Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2005:AT9160

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
11-07-2005
Datum publicatie
13-07-2005
Zaaknummer
70668 KG ZA 05-153
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

CAO niet rechtsgeldig. VUT-regeling. Vroegpensioen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Leeuwarden

Sector civiel recht

afdeling handelsrecht

Korte Gedingen

Uitspraak: 11 juli 2005

Kort-geding-nummer: 70668/ KG ZA 05-153

VONNIS

van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Leeuwarden, in het kort geding van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

hierna te noemen: [eiser],

procureur: mr. V.M.J. Both,

advocaat: mr. J.G.N. Zincken te Amstelveen,

tegen

de stichting

STICHTING VRIJWILLIGE VERVROEGDE UITTREDING WERKNEMERS ENNA AEROSOLS,

gevestigd te Dokkum,

gedaagde,

hierna te noemen: de VUT stichting,

procureur: mr. P. Tuinman,

advocaat: mr. L.J.M. van Westerlaak te Utrecht.

PROCESGANG

[eiser] heeft de VUT stichting in kort geding doen dagvaarden tegen de openbare zitting van 27 juni 2005.

[eiser] heeft toen op de bij dagvaarding geformuleerde gronden gevorderd dat de rechter bij vonnis - zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut en op alle dagen en uren - de VUT stichting veroordeelt om het bepaalde in artikel 17B van de CAO jegens eiser na te komen, onder verbeurte van een dwangsom van 2.500,-- euro per dag voor iedere dag of een deel daarvan dat gedaagde in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen en aan eiser maandelijks, vanaf 1 juli 2005 en tot het moment dat eiser de leeftijd van 65 jaar bereikt, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen moment, een uitkering te betalen ter hoogte van 80% van het maandinkomen dat [eiser] direct voorafgaande aan zijn vrijwillig vervroegde uittreding genoot, vermeerderd met vakantietoeslag en de in artikel 12 CAO neergelegde eindejaarsuitkering ter hoogte van 4%, alsmede in de kosten van het geding.

Vervolgens hebben partijen hun standpunten nader doen toelichten door hun advocaat, die beiden mede aan de hand van pleitnotities het woord hebben gevoerd, waarbij de VUT stichting heeft geconcludeerd tot niet ontvankelijk verklaring, dan wel afwijzing van de vordering van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de kosten van het geding.

Partijen hebben met wederzijds goedvinden producties in het geding gebracht.

Na voortgezet debat hebben partijen vonnis gevraagd. De rechter doet heden uitspraak.

RECHTSOVERWEGINGEN

Vaststaande feiten

In dit kort geding gelden onder meer de navolgende feiten als vaststaand.

1.1. [eiser], die geboren is op 29 juni 1942, is sinds 1 juli 1970 werkzaam bij Enna Aerosols B.V.( verder: Enna).

1.2. Bij Enna is in 1996 een regeling in werking getreden voor vrijwillig vervroegd uittreden van werknemers van 63 en 64 jaar. De voorwaarden voor die VUT-regeling waren opgenomen in een bijlage bij de bij Enna geldende collectieve arbeidsovereenkomst, terwijl op 20 augustus 1997 de Stichting Vrijwillige Vervroegde Uittreding Werknemers Enna Aerosols ("de VUT-stichting") werd opgericht. De VUT-stichting heeft blijkens haar statuten ten doel "aan personeelsleden van de te Dokkum gevestigde besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Enna Aerosols B.V. (...) die gebruik maken van de mogelijkheid om vervroegd uit het arbeidsproces te treden, de daarvoor bij reglement vast te stellen uitkeringen te doen voor zover de daartoe benodigde middelen in voldoende mate bij de stichting aanwezig zijn.".

1.3. Diverse jaren achtereen heeft Enna met de CNV Bedrijvenbond en de FNV Bondgenoten een ondernemings-CAO afgesloten. Onderwerp van onderhandelingen tusen voormelde partijen zijn onder meer de pensioenregelingen en de VUT-regeling geweest. In de -van de voorheen gesloten cao's afwijkende- teksten van de CAO 2002-2003 en de CAO 2003-2004 is dienaangaande het volgende vermeld:

artikel 17B Regeling vrijwillig vervroegd uittreden

1. Er is een regeling voor vrijwillig vervroegd uittreden van kracht voor werknemers van 63 en 64 jaar

met een ononderbroken dienstverband van ten minste 10 jaar.

2. De voorwaarden zijn opgenomen in bijlage V van deze collectieve arbeidsovereenkomst

3. Deze regeling blijft van kracht tot het moment dat de geïntegreerde pensioenregeling van kracht

artikel 17C Geïntegreerde pensioenregeling

1. Tussen partijen is overeenstemming bereikt over de invoering van een geïntegreerde vroegpensioenregeling, in plaats van de huidige VUT- en pensioenregeling. Invoering van de nieuwe regeling zal plaatsvinden met ingang van 1 januari 2003.

2. Voor de nieuwe vroegpensioenregeling zijn de volgende uitgangspunten overeengekomen:

1. Invoering van de regeling zal plaatsvinden met ingang van 1 januari 2003.

2. De regeling is gebaseerd op geïndexeerd middelloon, met een opnamedatum van 23 jaar en een pensioendatum van 63 jaar.

3. Het opbouwpercentage bedraagt 1,75% per jaar, zodat na 40 dienstjaren een pensioen bereikt is van 70% van de gemiddelde pensioengrondslag. Het nabestaandenpensioen is 70% van het te bereiken ouderdomspensioen en het wezenpensioen is 14% van het te bereiken ouderdomspensioen.

4. De pensioenfranchise wordt verlaagd van 17.833,56 euro in de huidige pensioenregeling naar 15.564.66 euro (niveau 2001) in de nieuwe pensioenregeling.

5. Het opgebouwde deel van het pensioen en de pensioenfranchise wordt jaarlijks geïndexeerd met de loonindex (= de initiële CAO-loonsverhoging zoals afgesproken in de van toepassing zijnde CAO voor Enna). Uit te keren pensioenen worden jaarlijks geïndexeerd met de prijsindex (= CPI, laag inkomen afgeleid).

6. Op de pensioendatum van 63 jaar wordt een AOW-vervangende uitkering toegekend, het Tijdelijk Overbruggingspensioen (TOP). Dit TOP bedraagt 80% van de franchise en wordt opgebouwd in 40 dienstjaren.

7. De deelnemersbijdrage is 7,2% van de pensioengrondslag (=12,96 maal het bruto maandsalaris minus de franchise).

3. Tevens gelden de volgende overgangsmaatregelen:

Voor alle werknemers van Enna die op 1 januari 2002 23 jaar of ouder zijn, die op het moment van invoering in dienst zijn en onafgebroken in dienst blijven tot de pensioenleeftijd van 63 jaar, geldt dat zij een volledig TOP zullen opbouwen en dat zij gecompenseerd worden voor het feit dat zij 2 opbouwjaren voor pensioen missen. Deze overgangsmaatregelen worden door de werkgever gefinancierd uit de opgebrachte VUT-reserveringen.

1.4. Op enig moment, in ieder geval in het jaar 2004, is tussen voornoemde vakbonden en Enna debat ontstaan over de rechtsgeldigheid van de CAO 2002-2003 en de CAO 2003-2004. In verband daarmee hebben de vakbonden Enna in een kort geding doen dagvaarden bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank en daarbij onder meer gevorderd Enna te veroordelen de in voormelde cao's opgenomen regelingen met betrekking tot de geïntegreerde pernsioenregeling en vakbondsbijdrage na te komen.

Bij vonnis van 1 oktober 2004 heeft de voorzieningenrechter voormelde op nakoming gerichte vordering van de vakbonden afgewezen op de grond dat niet voldaan was aan het vereiste van artikel 3 WCAO en derhalve geen sprake was van rechtsgeldig tot stand gekomen cao's. De voorzieningenrechter heeft Enna wel veroordeeld een bedrag van 367.000,-- euro aan de VUT-stichting, mede-eiser in voornoemde kort geding procedure, te betalen.

1.5. Bij arrest van 12 januari 2005 heeft het Gerechtshof te Leeuwarden voormeld vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd, met uitzondering van de door de voorzieningenrechter uitgesproken compensatie van de gedingskosten.

Het gerechtshof was evenwel (en anders dan de voorzieningenrechter) van oordeel dat ten aanzien van de CAO 2002-2003 wel voldaan was aan het vereiste van artikel 3 WCAO. De op nakoming van die cao gerichte vordering werd niettemin door het gerechtshof afgewezen, omdat die vordering een te onbepaald karakter had. In dat verband overwoog het gerechtshof onder meer als volgt: "Het hof constateert dat genoemd artikel 17C (...) spreekt over uitgangspunten die zijn overeengekomen voor een nieuwe vroegpensioenregeling. Artikel 17C bevat geen rechtstreeks afdwingbare verplichtingen voor Enna Aerosols ten aanzien van iedere bij haar werkzame werknemer. (...) Wel vloeit uit deze CAO-bepaling de verplichting voor Enna Aerosols voort om door te onderhandelen over een nadere uitwerking conform deze uitgangspunten (...)".

Met betrekking tot de CAO 2003-2004 was ook het gerechtshof van oordeel dat niet aan meergenoemd vereiste van artikel 3 WCAO was voldaan.

1.6. [eiser], die lid is van de CNV Bedrijvenbond, heeft in januari 2005 aan de VUT-stichting bericht dat hij met ingang van 1 juli 2005 in aanmerking wenst te komen voor "gebruikmaking van de Regeling Vrijwillig Vervroegde Uittreding zoals deze vermeld staat in de CAO van Enna Aerosols B.V." en aan de stichting verzocht om hem te bevestigen en te garanderen dat door de stichting vanaf 1 juli 2005 tijdig aan "alle voorwaarden" zal worden voldaan.

Bij brief van 7 februari 2005 heeft de VUT-stichting aan [eiser] meegedeeld de door deze verlangde garantie niet te kunnen geven, waartoe de stichting heeft verwezen naar een bijgevoegde brief aan Enna. In laatstgenoemde brief heeft de stichting onder meer het volgende aan Enna bericht: "(...) De VUT-regeling is per 1-1-2003 overgegaan in een prepensioenregeling. Een reglement voor deze regeling ontbreekt nog. Zoals u uit het voorgaande kunt opmaken is het voor ons, als bestuursleden van de VUT-stichting, onmogelijk om een garantie af te geven aan de heer [eiser]. Dit om de doodeenvoudige reden dat wij niet verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de prepensioenregeling (....)".

1.7. Op 29 juni 2005 is [eiser] 63 jaar geworden.

Het geschil en de beoordeling daarvan

2. [eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de VUT-regeling nog steeds van kracht is en dat die regeling niet is vervangen door een vroegpensioenregeling.

De VUT-regeling is, aldus [eiser] verder, immers zowel in de CAO 2001-2002 als in de CAO 2002-2003 opgenomen en bij gebreke van een nieuwe cao is één van voornoemde cao's op de voet van artikel 19 WCAO voortgezet. In de CAO 2002-2003 is (in lid 3 van artikel 17B) uitdrukkelijk vermeld dat de VUT-regeling van kracht blijft tot het moment dat de geïntegreerde pensioenregeling van kracht wordt en die bepaling zou overbodig zijn geweest indien reeds een vroegpensioenregeling van kracht zou zijn geweest. Verder heeft hij, [eiser], tot heden ook maandelijks de werknemersbijdrage voor de VUT premie betaald. Tot slot geldt volgens [eiser] dat hij geen beroep kan doen op artikel 17C van de CAO, nu het gerechtshof heeft geoordeeld dat dit artikel geen rechtstreeks afdwingbare verplichtingen bevat voor Enna Aerosols ten aanzien van iedere bij haar werkzame werknemer. Zodoende resteert voor hem slechts een beroep op artikel 17B, waarin de VUT-regeling is opgenomen.

3. De VUT-stichting heeft daartegenover aangevoerd dat de in de CAO 2002-2003 opgenomen geïntegreerde pensioenregeling blijkens artikel 17C sinds 1 januari 2003 van kracht is. Volgens de VUT-stichting is artikel 17B lid 3 van genoemde CAO geen overbodige bepaling, want juist daarin opgenomen opgenomen omdat de geïntegreerde pensioenregeling (pas) halverwege de looptijd van die CAO, te weten op 1 januari 2003, van kracht zou worden. Nu het gerechtshof de CAO 2002-2003 rechtsgeldig heeft geoordeeld en nadien geen nieuwe cao is gesloten werken, aldus de VUT-stichting verder, de bepalingen van de CAO 2002-2003, waaronder die ten aanzien van de prepensioenregeling, na. [eiser] zou op grond van artikel 17C jegens Enna aanspraak kunnen maken op prepensioen.

Voorzover nog wel sprake is van een geldende VUT-regeling, dient volgens de VUT-stichting [eiser] zich eveneens te wenden tot Enna. Uit bijlage V (bij artikel 17B) van de CAO blijkt immers dat de aanvraag bij de werkgever moet worden ingediend, evenals de overige inlichtingen en gegevens, en dat de werkgever de regeling uitvoert.

4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het hiervoor onder 1.5 vermelde oordeel van het gerechtshof met betrekking tot de CAO 2002-2003 ten deze als uitgangspunt heeft te gelden, nu er geen -andersluidend- oordeel van de bodemrechter is gevraagd of verkregen. Bedoeld oordeel van het gerechtshof komt er op neer dat die cao rechtsgeldig tot stand is gekomen en derhalve gelding heeft gekregen. Daarmee is voorshands ook gegeven dat de in die cao vermelde vroegpensioenregeling met ingang van 1 januari 2003 van kracht is geworden en dat de voorheen geldende VUT-regeling dus is opgehouden te bestaan. Anders dan [eiser] meent, is lid 3 van artikel 17B in dat verband geen overbodige bepaling, omdat, zoals de VUT-stichting terecht heeft aangevoerd, vorenbedoelde vroegpensioenregeling eerst halverwege de looptijd van de CAO 2002-2003 van kracht is geworden.

Nu nadien geen nieuwe, althans geen nieuwe rechtsgeldige cao tussen Enna en de vakbonden is gesloten werken de bepalingen van de CAO 2002-2003 thans nog steeds na en heeft vorenbedoelde geïntegreerde vroegpensioenregeling haar kracht niet verloren.

De omstandigheid dat het gerechtshof ook heeft overwogen dat de in artikel 17C van de CAO 2002-2003 genoemde uitgangspunten nog nader dienen te worden uitgewerkt door Enna en de overige betrokken partijen, alsmede dat artikel 17C geen rechtstreeks afdwingbare verplichtingen bevat voor Enna ten aanzien van iedere bij haar werkzame werknemer, maakt het voorgaande niet anders en laat onverlet dat voorshands aangenomen moet worden dat de VUT-regeling met ingang van 1 januari 2003 is vervangen door de vroegpensioenregeling.

De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van laatstgenoemde regeling en het treffen van overgangsmaatregelen ligt bij Enna, de werkgever van [eiser], en niet bij de VUT-stichting, zodat [eiser] ten onrechte zijn pijlen op de VUT-stichting heeft gericht.

5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van [eiser] niet voor toewijzing in aanmerking komen en dat [eiser] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van deze procedure dient te worden veroordeeld.

BESLISSING

De rechter, rechtdoende in kort geding:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de VUT stichting begroot op 244,-- euro aan verschotten en 816,-- euro aan salaris procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. de Vroome, voorzieningenrechter, en in aanwezigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juli 2005.