Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2005:AT9535

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
27-06-2005
Datum publicatie
21-07-2005
Zaaknummer
04/1059
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verwijtbare werkloosheid. Voortzetting dienstverband kon redelijkerwijs worden gevergd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 04/1059

Inzake het geding tussen

[A], wonende te [B], eiseres,

Gemachtigde: mr. P. van Wijngaarden, advocaat te Groningen,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: mr. A.C. van Staalduinen.

Procesverloop

Bij brief van 3 september 2004 heeft verweerder eiseres mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Werkloosheidswet (WW).

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 14 juni 2005. Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is bij gemachtigde verschenen.

Motivering

Eiseres, geboren op 29 augustus 1963, heeft in de periode van 2 april 2003 tot 19 februari 2004 voor vijf verschillende werkgevers gewerkt en is in de periode van 19 december 2003 tot 28 december 2003 en vanaf 7 januari 2004 wegens ziekte uitgevallen van haar werk.

Bij brief van 30 januari 2004 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat haar uitkering met ingang van 7 januari 2004 in het kader van Ziektewet (ZW) wordt geschorst op grond van artikel 47a, lid 3, onder c ZW.

Bij brief van 17 februari 2004 heeft verweerder eiseres medegedeeld dat zij met ingang van 19 februari 2004 geen recht (meer) heeft op ziekengeld, omdat zij naar de mening van verweerder niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid.

Bij besluit van 18 februari 2004 heeft verweerder eiseres alsnog een uitkering in het kader van de ZW toegekend vanaf 7 januari 2004.

Bij aanvraagformulier van 19 februari 2004 heeft eiseres bij verweerder een aanvraag ingediend voor een WW-uitkering per diezelfde datum.

Bij besluit van 19 maart 2004 heeft verweerder de aanvraag voor een werkloosheidsuitkering van eiseres afgewezen, omdat zij in de 39 weken voorafgaande aan haar werkloosheid geen 26 weken heeft gewerkt.

Bij bezwaarschrift van 18 maart 2004 heeft eiseres aangegeven dat zij wel 26 weken heeft gewerkt. Zij had echter niet alle gewerkte weken opgegeven, omdat haar niet duidelijk was welke perioden relevant waren voor de beoordeling.

Bij brief van 20 juli 2004 heeft verweerder eiseres medegedeeld voornemens te zijn het besluit van 19 maart 2004 te wijzigen, in die zin dat eiseres weliswaar voldoet aan de eis dat zij 26 weken heeft gewerkt, maar dat zij toch niet voor een uitkering in aanmerking komt, omdat zij verwijtbaar werkloos is geworden. Verweerder heeft gesteld dat eiseres bij ISS zelf ontslag heeft genomen, zonder dat aan de voortzetting van het dienstverband zodanige bezwaren waren verbonden dat dit redelijkerwijs niet van eiseres kon worden verlangd. Eiseres had met ISS een arbeidsovereenkomst tot en met 2 maart 2004, welke volgens de werkgever in ieder geval met een half jaar verlengd had kunnen worden. Weliswaar betrof het dienstverband met Adecco (bij Brouwers Stalinrichtingen) meer uren per week, maar dit was van tijdelijke aard en door Adecco zijn geen toezeggingen gedaan over de duur van het werk. Een WW-uitkering zal eiseres om deze reden blijvend geheel moeten worden geweigerd, tenzij het niet nakomen van de verplichting haar niet in overwegende mate kan worden verweten.

In reactie op dit voornemen heeft eiseres aangegeven dat haar werktijden bij ISS van 16.00-18.00 uur waren en bij Brouwers Stalinrichtingen van 12.30-16.30 uur en dat zij deze twee banen dus niet kon combineren. Nu eiseres bij Brouwers Stalinrichtingen meer uren kon werken betekende dit een positieverbetering. Ter hoorzitting van 27 augustus 2004 is aangegeven dat eiseres bij ISS schoonmaakster was en bij Brouwers Stalinrichtingen receptionist/telefonist en dat zij in deze laatste functie een hoger salaris had. Bovendien had Brouwers Stalinrichtingen aangegeven dat er een kans bestond om deze functie voor langere tijd te vervullen.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard en stelt hij zich op het standpunt dat sprake is van verwijtbare werkloosheid uit de voorlaatste dienstbetrekking van eiseres. Eiseres heeft zelf ontslag genomen per 11 november 2003 bij ISS, terwijl haar contract in ieder geval tot 2 maart 2004 liep en zij daarna (bij goed functioneren) voor een verlenging van een half jaar in aanmerking was gekomen, terwijl zij per 11 november 2003 een overeenkomst van tijdelijke aard heeft aanvaard, die zeker begin januari 2004 zou zijn beƫindigd in verband met een bedrijfsreorganisatie. Verweerder is van mening dat eiseres een voorzienbaar werkloosheidsrisico heeft genomen. Dat de arbeidsvoorwaarden bij Brouwers Stalinrichtingen beter waren ten opzichte van haar werkzaamheden bij ISS, neemt niet weg dat zij eerder dan strikt noodzakelijk een beroep heeft moeten doen op een WW-uitkering.

In beroep heeft eiseres aangevoerd dat zij het onterecht vindt dat zij schoonmaakwerk moet gaan doen, waarmee zij minder verdient, wat zij helemaal niet leuk vindt en ver beneden haar niveau is. Voorts heeft eiseres gesteld dat als zij niet ziek was geworden, zij nog steeds aan het werk was geweest, want tijdens haar opname in het ziekenhuis is zij geregeld gebeld door uitzendbureaus met werkaanbod.

In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit terecht en op goede gronden is genomen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Niet in geschil is dat eiseres voldoet aan de criteria gesteld in artikel 17 WW.

In artikel 24, lid 1 onder a WW is bepaald dat de werknemer voorkomt dat hij verwijtbaar werkloos wordt. Ingevolge artikel 24, lid 2 WW is een werknemer verwijtbaar werkloos geworden indien de dienstbetrekking eindigt of is beƫindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.

Op grond van het bepaalde in artikel 27, lid 1 WW weigert het UWV de uitkering blijvend geheel, indien de werknemer een verplichting die hem op grond van artikel 24, lid 1 onder a WW is opgelegd, niet nakomt, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert het UWV de uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk door het uitkeringspercentage te verlagen van 70 naar 35.

In artikel 27, lid 6 WW is verder bepaald dat indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn het UWV kan besluiten van het opleggen van een maatregel af te zien.

In dit geding dient in de eerste plaats de vraag te worden beantwoord of verweerder bij het bestreden besluit terecht en op goede gronden heeft beslist dat eiseres verwijtbaar werkloos is geworden.

De beoordeling van deze vraag dient in beginsel te worden gerelateerd aan de dienstbetrekking waaraan betrokkene het recht op uitkering ingevolge de WW ontleent. In een situatie als de onderhavige, waar betrokkene uit hoofde van haar laatste dienstbetrekking geen zelfstandig recht op uitkering heeft opgebouwd, nu zij in elk geval daar minder dan 26 weken arbeid heeft verricht, mag naar vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), zie onder meer RSV 1993/245, bij de beoordeling van het recht op uitkering de ontslagname uit de eerder dienstbetrekking in beschouwing worden genomen.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de werkloosheid van eiseres in overwegende mate een gevolg is van haar ontslagname bij ISS. Daar had zij in ieder geval tot 2 maart 2004 kunnen blijven werken en bij gelijkblijvende prestaties was haar contract naar alle waarschijnlijkheid met een half jaar verlengd, terwijl niet gebleken is dat aan eiseres door het uitzendbureau of Brouwers Stalinrichtingen toezeggingen zijn gedaan ten aanzien van een verlenging van haar uitzendcontract. Hieraan doet niet af dat eiseres, zoals zij ter zitting heeft gesteld, in de verwachting was dat zij mogelijk een contract voor onbepaalde tijd zou kunnen krijgen en dat zij, en ook de andere medewerkers, niet op de hoogte waren van een op handen zijnde reorganisatie. Eiseres heeft hierdoor eerder een beroep moeten doen op een uitkering die ten laste van het Werkloosheidsfonds komt.

Vervolgens is de vraag aan de orde of anderszins zodanige bezwaren aan de voortzetting van de dienstbetrekking verbonden waren dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van eiseres zou kunnen worden gevergd. Hierbij is zowel van belang in hoeverre eiseres in het oog heeft gehouden dat zij bij ontslagname geen of nauwelijks werkloosheidsrisco loopt, als de vraag of de ontslagredenen zodanig zwaarwegend zijn dat daardoor de ontslagname opweegt tegen het genomen werkloosheidsrisico. In het onderhavige geval is niet gebleken en ook niet gesteld dat er andere redenen waren voor ontslagname dan de voorkeur van eiseres om in een andere, voor haar geschiktere functie (receptioniste/telefoniste) bij Brouwers Stalinrichting te werken. In elk geval waren aan de voortzetting van de dienstbetrekking van eiseres bij ISS niet zodanige bezwaren verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van haar zou kunnen worden gevergd. Hoewel de rechtbank het begrijpelijk acht dat eiseres een voorkeur had voor het werk van receptionist/telefonist boven dat van schoonmaakster, waarmee zij bovendien meer loon verdiende en meer uren kon werken, is de rechtbank van oordeel dat eiseres in het kader van de onderhavige wetstoepassing kan worden verweten dat zij haar arbeidsovereenkomst met ISS tot 2 maart 2004 met uitzicht op verlening heeft opgezegd voor een tijdelijk contract waarvan niet duidelijk was wanneer het zou eindigen en waarmee zij derhalve een groter, dan wel zich eerder voordoend, werkloosheidsrisico liep.

Gelet op het bovenstaande dient geoordeeld te worden dat eiseres op 18 februari 2004 verwijtbaar werkloos is geworden.

Niet is gebleken dat het niet voorkomen van verwijtbare werkloosheid eiseres niet in overwegende mate zou kunnen worden verweten, zodat verweerder op grond van artikel 27, lid 1 WW gehouden was de maatregel van blijvend gehele weigering op te leggen. Daarbij overweegt de rechtbank dat verweerder in redelijkheid geen gebruik hoefde te maken van zijn bevoegdheid neergelegd in artikel 27, lid 6 WW, nu noch gesteld noch gebleken is van dringende redenen om van het opleggen van een maatregel af te zien.

Gelet op voorgaande overwegingen komt de rechtbank tot de conclusie dat het beroep van eiseres ongegrond moet worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2005 door voornoemde rechter in tegenwoordigheid van mr. J. Dijkstra als griffier.

w.g. J. Dijkstra

w.g. E. de Witt

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht.

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: 28 juni 2005