Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2005:AU3508

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
22-09-2005
Datum publicatie
03-10-2005
Zaaknummer
17/781000-05 VEV
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bedreiging met zware mishandeling; Opiumwet; toerekeningsvatbaarheid, veroordeling

Wetsverwijzingen
Opiumwet 3
Opiumwet 11
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 57
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Leeuwarden

Sector strafrecht

VERKORT VONNIS

Uitspraak: 29 september 2005

Parketnummer: 17/781000-05 VEV

VONNIS van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte:

[verdachtee],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te [adres verdachte],

thans gedetineerd in PI Noord, gevangenis De Marwei te Leeuwarden.

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 21 september 2005.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W. Spijkstra, advocaat te Drachten.

TELASTELEGGING

Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

ONTVANKELIJKHEID OPENBAAR MINISTERIE

De raadsman heeft betoogd dat de officier van justitie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging nu deze initiatieven heeft genomen in het opsporingsonderzoek die er de oorzaak van zijn geweest dat tegen verdachte een vervolging is ingesteld. De officier van justitie zou een sturende rol hebben gespeeld in het onderzoek, waarbij de raadsman met name noemt dat door de officier van justitie opdracht is gegeven een klacht op te laten stellen inzake de telastegelegde belaging. De rechtbank is van oordeel dat het de officier van justitie volkomen vrijstaat een sturende rol in het opsporingsonderzoek te vervullen. Dat is aan de officier van justitie zelfs wettelijk opgedragen. Dat de officier van justitie opdracht geeft een klacht op te nemen bij een klachtdelict, indien dreigt dat dit formele aspect over het hoofd wordt gezien, kan hem geenszins worden verweten. Het tegendeel is eerder het geval. Indien de officier van justitie een dergelijke omissie over het hoofd zou zien, zou dat een tekortkoming van de zijde van het openbaar ministerie zijn. Waaruit overigens de sturende rol van het openbaar ministerie zou hebben bestaan - en waarin de onrechtmatigheid van het optreden van de officier van justitie zou zijn gelegen - wordt door de raadsman niet geconcretiseerd. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

PARTIËLE VRIJSPRAAK

De verdachte moet van het onder 1a. primair, 1a. subsidiair, 1b. en 2. telastegelegde worden vrijgesproken, omdat de rechtbank dit niet bewezen acht.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht het onder 1c en 3.telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:

1c.

hij in de periode van 20 december 2004 tot en met 30 december 2004, te Oranjewoud, in de gemeente Heerenveen, meermalen, [slachtoffer] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk op meerdere data en tijdstippen binnen voormelde periode voornoemde [slachtoffer] dreigend woordelijk toegevoegd, dat hij, verdachte, die [slachtoffer] kapot zou maken, en hebbende verdachte in de richting - van onder meer het gezicht- van die [slachtoffer] die hij, verdachte, op korte afstand was genaderd, met zijn armen zwaaiende bewegingen gemaakt;

3.

hij op 4 januari 2005 te Heerenveen, in de gemeente Heerenveen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 160 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

KWALIFICATIE

Het bewezene levert op de misdrijven:

1c. Bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd.

3. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

STRAFMOTIVERING

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van de gepleegde feiten;

- de omstandigheden waaronder deze zijn begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister en het rapport wat is opgemaakt door het Pieter Baan Centrum te Utrecht;

- de vordering van de officier van justitie tot veroordeling van verdachte terzake het onder 1b, 1c, 2. en 3. telastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van één jaar en TBS met verpleging van overheidswege.

- het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging en het aanwezig hebben van een hoeveelheid hennep. Vooral aan het eerste delict tilt de rechtbank zwaar. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij een Tweede Kamerlid die zich ten opzichte van verdachte welwillend opstelde op zeer onheuse wijze heeft bejegend. Juist nu het een volksvertegenwoordiger betreft acht de rechtbank het noodzakelijk dat een krachtig signaal wordt afgegeven aan verdachte dat zijn gedrag niet te tolereren is.

Het baart de rechtbank zorgen dat verdachte geen enkel inzicht toont in zijn eigen functioneren ten opzichte van derden. Een reeks veroordelingen - ook voor soortgelijke feiten - doet verdachte kennelijk niet van gedachten veranderen. Verdachte legt de schuld voor zijn conflicten zonder uitzondering bij derden, waarbij het opvalt dat elke autoriteit het moet ontgelden indien niet in het straatje van verdachte wordt meegepraat.

Door onderzoekers van het Pieter Baan Centrum (PBC) is een rapport uitgebracht waarin zij de mogelijkheid en consequenties bespreken van een terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Andere modaliteiten waarbinnen een behandeling van verdachte zou kunnen plaatsvinden zijn - zo oordelen de rapporteurs - geen optie. De deskundigen zijn van oordeel dat er bij verdachte sprake is van een waanstoornis, waarbij het gaat om paranoïde en betrekkingswanen. De onderzoekers komen tot de conclusie dat verdachte met betrekking tot de bedreiging sterk verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht. De rechtbank deelt deze conclusie en neemt deze over.

De rapporteurs onthouden zich van een advies met betrekking tot een eventueel op te leggen maatregel.

Ter beoordeling van de vraag of een terbeschikkingstelling met dwangverpleging aan de orde is, dient te worden beoordeeld of de veiligheid van personen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen oplegging van die maatregel vereist. De officier van justitie heeft die vraag bevestigend beantwoord. De onderzoekers van het PBC merken op dat de delictgevaarlijkheid van verdachte, met name als het gaat om toepassing van fysiek geweld, een dalende tendens vertoont.

De officier van justitie heeft daartegenover gesteld dat de documentatie van verdachte ook recente geweldsdelicten vermeldt, die een andere conclusie rechtvaardigen.

De rechtbank is van oordeel dat de thans bewezen verklaarde bedreiging - ook gelet op de documentatie van verdachte - (nog) niet dient te leiden tot een ter beschikkingstelling met dwangverpleging. De rechtbank zal verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.

Het gedrag van verdachte is maatschappelijk volstrekt onaanvaardbaar en de rechtbank is gelet op de persoon van verdachte van oordeel dat de voor bedreiging geldende oriëntatiepunten op verdachte geenszins van toepassing zijn. Dat geldt temeer nu het een bedreiging van een politicus betreft. De rechtbank heeft eveneens rekening gehouden met het bewezen verklaarde derde feit.

De rechtbank ziet in het feit dat verdachte reeds sinds 4 januari 2005 in voorlopige hechtenis zit aanleiding - ook gelet op de mate van toerekeningsvatbaarheid van verdachte - de onvoorwaardelijke gevangenisstraf vast te stellen gelijk aan de duur van de ondergane voorlopige hechtenis.

TOEPASSING VAN WETSARTIKELEN

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 57 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT

RECHTDOENDE:

Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1a. primair, 1a. subsidiair, 1b., en 2. is telastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1c. en 3. telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 268 dagen.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden en beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Beswerda, voorzitter, mr. M.J. Dijkstra en mr. G.C. Koelman, rechters, bijgestaan door H. Pool, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 september 2005.

Mr. Koelman is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.