Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2005:AU0471

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
22-07-2005
Datum publicatie
04-08-2005
Zaaknummer
05/1016 en 05/1021
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Vergunning voor het exploiteren van een horecabedrijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2005/740

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nrs.:

05/1016 en 05/1021

Inzake de gedingen tussen

[verzoekers], wonende te [woonplaats], verzoekers,

gemachtigde: mr. J.S. Leenstra, wonende te Koudum,

en

1. de burgemeester van Gaasterlân-Sleat, verweerder sub 1,

2. het college van burgemeester en wethouders van Gaasterlân-Sleat, verweerder sub 2,

gemachtigde: mr. J.V. van Ophem, advocaat te Leeuwarden.

Procesverloop

Verweerder sub 1 heeft bij besluit van 19 mei 2005 op grond van art. 2.3.1.2 van de Algemeen Plaatselijke Verordening (APV) een vergunning aan [W.] verleend voor het exploiteren van een horecabedrijf op het perceel [adres] te [woonplaats].

Verweerder sub 2 heeft bij besluit van 17 mei 2005 op grond van art. 3 Drank- en Horecawet aan[W.] een vergunning verleend voor het uitoefenen van een horecabedrijf op het hiervoor vermelde perceel.

Verzoekers hebben tegen deze besluiten een bezwaarschrift ingediend. Tevens hebben verzoekers zich bij brief van 28 juni 2005 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om op grond van art. 8:81 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat de bestreden besluiten worden geschorst. Het verzoek met betrekking tot de drank- en horecavergunning is bij de rechtbank bekend onder nummer 05/1016 en het verzoek met betrekking tot de exploitatievergunning is geregistreerd onder nummer 05/1021.

De verzoeken zijn gevoegd ter zitting behandeld op 20 juli 2005. Verzoekers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.S. Leenstra. Namens verweerder is mr. J.V. van Ophem verschenen, vergezeld van [K.], die werkzaam is bij verweerders gemeente. Namens [W], die op de voet van art. 8:26 lid 1 Awb aan het geding deel neemt, is haar echtgenoot [W.] verschenen.

Motivering

Op grond van art. 8:81 lid 1 Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de verzoeken overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoekers te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoekers een spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorlopige voorzieningen.

Voor zover de beoordeling van de verzoeken met zich brengt dat de geschillen in de hoofdzaak worden beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter.

Aan verzoeken als de onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden.

De voorzieningenrechter baseert zich bij haar oordeelsvorming op onderstaande feiten en omstandigheden.

Het echtpaar [W.] is eigenaar van het perceel [adres] te [woonplaats]. Op dit perceel worden door de Stichting De Teatertún (verder: de stichting) culturele voorstellingen in een openluchttheater georganiseerd, zoals koffieconcerten, culturele avonden, vertellingen, toneelvoorstellingen, concerten en Friese avonden.

Bij besluit van 25 maart 2003 is aan de stichting een vergunning op grond van art. 4 Drank- en Horecawet verleend. Deze vergunning is verleend onder de voorwaarde dat de stichting zich dient te onthouden van commerciële horeca-activiteiten, alsmede van het aantrekken van activiteiten, die niet in overeenstemming zijn met de doelstelling van de stichting.

Verzoekers, die woonachtig zijn in de directe omgeving van het perceel [adres], hebben destijds een bezwaarschrift tegen het hiervoor bedoelde besluit ingediend. Voorts hebben zij een bezwaarschrift ingediend tegen de weigering van verweerder sub 1 om handhavend op te treden tegen het uitoefenen van -kort gezegd- het uitoefenen van een horecabedrijf zonder de daartoe vereiste exploitatievergunning. Zij zijn tegen de beslissingen op deze bezwaarschriften in beroep gegaan bij deze rechtbank en hebben tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Deze zaken zijn bij de rechtbank bekend onder de registratienummers 04/698, 04/699, 04/741 en 04/742. De voorzieningenrechter heeft gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid als bedoeld in art. 8:86 Awb en direct uitspraak gedaan in de hoofdzaken. Hij heeft de beroepen ongegrond verklaard en de verzoeken om voorlopige voorziening afgewezen. Verzoekers hebben tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld. In het vervolg van deze uitspraak zal worden ingegaan op de betekenis hiervan voor de gedingen, die thans aan de orde zijn.

[W.] heeft op 23 maart 2004 een vergunning als bedoeld in art. 3 van de Drank- en Horecawet aangevraagd voor het uitoefenen van een horecabedrijf op het perceel [adres]. In de aanvraag wordt vermeld dat het bedrijf -met uitzondering van de maandag- dagelijks geopend is van 11.00 uur tot uiterlijk 24.00 uur. Het sluitingstijdsip verschilt per dag. Hierbij is vermeld dat de openingstijden "afhankelijk van de lopende aktiviteiten" zijn.

Voorts heeft [W.] op 17 juni 2004 een exploitatievergunning aangevraagd.

De gevraagde vergunningen zijn bij besluiten van respectievelijk 17 mei 2005 en 19 mei 2005 verleend. De vergunning, die op grond van art. 4 Drank- en Horecawet aan de stichting was verleend, is hierbij ingetrokken. Aan de exploitatievergunning zijn enkele voorschriften verbonden, die -voor zover hier van belang- als volgt luiden:

* Zoveel mogelijk dient te worden voorkomen dat geluidsoverlast in welke vorm dan ook, wordt veroorzaakt door bezoekers dan wel apparaten en toestellen in het horecabedrijf, zowel in als in de onmiddellijke omgeving van het horecabedrijf, een en ander met inachtneming van het bepaalde in de Wet Milieubeheer en het Besluit van horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer.

* Bezoekers van het horecabedrijf dienen hun voertuigen (auto's, motoren e.d.) op een zodanige manier te parkeren dat de overlast voor de omgeving tot een minimum beperkt wordt.

* Bezoekers van het horecabedrijf dienen geen overlast te veroorzaken door vervuiling van de omgeving en/of voor het nabij het horecabedrijf rondhangen.

In de vergunning wordt vermeld dat deze voorschriften gelden voor de ondernemer dan wel de leidinggevende(n).

Verzoekers hebben in bezwaar aangevoerd dat zij door de verlening van de vergunningen ernstig worden aangetast in hun woongenot, terwijl tevens de landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarden van het Rijsterbos in geding zijn. Verweerder heeft volgens hen in strijd met art. 3:2 Awb geen rekening gehouden met deze belangen. De vergunningen zijn bovendien in strijd met het geldende en het toekomstige bestemmingsplan, het Streekplan 1994 en het voorontwerp-Streekplan 2006 verleend. Verder zijn de voorschriften, die aan de exploitatievergunning zijn verbonden, onvoldoende bepaald. Ten slotte heeft verweerder sub 2 door het verlenen van een vergunning op grond van art. 3 Drank- en Horecawet miskend dat het horecabedrijf van de stichting een para-commerciële inrichting betreft, die niet op commerciële wijze mag worden uitgebaat, aldus nog steeds verzoekers.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

in de zaak met het registratienummer 05/1016 (drank- en horecavergunning)

Op grond van art. 28 lid 1 Drank- en Horecawet wordt een vergunning verleend, indien geen van de in art. 27 van deze wet genoemde weigeringsgronden aanwezig is. Er is in dit geding gesteld noch gebleken dat één van deze weigeringsgronden zich voordoet. Verzoekers hebben weliswaar betoogd dat het bestemmingsplan en het streekplan zich tegen verlening van de vergunning verzetten, maar anders dan verzoekers kennelijk menen levert strijd met deze ruimtelijke plannen geen weigeringsgrond voor de vergunning op, nu deze grond niet voorkomt in de limitatief-imperatieve opsomming van art. 27 voornoemd. Gelet op dit limitatief-imperatieve stelsel is een belangenafweging, zoals verzoekers voorstaan, evenmin aan de orde.

Wat betreft de stelling dat het horecabedrijf ten behoeve van de Teatertún niet op commerciële basis geëxploiteerd mag worden, wordt overwogen dat verzoekers er aan voorbij zien dat de vergunning niet door de stichting, maar door [W.] is aangevraagd. De situatie als bedoeld in art. 4 lid 1 van de Drank- en Horecawet doet zich -anders dan in 2003, toen door de stichting een vergunning werd aangevraagd- dan ook niet voor, zodat het stellen van beperkende voorschriften in verband met de bescherming van de belangen van commerciële inrichtingen niet mogelijk is.

Gelet op het vorenstaande was verweerder sub 2 gehouden om de gevraagde vergunning te verlenen, zodat het bezwaarschrift ongegrond verklaard zal moeten worden. Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen zal daarom worden afgewezen.

De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig om een proceskostenveroordeling uit te spreken.

in de zaak met het registratienummer 05/1021 (de exploitatievergunning)

In art. 2.3.1.2 lid 2 APV is bepaald dat de burgemeester de exploitatievergunning weigert, indien de vestiging of de exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan. Toetsing aan het toekomstige bestemmingsplan is derhalve niet aan de orde.

In het derde lid van art. 2.3.1.2 voornoemd is bepaald dat de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk kan weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf.

Tussen partijen is allereerst in geschil of de vestiging van het horecabedrijf in strijd is met het bestemmingsplan. In dit verband wordt voorop gesteld dat de voorzieningenrechter in zijn uitspraak van 16 juli 2004 heeft geoordeeld dat horeca-activiteiten in overeenstemming zijn met de bestemming "passieve recreatie", die ter plaatse van het openluchttheater -althans het deel van het perceel, dat kadastraal bekend is als gemeente Balk, sectie K, nummer 648- op het perceel rust. Hij heeft hiertoe overwogen dat uit de doeleindenomschrijving blijkt dat gronden met deze bestemming uitsluitend bestemd zijn voor openluchttheater met daarbij behorende gebouwen, andere bouwwerken en andere werken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet het verstrekken van consumpties in het algemeen als een vanzelfsprekend bestanddeel van het dienstenpatroon van een dergelijke instelling worden gezien, voor zover dit althans plaatsvindt in het kader van theatervoorstellingen, waarbij (uitsluitend) aan bezoekers daarvan wordt geserveerd. Nu tegen deze uitspraak geen hoger beroep is ingesteld, dient er ook in dit geding vanuit te worden gegaan dat de in de uitspraak van 16 juli 2004 bedoelde horeca-activiteiten in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan zijn.

Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de bezwaren van verzoekers vooral gericht zijn tegen de uitbreiding van de horeca-activiteiten, die in hun beleving thans aan de orde is. Volgens verzoekers is op grond van het geldende bestemmingsplan uitsluitend horeca toegestaan, die de theaterfunctie ondersteunt. [W.] beoogt evenwel een horecafunctie, die veel verder gaat. Zo worden er bijvoorbeeld met enige regelmaat bruiloften georganiseerd, die niets van doen hebben met het openluchttheater. Verweerder sub 1 heeft in reactie hierop gesteld dat vanwege de horeca-activiteiten op het perceel hoe dan ook een exploitatievergunning vereist is. Op grond van het bestemmingsplan is inderdaad alleen horeca toegestaan, die de theaterfunctie ondersteunt. In het geval er toch sprake zou zijn van horeca-activiteiten die deze ondersteunende functie te boven gaan, kan op grond van het bestemmingsplan handhavend worden opgetreden. Het weigeren van de vergunning enkel en alleen omdat er incidenteel bruiloften worden gehouden, gaat veel te ver, aldus verweerder sub 1. Hij heeft hier nog aan toegevoegd dat volgens vaste jurisprudentie de gebruiksvoorschriften van een bestemmingsplan niet het kader bieden om kortdurend en incidenteel strijdig gebruik tegen te gaan. Of daarvan in dit geval sprake is, staat volgens verweerder sub 1 evenwel in het kader van de onderhavige procedure niet ter discussie.

De voorzieningenrechter overweegt hieromtrent dat verweerder sub 1 op zichzelf bezien terecht heeft gesteld dat een volledige weigering van de vergunning niet mogelijk moet worden geacht, nu de vergunning in ieder geval (ook) is aangevraagd voor het uitoefenen van een horecabedrijf, dat bedoeld is om de theaterfunctie te ondersteunen. Zij kan zich evenwel bepaald niet aan de indruk onttrekken dat de exploitatievergunning en de drank- en horecavergunning mede zijn aangevraagd met het oog op het ontwikkelen van zelfstandige horeca-activiteiten. Ter zitting is immers door de echt[W.][W.] desgevraagd verklaard dat er incidenteel ook bruiloften en andere feesten worden georganiseerd, die niet -althans niet onlosmakelijk- verband houden met de theaterfunctie. Juist om die reden is ook een vergunning op grond van art. 3 Drank- en Horecawet aangevraagd, teneinde duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of zelfstandige horeca ter plaatse is toegestaan, aldus [W.]. Hij heeft in dit verband wel benadrukt dat het om bruiloften gaat met een "cultureel tintje", zodat er in zoverre wel een verband bestaat met de activiteiten van de Teatertún. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het onder deze omstandigheden op de weg van verweerder sub 1 had gelegen om in het kader van het besluit tot vergunningverlening tot uitdrukking te brengen dat de vergunning uitsluitend wordt verleend voor horeca-activiteiten, die verband houden met de theatervoorstellingen. Andere vormen van horeca zijn immers in strijd met de bepalingen van het geldende bestemmingsplan, zodat in zoverre sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in art. 2.3.1.2 lid 2 APV. Dit geldt ook voor de door [W.] bedoelde bruiloften en andere feesten met een cultureel tintje. Deze activiteiten hebben als zodanig niets of in ieder geval weinig van doen met het houden van voorstellingen in het openluchttheater, zodat in zoverre niet gesproken kan worden van activiteiten die onder de bestemming "passieve recreatie" vallen. Het kortstondig en incidenteel afwijken van het toegestane gebruik mag dan in beginsel toelaatbaar worden geacht, van de activiteiten waar het hier om gaat kan bezwaarlijk worden gezegd dat het om kortstondig en incidenteel strijdig gebruik gaat. In dit verband wordt er op gewezen dat van de zijde van verweerder sub 1 ter zitting is verklaard dat er in de maand augustus 2005 ter plaatse drie bruiloften zullen plaatsvinden. Bovendien wordt er op de website van de Teatertún onder andere vermeld dat "Deze fraai ontworpen tuin is bij uitstek geschikt voor familiefeesten en sfeervolle bijeenkomsten van groepen en bedrijven". Het heeft er dan ook alle schijn van dat het uitoefenen van zelfstandige horeca-activiteiten een structureel onderdeel van de bedrijfsvoering is geworden. De omstandigheid dat deze activiteiten veel beperkter zijn dan bij een regulier horecabedrijf het geval is, doet hier niet aan af. Het gaat er immers om of er sprake is van gebruik, dat in strijd is met het bestemmingsplan. Nu, zoals hiervoor al overwogen, daarvan sprake is, moet worden geoordeeld dat verweerder sub 1 ten onrechte een exploitatievergunning heeft verleend die ook zelfstandige horeca-activiteiten mogelijk maakt. Tegen dit strijdig gebruik kan weliswaar op basis van het bestemmingsplan worden opgetreden, maar dit laat onverlet dat verweerder bevoegd èn gehouden is om het bereik van de exploitatievergunning te beperken tot dat deel van de horeca-activiteiten, dat in overeenstemming is met het bestemmingsplan, nu reeds bij voorbaat vast staat dat op het perceel ook (structureel) zelfstandige horeca-activiteiten worden uitgeoefend. Anders dan verweerder sub 1 kennelijk meent, gaat het dus niet alleen maar om een kwestie, die louter via de weg van handhaving kan of hoeft te worden opgelost. Het bestreden besluit kan in heroverweging dan ook niet onverkort gehandhaafd worden.

De voorzieningenrechter acht, in weerwil van het vorenstaande, evenwel geen termen aanwezig om een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk wordt geschorst. Zij overweegt hiertoe dat gesteld noch gebleken is dat er, voordat op het bezwaarschrift moet worden beslist, meer dan drie bruiloften (of andere festiviteiten, die geen verband houden met het openluchttheater) op het in geding zijnde perceel zullen plaatsvinden. De aard van de festiviteiten en het aantal zijn niet zodanig, dat geoordeeld moet worden dat onverwijlde spoed het treffen van een voorlopige voorziening noodzakelijk maakt. Dit laat evenwel onverlet dat, zoals hiervoor ook al overwogen, het bestreden besluit in heroverweging niet in stand kan blijven voor zover het om de zelfstandige horeca-activiteiten gaat.

Overigens wordt met betrekking tot de exploitatievergunning overwogen dat toetsing van de aanvraag aan het (voorontwerp-) Streekplan, gelet op het bepaalde in art. 2.3.1.2 APV, niet aan de orde is. Voor het meewegen van natuur- en milieubelangen is evenmin ruimte. Zoals de voorzieningenrechter in zijn uitspraak van 16 juli 2004 ook al heeft overwogen kunnen dergelijke belangen, gelet op het toetsingskader van art. 2.3.1.2 APV, niet aan het verlenen van de exploitatievergunning in de weg staan.

Ten slotte resteert de vraag of, zoals verweerder sub 1 heeft betoogd en verzoekers hebben betwist, de belangen van verzoekers voldoende worden beschermd door de aan de vergunning verbonden voorschriften. Volgens verzoekers brengen de voorschriften niet tot uitdrukking dat de rust en de stilte in het Rijsterbos gerespecteerd moeten worden. Daarnaast is niet geregeld waar de bezoekers van het horecabedrijf hun auto's moeten parkeren. Verder zouden de voorschriften onvoldoende handhaafbaar zijn. De voorzieningenrechter overweegt hieromtrent dat verweerder terecht heeft opgemerkt dat het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer reeds een belangrijk deel van alle mogelijk denkbare vormen van hinder bestrijkt. De reikwijdte van de exploitatievergunning is in zoverre dan ook beperkt. Het gaat dan vooral om het beperken van overlast, die verband houdt met de verstoring van de openbare orde. De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig voor het oordeel dat verweerder sub 1 in zoverre meer of andere voorschriften aan de vergunning had moeten verbinden dan thans het geval is. Daarbij wordt mede de aard van de inrichting in aanmerking genomen. Voorts wordt er op gewezen dat, zoals verweerder sub 1 ter zitting ook heeft erkend, voor evenementen die vallen onder de werkingssfeer van art. 2.2.1 APV, een evenementenvergunning is vereist waaraan voorschriften kunnen worden verbonden ter bestrijding van overlast.

Voor het stellen van voorschriften in verband met de stilte en rust in het Rijsterbos is reeds geen plaats vanwege de omstandigheid dat -zoals hiervoor ook al overwogen- de bescherming van natuur- en milieubelangen niet tot de belangen kunnen worden gerekend, die art. 2.3.1.2 APV beoogt te beschermen.

Het betoog van verzoekers dat de voorschriften onduidelijk zijn en daarom slecht handhaafbaar treft wel doel. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het voorschrift met betrekking tot het voorkomen van parkeeroverlast onvoldoende duidelijk maakt wat op dit punt precies van de vergunninghouder wordt verwacht. Bij het nemen van de beslissing op bezwaar zal verweerder sub 1 daarom dit voorschrift nader moeten preciseren en voorts moeten ingaan op het bezwaar van verzoekers dat niet duidelijk is waar de auto's van bezoekers van de inrichting geparkeerd dienen te worden. Er worden evenwel geen termen aanwezig geacht om met het oog op dit aspect van de zaak een voorlopige voorziening te treffen. Het gaat immers om een gebrek, dat in bezwaar hersteld kan worden. Bovendien is gesteld noch gebleken dat, voordat op het bezwaar moet worden beslist, sprake zal zijn van bijeenkomsten die tot (grote) parkeeroverlast zullen leiden.

De voorzieningenrechter komt tot de slotsom dat ook dit verzoek zal moeten worden afgewezen. Nu op grond van het voorlopig rechtmatigheidsooordeel evenwel moet worden vastgesteld dat het bestreden besluit in de hoofdzaak niet volledig in stand kan blijven, wordt aanleiding gezien om te bepalen dat verweerder sub 1 het door verzoekers betaalde griffierecht van 138,00 euro aan hen moet vergoeden. De voorzieningenrechter wijst de gemeente Gaasterlân-Sleat aan als de rechtspersoon die het griffierecht moet betalen.

Voorts veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder sub 1 in de proceskosten van verzoekers. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de proceskosten van verzoekers vastgesteld op 644,00 euro (verzoekschrift 1 punt; verschijnen ter zitting 1 punt; waarde per punt 322,00 euro; gewicht van de zaak: gemiddeld) ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De voorzieningenrechter wijst de gemeente Gaasterlân-Sleat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

in de zaak met het registratienummer 05/1016

- wijst het verzoek af;

in de zaak met het registratienummer 05/1021

- wijst het verzoek af;

- bepaalt dat de gemeente Gaasterlân-Sleat het betaalde griffierecht van 138,00 euro aan verzoekers vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers ten bedrage van 644,00 euro, aan verzoekers te vergoeden door de gemeente Gaasterlân-Sleat.

Aldus gegeven door mr. C.M. Telman, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2005, in tegenwoordigheid van mr. B.M. van der Doef als griffier.

B.M. van der Doef C.M. Telman

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Reg.nrs.:

05/1016 en 05/1021

blad 7