Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2005:AU4240

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
13-10-2005
Datum publicatie
14-10-2005
Zaaknummer
04/1322
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2007:BB4602, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Theoretische schatting 55-65% arbeidsongeschikt. Geen uitkering toegekend vanwege feitelijke verdiensten. Op later tijdstip opnieuw ziekgemeld, waarna ontslag volgt. Toepassing art. 43a WAO. Wet Amber. Terecht geen arbeidskundige beoordeling uitgevoerd. Wellicht nog een primair besluit over recht op uitkering na afloop reguliere wachttijd vereist. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 04/1322

Inzake het geding tussen

[A], wonende te [B], eiser,

gemachtigde: mr. H.B.T. Koekkoek, werkzaam in dienst van de Hout- en Bouwbond CNV te Drachten,

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder,

gemachtigde: P.J. Langius, werkzaam in dienst van het Uwv.

Procesverloop

Bij brief van 6 oktober 2004 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO).

Tegen dit besluit is namens eiser beroep ingesteld.

Bouwbedrijf [C] BV te [D] (hierna: de werkgever) is door de rechtbank in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. De werkgever heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 13 september 2005. Eiser is, zoals tevoren schriftelijk aangekondigd, niet verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Motivering

Eiser is laatstelijk werkzaam geweest als hoofduitvoerder in dienst van voornoemde werkgever.

Op 14 juli 2002 is eiser wegens rugklachten uitgevallen van zijn werk. Met ingang van 14 juli 2003 heeft verweerder geweigerd om eiser een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen, omdat zijn mate van arbeidsongeschiktheid op die datum minder dan 15% bedraagt. Dit besluit is erop gebaseerd dat, hoewel een theoretische schatting tot indeling in de klasse van 55 tot 65% zou leiden, eiser met zijn aangepaste arbeid feitelijk geen verlies aan verdienvermogen heeft. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

Op 31 oktober 2003 heeft eiser zich ziek gemeld. Met ingang van 1 december 2003 is zijn dienstverband met de werkgever door de kantonrechter ontbonden.

Bij besluit van 24 december 2003 heeft verweerder geweigerd eiser een WAO-uitkering toe te kennen. Hiertoe is overwogen dat uit onderzoek niet is gebleken dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid is toegenomen. Verweerder heeft dit besluit gebaseerd op rapporten van de verzekeringsarts Tjon-Ka-Jie van 2 december 2003 en de arbeidsdeskundige Eerhart van 17 december 2003.

Het namens eiser tegen dit besluit ingestelde bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Verweerder heeft de beslissing op het bezwaarschrift gebaseerd op rapporten van de bezwaarverzekeringsarts De Blécourt-Kuiper van 27 mei 2004 en de bezwaararbeidsdeskundige Van Heun van 14 september 2004.

Namens eiser is in beroep aangevoerd dat zijn medische beperkingen zijn onderschat en dat hij een in het beroepschrift nader beschreven aantal van de geduide functies niet kan uitoefenen. Verder heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat de opvatting van verweerder dat art. 43a WAO slechts kan worden toegepast indien de medische beperkingen zijn toegenomen, op een onjuiste uitleg van die bepaling berust.

De rechtbank overweegt als volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank houdt het hier van toepassing zijnde art. 43a lid 1 WAO geen regeling in van een toename van arbeidsongeschiktheid in algemene zin. Deze bepaling ziet naar haar bewoordingen en bedoeling uitsluitend op die situaties waarin sprake is van een toename van de medische beperkingen die ten grondslag lagen aan de eerder toegekende doch nadien ingetrokken uitkering (sub a), dan wel op situaties waarin sprake is van een toename van de medische beperkingen die bestonden per einde wachttijd, maar op grond waarvan geen recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering bestond (sub b).

Indien van een zodanige toename niet kan worden gesproken, wordt aan een beoordeling van arbeidskundige aspecten niet meer toegekomen. Slechts indien zich zulk een toename wel voordoet, dient ter beoordeling of, en zo ja in welke omvang, die toename van beperkingen ook leidt tot een toename van arbeidsongeschiktheid, de arbeidskundige component in ogenschouw te worden genomen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 10 oktober 2003 (USZ 2003/343).

De rechtbank ziet in de beschikbare medische gegevens geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de bij verweerder bestaande opvatting dat de medische beperkingen van eiser niet zijn toegenomen. De verzekeringsarts Tjon-Ka-Jie en de bezwaarverzekeringsarts De Blécourt-Kuiper hebben zich mede gebaseerd op informatie van de eiser behandelende artsen Hesselink en Rijnks. Door eiser is onvoldoende onderbouwd gesteld dat op basis van de door laatstgenoemde artsen gestelde diagnose(n) meer beperkingen voor arbeid moeten worden aangenomen. Dit betekent dat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een situatie als bedoeld in art. 43a lid 1 aanhef en onder b WAO, zodat verweerder een beoordeling van de arbeidskundige aspecten terecht en op goede gronden achterwege heeft gelaten.

Voor zover eiser zich op het standpunt heeft gesteld dat verweerder hem per 1 december 2003, zijnde de datum waarop hij niet langer een dienstverband met voormelde werkgever heeft, ten onrechte geen arbeidsongeschiktheid heeft toegekend, overweegt de rechtbank als volgt.

Gelet op de datum van de ziekmelding (31 oktober 2003) heeft verweerder zich voor de toepassing van art. 43a WAO terecht beperkt tot het nemen van een besluit omtrent de mate van arbeidsongeschiktheid van eiser op 28 november 2003. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft verweerder zich daarbij naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eiser per die datum geen recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft.

Voor zover het standpunt van eiser aldus moet worden begrepen dat hij van mening is dat verweerder de ziekmelding had moeten opvatten als én een verzoek om toepassing van art. 43a WAO én (eventueel subsidiair) een reguliere aanvraag om toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, overweegt de rechtbank als volgt. Het primaire besluit kon, gezien de datum daarvan, slechts een beslissing inhouden over eisers aanspraken op uitkering ingevolge art. 43a WAO. De reguliere wachttijd was op dat moment immers nog niet verstreken. Eén en ander leidt tot de conclusie dat verweerder, voor zover de ziekmelding van 31 oktober 2003 zou moeten worden opgevat als een reguliere aanvraag, alsnog gehouden is ter zake van eisers aanspraken op uitkering in aansluiting op de reguliere wachttijd een primaire beslissing uit te reiken (CRvB 13 augustus 2002, USZ 2002/279).

Gelet op voorgaande overwegingen komt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep van eiser ongegrond moet worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2005 door voornoemde rechter in tegenwoordigheid van mr. F.P. Dillingh als griffier.

w.g. F.P. Dillingh

w.g. E. de Witt

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb. Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht.

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: