Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2005:AT9798

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
19-07-2005
Datum publicatie
21-07-2005
Zaaknummer
04/1076
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werkloosheidswet. Sanctie wegens onvoldoende solliciteren. Betrokkene heeft twee keer gesolliciteerd op de functie van onderhoudstimmerman: één keer bij de stichting Palet en één keer bij een bejaardentehuis. Het bejaardentehuis bleek later aangesloten bij voormelde stichting, zodat feitelijk twee keer is gesolliciteerd op dezelfde functie. Betrokkene wist dit niet. Verminderde verwijtbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 04/1076

Inzake het geding tussen

[naam eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. H. B. Th. Koekoek, werkzaam bij CNV Bouwbond te Drachten,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder,

gemachtigde: A.B. Froentjes, werkzaam bij verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 18 augustus 2004 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Werkloosheidswet (WW).

Tegen dit besluit is namens eiser beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 5 juli 2005. Eiser en zijn gemachtigde zijn met kennisgeving niet verschenen. Verweerder is bij voornoemde gemachtigde verschenen.

Motivering

Eiser, geboren op 14 juni 1957, is op 22 maart 2004 werkloos geworden en ontvangt een uitkering in het kader van de WW. Eiser is bij aanvang van zijn uitkering gewezen op de sollicitatieverplichting van minimaal één sollicitatie per week.

Op de inkomstenverklaring over de periode van 19 april tot en met 16 mei 2004 heeft eiser aangegeven dat hij iedere week minimaal één sollicitatieactiviteit heeft verricht, waaronder een telefonische sollicitatie op 11 mei 2004 bij de Stichting Palet naar de functie van onderhoudstimmerman. Voorts heeft hij aangegeven dat hem is medegedeeld dat deze Stichting in eerste instantie geen onderhoudstimmerman nodig had en dat hij werd uitgenodigd een open sollicitatie te schrijven.

Op de inkomstenverklaring over de periode van 17 mei tot en met 13 juni 2004 heeft eiser ook minimaal één sollicitatieactiviteit vermeld, waaronder een open sollicitatie bij de Stichting Palet op 27 mei 2004 naar de functie van onderhoudstimmerman. Voorts heeft hij vermeld dat hij een afwijzing heeft ontvangen, omdat de functie reeds zou zijn vervuld.

Bij brief van 15 juni 2004 heeft verweerder eiser medegedeeld dat uit een onderzoek naar zijn sollicitatieactiviteiten is gebleken dat hij in de periode van 17 mei tot en met 13 juni 2004 heeft gesolliciteerd naar de functie van onderhoudstimmerman, maar dat hij blijkens de inkomstenverklaring over de periode van 19 april tot en met 16 mei 2004 bij dezelfde werkgever (de Stichting Palet) heeft gesolliciteerd op dezelfde functie. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser in onvoldoende mate heeft getracht passende arbeid te verkrijgen, zodat gedurende 16 weken een maatregel van 20% wordt opgelegd.

In bezwaar heeft eiser aangegeven dat hij niet bewust twee maal bij dezelfde werkgever heeft gesolliciteerd. De tweede keer heeft hij gesolliciteerd bij een bejaardentehuis, waarvan hij niet wist dat dit was aangesloten bij de Stichting Palet. Dit realiseerde hij zich pas toen hij een afwijzingsbrief van de Stichting Palet ontving.

Bij thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard onder verwijzing naar de artikelen 24 en 27 WW.

In beroep is namens eiser aangevoerd dat verweerder niet door middel van bijvoorbeeld vacatures heeft aangetoond dat eiser in de periode van 17 mei 2004 tot 13 juni 2004 kansen op voor hem passend werk heeft gemist. Hiermee moet bij het opleggen van een maatregel rekening worden gehouden. Eiser heeft gesteld dat hij voldoende heeft gesolliciteerd. Als dat al anders zou zijn, wat eiser ontkent, dan is er nog geen verband vast te stellen tussen in onvoldoende mate trachten arbeid te vinden en werkloos zijn en blijven. Alleen daarom al is een maatregel als deze niet te onderbouwen. Verder heeft eiser nogmaals benadrukt dat hij niet wist dat hij tweemaal bij dezelfde organisatie solliciteerde.

Bij verweerschrift van 26 oktober 2004 heeft verweerder gesteld dat eiser heeft aangegeven dat hij op 11 mei 2004 bij de Stichting Palet heeft gesolliciteerd naar de functie van onderhoudstimmerman en dat hem toen is medegedeeld dat er geen onderhoudstimmerman nodig was en dat hij maar een open sollicitatie moest schrijven. Dit heeft eiser kennelijk gedaan, zo heeft verweerder gesteld, nu hij heeft aangegeven op 27 mei 2004 bij de Stichting Palet naar de functie van onderhoudstimmerman te hebben gesolliciteerd. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat niet anders kan worden geconcludeerd, dan dat het hier om één en dezelfde functie gaat. Voorts heeft verweerder opgemerkt dat het merkwaardig is dat eerst werd aangegeven dat geen onderhoudstimmerman nodig was en vervolgens dat de functie al vervuld was. Verweerder meent tenslotte dat hij in het geval van eiser niet hoeft aan te tonen dat er geschikte concrete vacatures waren.

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit terecht en op goede gronden is genomen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 24, eerste lid, sub b, onder 1° van de WW bepaalt – voor zover hier van belang - dat de werknemer voorkomt dat hij werkloos is of blijft doordat hij in onvoldoende mate tracht passende arbeid te verkrijgen.

Artikel 27, derde lid, van de WW bepaalt – voor zover hier van belang - dat indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel b, onder 1° opgelegd, niet of niet behoorlijk is nagekomen, het UWV de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk weigert.

Artikel 27, vierde lid, van de WW bepaalt dat een maatregel als bedoeld in het derde lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de werknemer de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Artikel 27, zesde lid, van de WW bepaalt dat, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, het UWV kan besluiten van het opleggen van een maatregel af te zien.

In artikel 27, achtste lid, van de WW wordt tenslotte bepaald dat het UWV nadere regels met betrekking tot het derde en vierde lid stelt.

De in artikel 27, achtste lid, van de WW bedoelde “nadere regels” staan in het Maatregelenbesluit Tica van 6 juni 1996. In dit besluit staat per overtreding uit (onder andere) de WW, welke maatregel daarvoor dient te worden opgelegd. Op basis van artikel 6 van het Maatregelenbesluit Tica, in combinatie met de bijlage onder C, vierde categorie onder 1°, is de hoogte en de duur van de maatregel 20% gedurende 16 weken, dan wel, indien de mate van verwijtbaarheid van de gedraging van de verzekerde daartoe aanleiding geeft, 10% gedurende 16 weken.

De verplichting tot het in voldoende mate trachten arbeid te verkrijgen vloeit rechtstreeks voort uit de WW. Het vereiste van vier sollicitaties per vier weken vloeit niet rechtstreeks uit de wet voort, maar is in het “Besluit sollicitatieplicht werknemers” opgenomen, welk besluit afkomstig is van het UWV en dat, blijkens artikel 1 van genoemd besluit, het beleid van het UWV weergeeft. In de bijlage bij dit besluit staat dat van de werknemer, die in aanmerking komt voor een WW-uitkering, in het algemeen wordt verwacht dat hij minimaal één concrete sollicitatieactiviteit per week verricht. Voor de vaststelling of is voldaan aan de sollicitatieplicht wordt rekening gehouden met een aantal aspecten, waaronder het aantal beschikbare vacatures, aldus deze bijlage. Het Besluit sollicitatieplicht werknemers beoogt derhalve een richtsnoer te geven waarbij op grond van individuele omstandigheden van het geval beoordeeld zal moeten worden of de uitkeringsgerechtigde al dan niet aan zijn sollicitatieplicht heeft voldaan.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiser twee maal in korte tijd bij dezelfde werkgever (naar achteraf bleek) en naar dezelfde functie heeft gesolliciteerd. De rechtbank overweegt dat de doelstelling van het ondernemen van sollicitatieactiviteiten het verkrijgen van arbeid is en dat daarbij de aanname geldt dat iemand, indien hij voldoende inspanningen aan de dag legt, een meer dan hypothetische kans heeft om passende arbeid te vinden. Wanneer nu de sollicitatieactiviteiten bij meerdere werkgevers plaatsvinden, is de kans op het vinden van passende arbeid groter dan wanneer meerdere sollicitatieactiviteiten bij één werkgever plaatsvinden.

Eiser heeft tweemaal in een tijdsbestek van ruim twee weken bij één werkgever, Stichting Palet, gesolliciteerd naar de functie van onderhoudsmonteur. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit terecht niet gezien als het verrichten van meerdere sollicitatieactiviteiten maar als één sollicitatieactiviteit. Daarmee heeft eiser niet voldaan aan de verplichting om vier (voldoende) concrete sollicitatieactiviteiten te ondernemen.

Het overtreden van de desbetreffende verplichting heeft op grond van de wettelijke bepalingen tot gevolg dat verweerder een maatregel moet opleggen. Artikel 6, eerste lid, van het Maatregelenbesluit TICA schrijft in een geval als dit in beginsel een korting van 20% gedurende 16 weken voor. Verweerder heeft terecht kunnen stellen dat eiser verwijtbaar heeft gehandeld, omdat hij het verzuim nog binnen de voor het inkomstenformulier geldende termijn heeft ontdekt en derhalve nog had kunnen herstellen. Naar het oordeel van de rechtbank is het echter niet onaannemelijk dat –zoals eiser stelt- het hem niet duidelijk was dat hij bij één en dezelfde werkgever solliciteerde en dat hij dit pas bij de afwijzingsbrief ontdekte. In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank aanleiding om aan te nemen dat bij eiser sprake is van verminderde verwijtbaarheid.

Het bovenstaande leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd en voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met artikel 7:12, lid 1 Awb. Het beroep van eiser moet derhalve gegrond worden verklaard.

Gelet op het bovenstaande en op het bepaalde in artikel 8:74 Awb dient het UWV het door eiser betaalde griffierecht van € 37,= aan hem te vergoeden.

Op grond van artikel 8:75 Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het besluit proceskosten bestuursrecht belopen de proceskosten € 322,= (beroepschrift 1 punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322,=) ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank wijst het UWV aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 37,= aan eiser vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 322,= aan eiser te vergoeden door het UWV.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, rechter, in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2005, in tegenwoordigheid van mr. J. Dijkstra als griffier.

w.g. J. Dijkstra

w.g. E. de Witt

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: 19 juli 2005