Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2005:AT8907

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
16-06-2005
Datum publicatie
12-07-2005
Zaaknummer
04/1072
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag reguliere bouwvergunning voor veranderen walbeschoeiing. Vrijstelling ex artikel 19, lid 3, WRO. Besluit ruimtelijke ordening. Belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 04/1072

Inzake het geding tussen

[A] en [B], wonende te [C], eisers,

gemachtigde: drs. A. Jongedijk-Welles,

en

het college van burgemeester en wethouders van Boarnsterhim, verweerder,

gemachtigden: N. de Visser-de Vries en J.M. van Dijk-Wiersma, beiden werkzaam bij de gemeente Boarnsterhim.

Procesverloop

Bij besluit van 16 augustus 2004 heeft verweerder eisers mededeling gedaan van een besluit op bezwaar inzake de toepassing van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en de Woningwet.

Tegen dit besluit is namens eisers op 23 september 2004 beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 17 mei 2005. Eisers hebben zich ter zitting laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Voorts is eiser [A] in persoon verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigden. Verder zijn ter zitting verschenen [D] en [E], die op voet van art. 8:26 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) als derde-belanghebbenden aan het geding deelnemen, bijgestaan door hun gemachtigde mr. W. Visser, werkzaam bij de Stichting Achmea Rechtsbijstand te Leeuwarden.

Motivering

Op 27 februari 2003 heeft [D] (hierna: vergunninghouder) een aanvraag voor een reguliere bouwvergunning ingediend in verband met het gedeeltelijk veranderen van de walbeschoeiing op het perceel [adres] te [C].

Bij besluit van 16 december 2003, bekendgemaakt op 24 december 2003, heeft verweerder met toepassing van art. 19 lid 3 WRO ten behoeve van het bouwplan vrijstelling verleend van de bepalingen van het bestemmingsplan en de gevraagde bouwvergunning aan de vergunninghouder verleend.

Tegen dit besluit hebben eisers op 22 januari 2004 een bezwaarschrift ingediend. Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder -onder overneming van een advies van de commissie voor de beroep- en bezwaarschriften- de bezwaren van eisers ongegrond verklaard en de bouwvergunning van 24 december 2003 gehandhaafd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge art. 44 lid 1 van de Woningwet mag alleen en moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd indien:

a.het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, niet voldoet aan de bij of krachtens de in artikel 2 bedoelde algemene maatregel van bestuur gegeven voorschriften (bouwbesluit);

b.het bouwwerk niet voldoet aan de voorschriften van de bouwverordening;

c.het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk in strijd is met redelijke eisen van welstand, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend, of

e. voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze is geweigerd.

Op grond van het geldende bestemmingsplan "Uitbreidingsplan in onderdelen, Akkrum-Oost" heeft het bouwperceel de bestemming "plantsoen, groenstrook, wegberm". Tussen partijen is niet in geschil -en ook de rechtbank stelt vast- dat het bouwplan in strijd is met dit bestemmingsplan, aangezien ingevolge art. 15 van de planvoorschriften op gronden met deze bestemming geen bebouwing is toegestaan. Teneinde het bouwplan toch mogelijk te maken, heeft verweerder bouwvergunning verleend met toepassing van de vrijstelling als bedoeld in art. 19 lid 3 WRO juncto art. 20 lid 1 sub c Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (Bro).

Ingevolge art. 19 lid 3 WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen. Hieraan is uitvoering gegeven bij het Bro. Art. 20 lid 1 sub c Bro bepaalt dat voor de toepassing van art. 19 lid 3 WRO onder meer in aanmerking komt een bouwwerk, geen gebouw zijnde: 1° waarvan het bruto-vloeroppervlak niet groter is dan 25 m², en 2° dat gemeten vanaf het aansluitende terrein niet hoger is dan 5 m.

De rechtbank is van oordeel dat de walbeschoeiing kan worden aangemerkt als een bouwwerk als bedoeld in art. 20 lid 1 sub c Bro. Daartoe stelt de rechtbank vast dat in dit artikelonderdeel -afgezien van de maximaal toegestane oppervlakte en hoogte- geen (verdere) restricties worden gesteld aan de toepassing van deze bepaling. De rechtbank acht dan ook -anders dan eisers- geen grond aanwezig voor het oordeel dat deze vrijstellingsmogelijkheid enkel kan worden toegepast, indien het bouwwerk is gesitueerd op gronden die ingevolge het bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komen. Ook acht de rechtbank in dit verband niet van belang of het bouwplan wordt gerealiseerd in een gebied met een openbaar karakter, nog daargelaten de vraag of hiervan in het onderhavige geval gesproken kan worden. Voorts stelt de rechtbank vast dat de oppervlakte van de walbeschoeiing -gelet op de lengte van 14 meter en een breedte van 0,06 meter, minder dan 25 m² bedraagt. Anders dan eisers vermag de rechtbank niet in te zien dat ook de oppervlakte van de af te graven grond bij de oppervlakte van het bouwwerk moet worden gerekend. Verder is tussen partijen niet in geschil -en ook de rechtbank stelt vast- dat de hoogte van het onderhavige bouwwerk de toegestane 5 meter niet overschrijdt.

Verweerder was derhalve bevoegd vrijstelling op grond van art. 19 lid 3 WRO te verlenen.

De rechtbank dient zich bij de beoordeling van de verleende vrijstelling te beperken tot de vraag of kan worden gezegd dat het bestuursorgaan bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

De rechtbank is niet gebleken van zwaarwegende belangen die door de uitvoering van het bouwplan worden geschaad. Van de kant van eisers wordt betoogd dat het doel van het gedeeltelijk veranderen van de walbeschoeiing is om een insteekhaven te creëren voor het schip van de vergunninghouder. Door dit schip worden hun privacy en uitzicht, alsmede de lichttoetreding in hun woning aangetast. Ook zal een schip het zicht van het scheepvaartverkeer belemmeren waardoor volgens eisers een onveilige situatie ontstaat. De rechtbank kan eisers niet volgen in dit betoog. Niet gezegd kan immers worden dat de walbeschoeiing op zichzelf het woongenot van eisers aantast of de veiligheid van het scheepvaartverkeer in negatieve zin beïnvloedt. Daarvan is eerst sprake indien ter plaatse een schip wordt aangelegd. Daarbij merkt de rechtbank wat de veiligheid van het scheepvaartverkeer betreft nog op dat voor het aanleggen van een schip op de betreffende locatie een ontheffing nodig is van de provinciale Vaarwegenverordening. In dat kader zal worden beoordeeld of de veiligheid van het scheepvaartverkeer aan het verlenen van een ontheffing in de weg staat.

Met betrekking tot de vrees van eisers dat als gevolg van graafwerkzaamheden de grond gaat verzakken, als gevolg waarvan schade aan hun woning zal ontstaan, merkt de rechtbank op dat de wijze waarop de bouwwerkzaamheden worden uitgevoerd in de onderhavige procedure niet ter beoordeling kan staan. Indien eisers menen dat de vergunninghouder als gevolg van de uitvoering van de werkzaamheden schade aan hun woning heeft veroorzaakt, zal hij ter zake een vordering moeten instellen bij de burgerlijke rechter. Voor zover eisers hebben betoogd dat het bouwplan een negatieve invloed zal hebben op de waarde van hun woning, oordeelt de rechtbank dat eisers hieromtrent bij de raad van de gemeente Boarnsterhim een verzoek tot schadevergoeding als bedoeld in art. 49 WRO kunnen indienen.

Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat verweerder in redelijkheid niet gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid op grond van art. 19 lid 3 WRO.

Strijdigheid met het Bouwbesluit is niet gesteld en daarvan is de rechtbank ook niet gebleken. Wat betreft het bezwaar van eisers dat de welstandscommissie geen goed oordeel heeft kunnen vormen over het bouwplan, omdat de bouwtekening de huidige en toekomstige situatie niet juist weergeeft, merkt de rechtbank op dat de welstandscommissie Hûs en Hiem op 9 april 2003 positief heeft geadviseerd over het bouwplan. Niet is gebleken dat dit advies op onjuiste wijze totstandgekomen is of dat daaraan anderszins gebreken kleven. Verder merkt de rechtbank op dat eisers de inhoud van bedoeld advies niet hebben bestreden door overlegging van een deskundig tegenadvies. Verweerder heeft dan ook op het welstandsadvies mogen afgaan. Voor zover eisers hebben betoogd dat het bouwplan in strijd is met art. 5.1.2 van de gemeentelijke bouwverordening, aangezien hun perceel en ook dat van de vergunninghouder voor ambulances en brandweer onbereikbaar is, merkt de rechtbank op dat dit ook thans de bestaande situatie is en het bouwplan in die situatie geen verandering brengt. In dit verband wijst de rechtbank op de notitie van de brandweer van 12 november 2003. Tenslotte kan de rechtbank eisers niet volgen in hun betoog dat verweerder heeft nagelaten een archeologisch onderzoek uit te voeren, nu bij het volgen van een vrijstellingsprocedure ex art. 19 lid 3 WRO geen wettelijke plicht bestaat tot het uitvoeren van een zodanig onderzoek.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen besluiten om vrijstelling van het geldende bestemmingsplan te verlenen en vervolgens terecht de onderhavige bouwvergunning heeft verleend. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2005, in tegenwoordigheid van mr. T. Hoekstra als griffier.

w.g. T. Hoekstra

w.g. E. de Witt

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u dan waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: 16 juni 2005