Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2005:AU2805

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
29-06-2005
Datum publicatie
28-09-2005
Zaaknummer
05/351
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verplichte ziekenfondsverzekering zelfstandigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2005-1896
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht, belastingkamer

Registratienummer: AWB 05/351

Uitspraakdatum: 29 juni 2005

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen

[A],

wonende te [B], eiser,

en

de inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Noord,

verweerder,

gemachtigde: J.A.H. Brussen.

Betreft

De uitspraak van verweerder van 14 februari 2005 op het bezwaar van eiser tegen de verklaring van verweerder dat eiser als zelfstandige volgens de gegevens van de Belastingdienst in het jaar 2005 niet aan de voorwaarden voor de verplichte ziekenfondsverzekering voldoet.

Onderzoek ter zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2005. Partijen zijn verschenen. Ook de echtgenote van eiser is, ter bijstand, verschenen.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de bestreden uitspraak;

gelast verweerder aan eiser een verklaring te verstrekken inhoudende dat eiser voor het jaar 2005 als zelfstandige voldoet aan de voorwaarden voor de verplichte ziekenfondsverzekering;

gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ad € 37 aan hem vergoedt.

Gronden

1. Eiser geniet sinds 2002 winst uit onderneming en is verzekerd voor de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.

2. Naar de toestand per 1 oktober 2004 bedroeg het verzamelinkomen van eiser over het jaar 2002 € 26.518. Na aftrek van de SAP componenten ad € 2.439 bedroeg het inkomen € 24.079. Naar de toestand per 1 oktober 2003 is het verzamelinkomen over 2002 even hoog.

3. Door verweerder is een beschikking aan eiser gezonden, waarin wordt verklaard dat uit de gegevens van de Belastingdienst per 1 oktober 2003 is gebleken dat eiser als zelfstandige niet voldoet aan de voorwaarden voor de verplichte ziekenfondsverzekering in 2004.

4. Tegen deze beschikking heeft eiser bezwaar aangetekend.

5. In de – in afschrift door verweerder ter zitting overgelegde - interne penaantekeningen, met de datum 20 januari 2004, van de, op de eenheid van verweerder werkzame, behandelaar van dit bezwaarschrift staat het volgende vermeld:

“Inkomen hoger door eenmalige uitkering. Ook zijn huurkosten 2002 niet in rekening gebracht. Anders zou inkomen onder grens komen te liggen. Schatting ongeveer € 17.000. Probleem part. Ziekte verz. i.v.m. ziekte kind. 1 jaar maar toestaan. 2005 niet meer! Hoge uitzondering! Geen rechten aan ontlenen voor de toekomst!”

6. De echtgenote van eiser heeft met een medewerker van de eenheid van verweerder telefonisch contact gehad ter zake van de afhandeling van het bezwaarschrift. Haar is toen meegedeeld dat de aanvankelijke verklaring voor 2004 wordt ingetrokken en dat een nieuwe beschikking wordt afgegeven, waarin wordt verklaard dat eiser wordt aangemerkt als verplicht ziekenfondsverzekerde.

7. Bij beschikking van 26 januari 2004 trekt verweerder de eerder afgegeven verklaring in en verklaart hij dat uit de gegevens van de Belastingdienst is gebleken dat eiser in het kalenderjaar waarvoor de verklaring, waartegen hij bezwaar maakt, is afgegeven (2004), als zelfstandige voldoet aan de voorwaarden voor ziekenfondsverzekering. In die brief wordt onder het onderdeel “Beoordeling van het bezwaar”, het volgende aangegeven:

“Uit mijn gegevens is gebleken dat u in het kalenderjaar waarvoor de verklaring is afgegeven als zelfstandige voldoet aan de voorwaarden voor ziekenfondsverzekering.”

8. Eiser heeft bij beschikking van 15 november 2004 een verklaring van verweerder ontvangen met als inhoud dat uit de gegevens van de Belastingdienst per 1 oktober 2004 is gebleken dat eiser als zelfstandige niet voldoet aan de voorwaarden voor de verplichte ziekenfondsverzekering 2005. Na bezwaar van eiser heeft verweerder bij de bestreden uitspraak van 14 februari 2005 het bezwaar afgewezen en de afgegeven verklaring gehandhaafd.

9. In geschil is het antwoord op de vraag of terecht een negatieve verklaring ziekenfondsverzekering voor het jaar 2005 is afgeven, welke vraag eiser ontkennend en verweerder bevestigend beantwoordt.

10. Op grond van artikel 3, lid 1 van de Regeling tijdvak en inkomen ziekenfondsverzekering zelfstandigen wordt voor de toepassing van artikel 3d, lid 1 van de Ziekenfondswet, ten aanzien van degene die in het voorafgaande jaar nog geen zelfstandige was, voor het eerste en voor de drie daarop volgende jaren in aanmerking genomen het inkomen voor het jaar waarin hij zelfstandige is geworden.

11. Omdat vaststaat dat eiser in 2002 is gestart als zelfstandige, dient ten aanzien van hem ter zake van de verklaring over 2005 het inkomen over 2002, per 1 oktober 2004, in aanmerking te worden genomen.

1. Nu het onder 2. vermelde inkomen van eiser over 2002 per 1 oktober 2004 meer bedraagt dan het in artikel 3d, lid 1 van de Ziekenfondswet vermelde bedrag van € 21.050, heeft de verweerder ingevolge de geldende wet- en regelgeving terecht een negatieve verklaring in het kader van de ziekenfondsverzekering over 2005 aan eiser verstrekt.

13. Ook ten aanzien van het jaar 2004 leidt toepassing van de wet- en regelgeving er toe dat het inkomen over 2002 als maatstaf heeft te gelden voor de inhoud van de af te geven verklaring en dat eiser als zelfstandige niet voldoet aan de voorwaarden voor de verplichte ziekenfondsverzekering, omdat dat inkomen over 2002, beoordeeld per 1 oktober 2003, de in artikel 3d, lid 1 van de Ziekenfondswet vermelde grens overschrijdt. De aanvankelijk afgeven negatieve verklaring was dus terecht.

14. Desondanks heeft de behandelend ambtenaar van het bezwaar van eiser, kennelijk op basis van nieuw bekend geworden gegevens over het inkomen, besloten om de aanvankelijk afgegeven negatieve verklaring voor 2004 in te trekken en bij schrijven van 26 januari 2004 te verklaren dat eiser toch als zelfstandige voldoet aan de voorwaarden voor ziekenfondsverzekering, dit in weerwil van het bepaalde in lid 3 van artikel 3d van de Ziekenfondswet, waarin wordt vermeld dat bij de toepassing van het eerste lid buiten beschouwing blijven wijzigingen in het inkomen die door de inspecteur van de rijksbelastingdienst na 1 oktober worden vastgesteld.

15. Uit de onder 5. vermelde interne aantekeningen van de behandelend ambtenaar komt weliswaar naar voren dat het zijn bedoeling is geweest slechts eenmalig (alleen voor 2004) een positieve verklaring af te geven, waaraan voor de daarop volgende jaren geen rechten kunnen worden ontleend, doch de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat dit standpunt van de behandelend ambtenaar naar eiser toe kenbaar is gemaakt. Daarbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Uit de interne notitie zelf blijkt niet dat de inhoud naar buiten toe kenbaar is gemaakt. De echtgenote van eiser heeft ter zitting stellig ontkend dat haar in het telefonisch contact met de medewerker van de belastingdienst, of haar dan wel haar echtgenoot anderszins, expliciet is meegedeeld dat de positieve verklaring alleen voor 2004 en niet voor latere jaren wordt verstrekt. Zij heeft ter zitting verder meegedeeld dat de interne notitie mogelijk betrekking heeft op een gesprek met de boekhouder van eiser, maar dat zij en haar man daaromtrent niets van de boekhouder hebben vernomen. Voor de rechtbank is er geen aanleiding deze stelling van de echtgenote in twijfel te trekken. Door verweerder is ter zitting – hoewel daartoe in de gelegenheid - niet bevestigd dat de intentie van de behandelend ambtenaar, zoals deze uit de interne notitie naar voren komt, aan de boekhouder van eiser is meegedeeld, zodat er voor de rechtbank geen aanleiding is aan te nemen dat dit daadwerkelijk is geschied. Daarnaast staat vast dat verweerder de uit de interne notitie van de behandeld ambtenaar blijkende intentie, niet schriftelijk – in de uitspraak op het bezwaarschrift of in een nadere brief - heeft gecommuniceerd met eiser.

16. Op grond van hetgeen onder 15 is overwogen, in onderling verband en samenhang bezien met het gegeven dat zowel de verklaring over 2004 als de verklaring over 2005 dient te worden gebaseerd op hetzelfde inkomen, namelijk dat over 2002, is de rechtbank van oordeel dat het handelen van verweerder – het na bezwaar alsnog afgeven van een positieve verklaring over 2004, met als enige argument dat uit zijn gegevens is gebleken dat eiser in het kalenderjaar waarvoor de verklaring is afgegeven als zelfstandige voldoet aan de voorwaarden voor ziekenfondsverzekering – bij eiser redelijkerwijs de indruk heeft kunnen wekken dat dit handelen berustte op een bewuste standpuntbepaling van verweerder, inhoudende dat ook voor het jaar 2005 een positieve verklaring zal worden afgegeven. Door onder de gegeven omstandigheden een negatieve verklaring voor 2005 af te geven heeft verweerder het bij eiser opgewekte, in rechte te beschermen, vertrouwen geschonden. Het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel slaagt derhalve. Verweerder dient derhalve ook ten aanzien van het jaar 2005 een positieve verklaring af te geven.

17. Het beroep is gegrond.

18. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb, aangezien niet van dergelijke kosten is gebleken.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. H.H.A. Fransen, rechter. De beslissing is op 29 juni 2005 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. J. de Jong, griffier.

Afschrift aangetekend

verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Leeuwarden (belastingkamer), Postbus

1704, 8901 CA Leeuwarden

dan wel

- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een schriftelijke verklaring van de wederpartij gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank;

2 - tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal de rechtbank deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.