Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2005:AT7821

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
20-06-2005
Datum publicatie
21-06-2005
Zaaknummer
05/67
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitwegvergunning. Parkeergelegenheid voor omwonenden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector Bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 05/67

Inzake het geding tussen

[A], wonende te [B], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden, verweerder,

gemachtigden: A.N.J. Busse en H. Coerts, beiden werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 23 juni 2003 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van een besluit op bezwaar met betrekking tot de toepassing van de Algemene Plaatselijke Verordening Leeuwarden (APV).

Bij uitspraak van 28 juni 2003 (registratienummer 03/829) heeft deze rechtbank het door eiser tegen dit besluit ingediende beroep gegrond verklaard en het besluit van 23 juni 2003 vernietigd.

Bij besluit van 14 december 2004 heeft verweerder opnieuw beslist op het bezwaarschrift van eiser. Tegen dit besluit heeft eiser wederom beroep ingesteld bij de rechtbank.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 31 mei 2005. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigden. [C], die op de voet van art. 8:26 lid 1 Awb aan dit geding deelneemt, heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn echtgenote en zijn gemachtigde mr. H.A.M. Lamers, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand te Amsterdam.

Motivering

Op 17 juli 2002 is door [C] (hierna: de vergunninghouder) een vergunningaanvraag ingediend voor het maken van een uitweg met een breedte van drie meter aan de zijkant van zijn woning aan het [straatnaam] 58 te [B].

Bij besluit van 13 september 2002 heeft verweerder de gevraagde uitwegvergunning verleend. Het door eiser tegen dit besluit ingestelde bezwaar is door verweerder bij besluit van 24 juni 2003 ongegrond verklaard. Dit besluit is bij uitspraak van deze rechtbank van 28 juni 2004 (registratienummer 03/829) vernietigd wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder opnieuw beslist op het bezwaarschrift. Verweerder heeft het bezwaarschrift -onder wijziging van de motivering- wederom ongegrond verklaard. Daartoe heeft verweerder overwogen dat zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in art. 2.1.5.3 APV. Er zijn opnieuw parkeertellingen verricht in de directe omgeving van het [straatnaam] om inzicht te verkrijgen in het aantal vrije parkeerplaatsen op kritische momenten. Uit deze tellingen blijkt dat er voldoende vrije parkeerplaatsen resteren, ook na verlening van de onderhavige uitwegvergunning, zodat het belang van de bruikbaarheid van de weg en van het doelmatig gebruik van de weg niet worden aangetast. Voorts is het aantal uitwegen aan het [straatnaam] niet zo groot dat op die grond het veilig en doelmatig gebruik van de weg in gevaar komt. Bovendien zijn naar de mening van verweerder geen gronden aanwezig die maken dat het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving of het belang van de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente zich tegen de vergunningverlening verzetten.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge art. 2.1.5.3 lid 1 onder a APV is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een uitweg te maken naar de weg.

In art. 2.1.5.3 lid 3 APV is bepaald dat een vergunning kan worden geweigerd in het belang van:

a. de bruikbaarheid van de weg;

b. het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

c. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de weg;

d. de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

De rechtbank stelt voorop dat art. 2.1.5.3 lid 3 APV met zich brengt dat een vergunning slechts kan worden geweigerd, indien zich één of meer van de onder a tot en met d omschreven weigeringsgronden voordoen. Is dit niet het geval, dan zijn burgemeester en wethouders in beginsel verplicht de vergunning te verlenen.

Gelet op de gedingstukken en het ter zitting verhandelde onderschrijft de rechtbank verweerders standpunt dat zich in dit geval geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in art. 2.1.5.3 lid 3 APV. Daartoe overweegt de rechtbank dat verweerder naar haar oordeel voldoende aannemelijk heeft kunnen maken dat weliswaar als gevolg van de verleende uitwegvergunning een openbare parkeerplaats verdwijnt, maar dat in de directe omgeving van het [straatnaam] nog voldoende parkeergelegenheid overblijft. In dit verband wijst de rechtbank erop dat van de zijde van verweerder ter plaatse in oktober en november 2002, alsmede in oktober, november en december 2004 diverse parkeertellingen zijn verricht en dat daarbij het aantal beschikbare vrije parkeerplaatsen is geregistreerd. Daarbij heeft verweerder als uitgangspunt genomen dat 100 meter een redelijk criterium is voor het vaststellen van de straal waarbinnen voldoende parkeergelegenheid voor omwonenden beschikbaar moet zijn. Dit uitgangspunt komt de rechtbank niet onredelijk voor. De tellingen zijn verricht op verschillende dagen, zowel in het weekend als doordeweek, alsmede op verschillende tijdstippen, zodat aannemelijk is dat zij een representatief beeld geven van de parkeercapaciteit ter plaatse. Op geen enkel telmoment is een tekort aan parkeergelegenheid geconstateerd. Gelet hierop heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de nieuwe uitweg de bruikbaarheid en het doelmatig gebruik van de weg niet negatief beïnvloedt.

Voorts is niet gesteld, noch gebleken, dat de uitwegvergunning zou moeten worden geweigerd op één van de overige gronden genoemd in art. 2.1.5.3 lid 3 APV.

Gelet hierop, vloeit uit het systeem van de APV voort dat verweerder verplicht is de gevraagde uitwegvergunning te verlenen. In een dergelijke situatie is er geen ruimte voor verweerder voor een nadere belangenafweging. De vraag of een nieuwe uitweg noodzakelijk is, gelet op het feit dat deze thans enkel wordt gebruikt ten behoeve van de stalling van een caravan, kan in dit kader dan ook niet aan de orde komen. Overigens is niet gebleken dat Agema geen redelijk belang heeft bij de uitwegvergunning.

Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot de slotsom dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

De rechtbank acht geen termen aanwezig om een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, rechter, en door hem in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2005 in tegenwoordigheid van mr. T. Hoekstra als griffier.

w.g. T. Hoekstra

w.g. E. de Witt

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u dan waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: 20 juni 2005