelhouder van eiseres is vanaf [datum], de heer [C] (hierna: [C]), geboren op [geboortedatum]. [C] is op [datum] in dienst getreden bij eiseres. De activiteiten van eiseres bestaan uit (onder meer): het aangaan en uitvoeren van pensioenovereenkomsten, alsmede andere periodieke verplichtingen en het beheren van daartoe aan de vennootschap beschikbaar gesteld vermogen.

2.2 Eiseres is voornemens aan [C] een pensioentoezegging te doen overeenkomstig een namens haar opgestelde conceptpensioenregeling met het kenmerk [123] (hierna: de pensioentoezegging), die voor zover voor de onderhavige procedure relevant luidt:

"(...) Artikel 2. De toegekende pensioenen

De werkgever zegt de werknemer de volgende pensioenen toe:

2.1. Een ouderdomspensioen voor de werknemer dat ingaat op de eerste dag van de maand waarin de werknemer de leeftijd van 60 jaar bereikt, en dat levenslang wordt uitgekeerd.

2.2. Een tijdelijk overbruggingspensioen (TOP) voor de werknemer dat tegelijkertijd ingaat met het ouderdomspensioen, en dat uitgekeerd wordt tot de maand waarin de werknemer de leeftijd van 60 jaar bereikt. (...)

Artikel 3 De hoogte van de pensioenen

3.1. Het ouderdomspensioen

De hoogte van het ouderdomspensioen is de som van de over de basispensioengrondslag en de variabele pensioengrondslag berekende pensioenen.

3.1.a. Basispensioengrondslag

Allereerst wordt, op basis van het laatst geldende maandsalaris, het geldende vaste jaarloon van de werknemer berekend inclusief vaste tantième, vakantietoeslag en vaste loonbestanddelen in geld voorzover deze structureel zijn toegekend. Indien zich in de vijf jaren voorafgaande aan de pensioenleeftijd stijgingen voordoen zullen deze slechts in aanmerking worden genomen tot ten hoogste 2 procent boven het indexcijfer der regelingslonen zoals dat wordt berekend door het CBS, met dien verstande dat in elk geval in aanmerking komen loonstijgingen als gevolg van gangbare functiewijzigingen of leeftijdperiodieken.

Vervolgens wordt dit vaste jaarloon verminderd met een franchise van 10/7 van de laatstelijk in het berekeningsjaar geldende jaarlijkse AOW-uitkering voor een ongehuwde persoon als omschreven in art. 9, eerste lid, onderdeel a, en vijfde lid, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met de vakantie-uitkering.

Over het aldus berekende bedrag (de basispensioengrondslag) bouwt de werknemer een ouderdomspensioen op van 2% vermenigvuldigd met het aantal dienstjaren (9,1667) dat fiscaal ten hoogste in aanmerking genomen mag worden tot aan de pensioendatum. Daarbij wordt rekening gehouden met het bepaalde in artikel 19 Wet LB en met extra dienstjaren die zijn verkregen als gevolg van waarde-overdrachten, dan wel inkoop. De tot enige berekeningsdatum tijdsevenredig opgebouwde aanspraken, kunnen als gevolg van een latere berekening op basis van een lagere pensioengevende beloning niet worden verlaagd. (...)

3.2. Het Tijdelijk Overbruggingspensioen (TOP)

De werknemer heeft recht op een tijdelijk overbruggingspensioen (TOP) ter grootte van de bij de bepaling van de franchise gehanteerde AOW-uitkering vermeerderd met een bedrag dat dient ter compensatie van de premies volksverzekeringen die, ten opzichte van de periode vanaf het bereiken van de 65-jarige leeftijd, extra verschuldigd zijn over de pensioenuitkering in de periode tot het bereiken van de 65-jarige leeftijd. Dit laatste bedrag wordt dusdanig vastgesteld dat het verschil in netto pensioeninkomen volledig wordt gecompenseerd. Over ieder dienstjaar tot aan de pensioenleeftijd wordt een evenredig gedeelte van dit TOP opgebouwd. Het opbouwpercentage per dienstjaar wordt gesteld op 10% van het TOP. (...)”.

2.3 Namens eiseres is de pensioentoezegging ter beoordeling aan verweerder voorgelegd, die bij beschikking van 3 december 2004 (beschikking in primo) op de voet van het bepaalde in artikel 19c, eerste lid, van de Wet heeft beslist dat de pensioentoezegging geen pensioenregeling is in de zin van de artikelen 18 tot en met 18h van de Wet.

2.4 In bezwaar heeft verweerder zijn beslissing gehandhaafd en het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Het geschil

3.1 Naar partijen ter zitting desgevraagd uitdrukkelijk hebben verklaard is tussen hen nog slechts in geschil het antwoord op de vraag of juist is dat bij de bepaling van de hoogte van het tijdelijk overbruggingspensioen de daarin begrepen AOW-compensatie dient te worden gesteld op het volledige bedrag van de bij de bepaling van de franchise gehanteerde AOW-uitkering, en dus niet op slechts de tijdsevenredige AOW-uitkering zoals deze daadwerkelijk in aanmerking is genomen voor de opbouw van het tijdsevenredig opgebouwde ouderdomspensioen.

3.2 Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de beschikking in primo en vaststelling door de rechtbank van de pensioentoezegging als een pensioenregeling in de zin van artikel 18 tot en met 18h van de Wet.

3.3 Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

3.4 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Beoordeling van het geschil

4.0 Gelet op het verhandelde ter zitting en het mogelijk te geven dictum zal de rechtbank er bij haar beoordeling van uitgaan dat het enige element waardoor de pensioentoezegging eventueel niet als pensioenregeling kan worden aangemerkt wordt gevormd door de omvang van de in te bouwen AOW-compensatie. De rechtbank gaat er vanwege de omvang van het geschil dus aan voorbij dat ter zitting namens eiseres is erkend, dat de formulering van het premiecompensatiedeel in onderdeel 3.2 van artikel 3 van de conceptpensioenovereenkomst aanpassing behoeft, welke zijn weerslag nog niet heeft gevonden in de pensioentoezegging en gaat er vanuit dat de later aldus aan te passen pensioentoezegging het onderwerp van het thans te berechten geschil vormt.

4.1 Ter berekening van het ouderdomspensioen wordt in onderdeel 3.1 van artikel 3 van de pensioenovereenkomst uitgegaan van het vaste jaarloon verminderd met een franchise van 10/7 van de per 1 januari van het berekeningsjaar geldende jaarlijkse AOW-uitkering voor een ongehuwde persoon als omschreven in artikel 9, eerste lid, onderdeel a, en vijfde lid, onderdeel a, van de AOW, vermeerderd met de vakantie-uitkering. Over het aldus berekende bedrag (de basispensioengrondslag) bouwt de werknemer een ouderdomspensioen op van 2% vermenigvuldigd met het aantal dienstjaren dat fiscaal ten hoogste in aanmerking genomen mag worden tot aan de pensioenleeftijd. De ouderdomspensioenaanspraken worden derhalve tijdsevenredig opgebouwd.

4.2 In geschil is de hoogte van het in te bouwen gedeelte van de AOW-uitkering in het tijdelijk overbruggingspensioen. De hoogte van het premiecompensatiedeel is niet geschil.

Eiseres wenst het volledige bedrag van de AOW-uitkering die een ongehuwde kan genieten in enig berekeningsjaar in te bouwen in het tijdelijk overbruggingspensioen. Verweerder is van opvatting dat het bedrag van de in te bouwen AOW-uitkering tijdsevenredig moet worden vastgesteld.

4.3 De rechtbank stelt voorop dat het tijdelijk overbruggingspensioen deel uitmaakt van het ouderdoms- en nabestaandenpensioen. Het tijdelijk overbruggingspensioen dient ter compensatie van de ontbrekende AOW-uitkering vóór de 65-jarige leeftijd (het AOW-compensatiedeel) en het verschil in premieheffing volksverzekeringen over de pensioenuitkeringen vóór en vanaf de 65-jarige leeftijd (het premiecompensatiedeel). Het overbruggingspensioen houdt een tijdelijke ophoging van het ouderdomspensioen (in enge zin) in, waarmee wordt voorkomen dat het totale nettopensioen in de periode vanaf de ingangsdatum van het ouderdomspensioen tot aan de 65-jarige leeftijd lager is dan daarna.

4.4 Artikel 18a, achtste lid, onderdeel a, van de Wet bepaalt:

“De in dit hoofdstuk met betrekking tot het desbetreffende pensioenen opgenomen maxima worden voor het ouderdomspensioen opgevat met inbegrip van een bedrag dat tenminste wordt gesteld op per dienstjaar of per ontbrekend dienstjaar een evenredig gedeelte van de voordat jaar geldende uitkeringen voor gehuwde personen zonder toeslag als omschreven artikel 9, eerste lid, onderdeel b, en vijfde lid, van de Algemene Ouderdomswet, vermeerderd met de vakantietoeslag.”.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Memorie van Toelichting, Tweede Kamer vergaderjaar 1997-1998, 26 020, nr. 3, blz. 25) is bij de opbouw van het ouderdomspensioen als uitgangspunt gekozen dat een vol pensioen van 70% in ten minste 35 jaar moet kunnen worden opgebouwd. In geval van een dergelijk vol pensioen moet na 35 jaar dan ook tenminste de enkelvoudige AOW-uitkering voor een gehuwde persoon zijn ingebouwd. Voor een evenredige AOW-inbouw betekent dit dat per dienstjaar een zodanig deel van de AOW-uitkering moet worden ingebouwd dat bij een vol pensioen van 70%, de volledige AOW-uitkering is ingebouwd. In geval het pensioen minder dan 70% bedraagt, kan de AOW-inbouw evenredig worden verminderd.

4.5 Naar luid van artikel 18h, eerste lid, van de Wet is een regeling waarvan, zoals in casu, geheel of gedeeltelijk een lichaam als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel d, van de Wet als verzekeraar optreedt, een pensioenregeling indien zij voldoet aan de artikelen 18 tot en met 18g van de Wet en voorts een pensioen inhoudt dat niet uitgaat boven hetgeen in collectieve regelingen gangbaar is. Op grond van het tweede lid van artikel 18h van de Wet kan bij algemene maatregel van bestuur worden vastgesteld wat in collectieve regelingen gangbaar is. Artikel 10c, aanhef en onderdeel e, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 bepaalt daartoe:

“Voor de toepassing van artikel 18h, tweede lid, van de wet is een regeling een pensioenregeling indien zij voldoet aan hoofdstuk IIB van de wet, mits:

(...) een overbruggingspensioen voorzover dat dient ter overbrugging van een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet is afgestemd op het op grond van artikel 18a, achtste lid, in de pensioenregeling in aanmerking genomen bedrag.”.

Tijdens de parlementaire behandeling is over deze bepaling (Nota naar aanleiding van het Verslag, Tweede Kamer vergaderjaar 1998-1999, 26 020, nr. 6, blz. 48) opgemerkt:

“In onderdeel e tenslotte is opgenomen dat de AOW-uitkering waarmee in het tijdelijk overbruggingspensioen rekening wordt gehouden, dezelfde AOW moet zijn waarmee bij de opbouw van het ouderdomspensioen rekening wordt gehouden. (..)”.

Naar het oordeel van de rechtbank doet het bepaalde in artikel 10c, aanhef en onderdeel e, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (UBLB) om deze reden niet af aan het (eigen) tijdsevenredige karakter van de AOW-inbouw bij de bepaling van het tijdelijk overbruggingspensioen. De laatstbedoelde bepaling leidt er voor situaties als de onderhavige, naar het oordeel van de rechtbank, slechts toe dat de grondslag van het bedrag van de AOW-inbouw in het tijdelijke overbruggingspensioen niet afwijkt van de grondslag van de AOW-inbouw die bij de bepaling van de omvang van het ouderdomspensioen (in enge zin) in aanmerking genomen is.

4.6 Naar het oordeel van de rechtbank leidt de verwijzing in artikel 10c, aanhef en onder e, UBLB naar het achtste lid van artikel 18a van de Wet derhalve niet tot de door verweerder voorgestane beperking van de AOW-compensatie tot opbouw van het tijdsevenredig ingebouwde deel van de bij het ouderdomspensioen ingebouwde AOW-uitkering, maar is compensatie van het volledige bedrag van de ingebouwde AOW-uitkering toegestaan, mits, gelijk is bepaald in artikel 18e, eerste lid, onder b, van de Wet, de compensatie in minimaal 10 jaar direct voorafgaand aan de ingangsdatum van het ouderdomspensioen wordt opgebouwd. Vanwege een in casu kortere opbouwperiode van 9,1667 dienstjaren en een opbouwpercentage van 10% per dienstjaar, leidt de voorliggende pensioentoezegging tot een AOW-compensatie van 91,667% van de AOW-uitkering voor een ongehuwde persoon.

4.7 De rechtbank overweegt dat de hierboven weergegeven interpretatie in overeenstemming is met de bedoeling van de wetgever. Blijkens de wetsgeschiedenis is het doel van het overbruggingspensioen immers te voorkomen dat het totale netto pensioen voor de 65-jarige leeftijd lager is dan daarna, waarbij het overbruggingspensioen sneller dan het ouderdomspensioen mag worden opgebouwd, namelijk in minimaal 10 jaar onmiddellijk voorafgaand aan de pensioeningangsdatum (Memorie van Toelichting, Tweede Kamer vergaderjaar 1997-1998, 26 020, nr. 3, blz. 14, herhaald op blz. 28/29 en verhelderd op de blz. 26 en 33/34 van de Nota naar aanleiding van het Verslag, alsmede in de Memorie van Toelichting, Eerste Kamer, vergaderjaar 1998-1999, 26 020, nr. 104b, blz. 18). Daarbij bevat de wetshistorie geen enkel aanknopingspunt voor het oordeel dat de wetgever de mogelijkheid tot versnelde opbouw van een volledige AOW-compensatie slechts heeft willen voorbehouden aan collectieve pensioenregelingen.

4.8 De rechtbank komt derhalve tot het oordeel dat eiseres het gelijk aan haar kant heeft, zodat het beroep gegrond moet worden verklaard.

Proceskosten

In de omstandigheden van het geval vindt de rechtbank aanleiding op grond van artikel 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.288,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 2). De rechtbank wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de beschikking in primo;

- stelt vast dat de pensioentoezegging een pensioenregeling is in de zin van de artikelen 18 tot en met 18h van de Wet;

- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiseres betaalde griffierecht van € 276,- vergoedt.

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 1.288,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) die deze kosten aan eiseres dient te vergoeden;

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. P. van der Wal, voorzitter en mrs. H.H.A. Fransen en J.W.Keuning. De beslissing is op 13 oktober 2005 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. K. van der Leij, griffier.

Afschrift aangetekend

verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 1704, 8901 CA Leeuwarden; dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij wordt gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.