Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2005:AU3135

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
14-07-2005
Datum publicatie
26-09-2005
Zaaknummer
04/1058
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer. Weidevogelpakket. Beëindigen subsidie. Beheersvoorschriften. Overtreding beweidingsverbod onvoldoende aangetoond. Hoorplicht. Zorgvuldige voorbereiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 04/1058

Inzake het geding tussen

[A], gevestigd te [B], eiseres,

gemachtigde: ir. S. Boonstra, werkzaam bij NLTO Advies te Drachten,

en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. E.E.G.M. Collin, werkzaam bij het agentschap Laser.

Procesverloop

Bij brief van 16 augustus 2004 heeft verweerder eiseres mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Subsidieregeling agrarisch natuurbeheer (hierna: San).

Tegen dit besluit is namens eiseres op 20 september 2004 beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 28 juni 2005. Namens eiseres zijn verschenen [C] en [D], alsmede bovengenoemde gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Motivering

Bij besluit van 25 oktober 2000 is op grond van de San aan eiseres een beheerssubsidie toegekend voor het beheerspakket “Weidevogelgrasland met een rustperiode”.

Naar aanleiding van een fysieke controle op 7 juni 2002 heeft verweerder bij besluit van 20 oktober 2003 aan eiseres meegedeeld dat geconstateerd is dat niet aan de beheersvoorschriften van het weidevogelpakket is voldaan, zodat ingevolge art. 39 lid 1 San in 2004 geen voorschot wordt verstrekt over het tijdvak januari 2003 tot januari 2004.

Het door eiseres tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift is bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft verweerder overwogen -samengevat en onder meer- dat uit de (veld)controle door de medewerker van de Dienst landelijk Gebied (DLG) is gebleken dat op 7 juni 2002 een paard op de beheerseenheid stond en dat bijna de gehele beheerseenheid was beweid. Eiseres heeft derhalve voor het perceel waarvoor het weidevogelpakket is afgesloten de voorgeschreven rustperiode van 1 april tot 8 juni niet in acht genomen. Verweerder heeft geen aanleiding gezien om het subsidiebedrag met een lager percentage dan 100% te verminderen. Verder heeft verweerder overwogen dat indien eiseres zich op overmacht beroept omdat rotganzen de beheerseenheid zouden hebben kaalgevreten, dit op grond van art. 38 lid 1 sub f San schriftelijk had moeten worden gemeld binnen twee weken nadat eiseres van deze omstandigheid op de hoogte was. Een dergelijke melding heeft verweerder echter niet ontvangen.

Namens eiseres is in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte een hoorzitting achterwege heeft gelaten. Voorts acht eiseres zich in haar bewijspositie geschaad doordat zij pas anderhalf jaar na de fysieke controle van de resultaten daarvan op de hoogte is gesteld. Eiseres betwist dat de betreffende beheerseenheid is beweid door een paard. Het bewuste paard was vóór de ingang van de beheerseenheid vastgezet aan een ijzeren pen en heeft het aldaar aanwezige gras beweid. Volgens eiseres is de gehele beheerseenheid kort gegraasd door grote groepen rotganzen in mei 2002. Aan de hand van de op het perceel aanwezige uitwerpselen had de DLG-controleur dit op eenvoudige wijze kunnen constateren.

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit terecht en op goede gronden is genomen.

Ten aanzien van hetgeen door eiseres is aangevoerd omtrent de achterwege gelaten hoorzitting in de bezwaarfase overweegt de rechtbank het volgende. Blijkens de wetsgeschiedenis van art. 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de hoorplicht een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftenprocedure. Van een kennelijk ongegrond bezwaar is sprake, indien uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener van het bezwaarschrift ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Naar het oordeel van de rechtbank doet deze situatie zich in het geval van eiseres niet voor, hetgeen in het verweerschrift overigens door verweerder niet is bestreden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder, door met toepassing van art. 7:3 aanhef en onder b Awb van het horen van eiseres af te zien, heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in art. 7:2 lid 1 Awb.

Het beroep is reeds hierom gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Met toepassing van art. 8:72 lid 3 Awb kan echter door de rechtbank worden bepaald dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit geheel of gedeeltelijk in stand blijven voor zover de inhoud van het besluit de rechterlijke toets kan doorstaan. In dat kader overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge art. 38 lid 1 aanhef en onder c San, is de subsidieontvanger verplicht de in het beheerspakket opgenomen beheersvoorschriften te treffen die zijn vermeld in de bijlage waarin het beheerspakket is opgenomen. Onder f van dit artikel is bepaald dat de subsidieontvanger van omstandigheden als gevolg waarvan het redelijkerwijs niet mogelijk is te voldoen aan de verplichtingen bedoeld in onderdeel c, binnen twee weken nadat de hij daarvan redelijkerwijs op de hoogte kan zijn aan de directeur van de Dienst Regelingen schriftelijk melding dient te doen.

Blijkens bijlage 16 bij de San inzake het beheerspakket "Weidevogelgrasland met een rustperiode" -voor zover hier van belang- bestaat deze beheerseenheid uit grasland en wordt een rustperiode in acht genomen van 1 april tot 8 juni. In onderdeel 4 van de Bijlage is bepaald dat in de rustperiode de beheerseenheid niet is beweid, gemaaid, gerold, gesleept, gescheurd, gefreesd, (her)ingezaaid, doorgezaaid of bemest en is het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen niet toegestaan.

Niet in geschil is dat het gras op het perceel van eiseres waarvoor het weidevogelpakket is afgesloten op 7 juni 2002 -derhalve binnen de voorgeschreven rustperiode van 1 april tot 8 juni- kort was.

Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat hij mocht afgaan op de waarnemingen van de DLG-controleur [E]. Diens rapport van 7 juni 2002 vermeldt het volgende: "1 paard heeft zowat het gehele perceel kortgegraasd. perceel gescheiden door palen met prikkeldr. maar aan één kant open." Op grond hiervan dient volgens verweerder te worden geconcludeerd dat de beheerseenheid is beweid.

Gelet op hetgeen van de zijde van eiseres is aangevoerd deelt de rechtbank dit standpunt van verweerder niet. Geconstateerd moet worden dat het DLG-rapport van 7 juni 2002 alleen de conclusie bevat dat een paard bijna het gehele perceel heeft kort gegraasd. Niet vermeld is echter op welke concrete waarnemingen die conclusie is gebaseerd. De controleur van DLG heeft de situatie niet met foto's vastgelegd. Blijkens de gedingstukken kon de controleur zich bij navraag in de bezwaarfase geen bijzonderheden meer herinneren. Uit de ter zitting namens eiseres gegeven toelichting aan de hand van een situatietekening is gebleken dat de controleur het paard over een afstand van circa 200 meter -vanaf een dijkweggetje aan de andere kant van het weiland- heeft waargenomen. Dit is door verweerder niet weersproken.

Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het bepaald niet onaannemelijk dat het paard niet op de beheerseenheid zelf heeft gestaan, maar -zoals namens eiseres is aangevoerd- daar net buiten bij de toegang en afgescheiden door prikkeldraad, hetgeen voor de controleur niet of moeilijk zichtbaar moet zijn geweest.

De gerede twijfel aan de juistheid van de stelling van de controleur dat het paard op de beheerseenheid stond en daar graasde, kan naar het oordeel van de rechtbank niet ten nadele van eiseres werken. Hierbij is van belang dat de controleur eiseres ten tijde van zijn controle niet meteen heeft geconfronteerd met zijn bevindingen. Eiseres is daardoor de mogelijkheid onthouden om zich ter plekke te verweren met de argumenten die in bezwaar en beroep zijn aangevoerd. Een nader onderzoek van de beheerseenheid door de controleur, eventueel in aanwezigheid van een vertegenwoordiger van eiseres, had buiten twijfel kunnen stellen dat het paard op dan wel naast de beheerseenheid stond en dat de beheerseenheid door rotganzen is kaalgevreten, zoals eiseres heeft aangevoerd, of dat het gras kort was als gevolg van beweiding.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, onvoldoende aangetoond dat eiseres de beheerseenheid gedurende de rustperiode heeft beweid.

Voor wat betreft het door verweerder subsidiair ingenomen standpunt dat eiseres conform art. 38 lid 1 aanhef en onder f San melding had moeten maken van een overmachtsituatie zodra geconstateerd werd dat de beheerseenheid was kaalgevreten door rotganzen, overweegt de rechtbank het volgende.

Gelet op de hierboven aangehaalde tekst van onderdeel 4 van Bijlage 16 bij de San, gelezen in samenhang met art. 38 San, dient onder een overmachtsituatie te worden verstaan de situatie waarin eiseres als gevolg van door externe oorzaken teweeg gebracht onheil genoodzaakt is om in strijd met de beheersvoorschriften het beheersperceel te beweiden, te maaien, te rollen, te slepen, te scheuren, te frezen, te (her)inzaaien, door te zaaien, te bemesten of chemische bestrijdingsmiddelen toe te passen.

Naar het oordeel van de rechtbank valt zonder nadere motivering van verweerder niet in te zien hoe het kort grazen van de beheerseenheid door groepen ganzen gelijkgesteld kan worden met één van de voormelde activiteiten. Met name kan het grazen van de ganzen niet gelijkgesteld worden met het beweiden door de agrariër, aangezien laatstgenoemde dit niet kan bewerkstelligen.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit ook inhoudelijk de rechterlijke toetsing niet kan doorstaan, nu het niet op zorgvuldige wijze is voorbereid en niet berust op een deugdelijke motivering. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk in stand te laten.

Gelet op het vorenstaande en op het bepaalde in art. 8:74 lid 1 Awb dient de Staat der Nederlanden het griffierecht van € 273,- aan eiseres te vergoeden.

Op grond van art. 8:75 Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van eiseres € 644,- ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (beroepschrift 1 punt; zitting 1 punt; gewicht van de zaak gemiddeld; waarde per punt € 322,-). De rechtbank wijst de Staat der Nederlanden aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit;

-bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiseres het betaalde griffierecht van € 273,- vergoedt;

-veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten ten bedrage van € 644,-, aan eiseres te betalen door de Staat der Nederlanden.

Aldus gegeven door mr. A.J. Rietveld, rechter, en door haar in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2005, in tegenwoordigheid van mr. F.P. Dillingh als griffier.

w.g. F.P. Dillingh

w.g. A.J. Rietveld

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: 14 juli 2005