Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2005:AT7646

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
14-06-2005
Datum publicatie
17-06-2005
Zaaknummer
04/1201
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verwijtbare werkloosheid. Wijziging van arbeidsovereenkomst. Onjuiste voorlichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 04/1201 WW

Inzake het geding tussen

[A], wonende te [B], eiseres,

gemachtigde: mr. J. Bonnema, advocaat te Leeuwarden,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV), verweerder,

gemachtigde: P.J. Langius, werkzaam bij verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 9 september 2004 heeft verweerder eiseres mededeling gedaan van een besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Werkloosheidswet (WW).

Tegen dit besluit is namens eiseres op 20 oktober 2004 beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, meervoudige kamer, gehouden op 23 mei 2005. Eiseres is -daartoe door de rechtbank opgeroepen- in persoon verschenen, bijgestaan door de hiervoor als haar gemachtigde geduide persoon. Verweerder is -eveneens daartoe door de rechtbank opgeroepen- verschenen bij voornoemde gemachtigde.

Motivering

Eiseres is uit hoofde van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd werkzaam geweest als kraamverzorgende bij Kraamzorg Nederland BV te Gouda (hierna: de werkgever). Op 29 januari 2004 heeft eiseres een teambespreking onder leiding van haar vestigingsmanager bijgewoond, waarin laatstbedoelde haar team heeft aangegeven dat de werkgever bijna failliet was en dat haar personeel per direct zou moeten overstappen naar het bedrijf Echte Zorg van Zorg & CO BV (hierna: Zorg & Co), een – naar mededeling van de vestigingsmanager – tot stand gekomen afsplitsing van de werkgever onder leiding van één van de directeuren-aandeelhouders van de werkgever, mevrouw [C]. Op 30 januari 2004 heeft eiseres, evenals alle andere leden van haar team, een aan de werkgever gerichte brief ondertekend, waarin zij (via haar vestigingsmanager) onder meer heeft meegedeeld dat zij instemt met de overgang van haar dienstverband bij de werkgever naar het bedrijf Zorg & Co per 1 februari 2004, en dat zij het tussen haar en de werkgever bestaande dienstverband tegen de eerst mogelijke datum en met inachtneming van de toepasselijke opzegtermijn opzegt.

Bij brief van 17 februari 2004 heeft de werkgever eiseres onder meer bericht: “(..) U heeft mogelijk in de veronderstelling geleefd dat Kraamzorg Nederland de organisatie zou opsplitsen en dat uw vestiging onder Zorg en Co gecontinueerd zou worden. Inmiddels bent u waarschijnlijk van de onjuistheid van deze informatie op de hoogte. Gisteren hebben wij van de rechtbank het vonnis van het kort geding vernomen waarbij Kraamzorg Nederland op alle fronten in het gelijk is gesteld. Dit betekent dat alle activiteiten, vanaf 1 februari jl., van Zorg en Co, [C] en de vestigingsmanager van de vestiging waar u werkzaam was, niet rechtmatig waren en met onmiddellijke ingang gestaakt dienen te worden. Zoals in onze brief van 3 februari jl. is aangegeven, bent u ook gehouden aan het concurrentiebeding. (..)”.

De werkgever heeft eiseres vervolgens aan haar opzegging gehouden, en haar een nieuw contract aangeboden, in het kader waarvan eiseres in plaats van haar aanvankelijke arbeidsovereenkomst met een vaste arbeidsomvang van 80 procent, een zogenoemd “min/max-contract” met een flexibele arbeidsomvang van 50 tot 80 procent kreeg aangeboden. Eiseres heeft het aanbod tot het aangaan van dit nieuwe contract – naar ter zitting is komen vast te staan op advies van haar toenmalige advocaat die meende dat de opzegging door eiseres van haar aanvankelijke dienstbetrekking in rechte vernietigd zou kunnen worden – niet aanvaard.

Namens eiseres is bij de kantonrechter te Lelystad vervolgens voortzetting van haar werkzaamheden bij de werkgever gevorderd en doorbetaling van het salaris met nevenvorderingen. Volgens eiseres heeft zij weliswaar met inachtneming van de opzegtermijn van twee maanden haar dienstverband opgezegd, maar kan aan deze opzegging geen rechtsgevolg worden verbonden omdat er sprake zou zijn van dwaling c.q. misbruik van omstandigheden. De kantonrechter heeft de vorderingen van eiseres bij haar vonnis van 12 mei 2004 afgewezen.

Bij besluit van 3 juni 2004 heeft verweerder met ingang van 1 april 2004 geweigerd aan eiseres een WW-uitkering toe te kennen wegens verwijtbare werkloosheid.

Het namens eiseres tegen dit besluit ingestelde bezwaar is bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft verweerder overwogen dat de werkneemster moet voorkomen dat zij verwijtbaar werkloos wordt. Dit is het geval als de dienstbetrekking eindigt of is beëindigd, zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van eiseres kon worden gevergd. Verweerder heeft daartoe overwogen dat het eiseres te verwijten is dat zij uitsluitend op grond van mededelingen van de vestigingsmanager de opzegbrief heeft getekend. Van eiseres had verwacht mogen worden dat zij eerst de mededelingen van de vestigingsmanager zou hebben gecontroleerd. In dit standpunt ziet verweerder zich gesteund door het vonnis van de kantonrechter. Subsidiair heeft verweerder overwogen dat eiseres verwijtbaar werkloos is geworden doordat zij nagelaten heeft passende arbeid te aanvaarden. De voormalige werkgever van eiseres heeft haar een nieuw contract aangeboden. Indien eiseres het contract had geaccepteerd, dan zou het risico van werkloosheid op zijn minst zijn verminderd. Het mogelijk niet meer kunnen voldoen aan haar persoonlijke financiële verplichtingen door de mogelijk verminderde omvang van het nieuwe contract is volgens verweerder geen omstandigheid die voor rekening en risico van de WW dient te komen.

In beroep is namens eiseres - onder meer en zakelijk weergegeven – gesteld dat verweerder zelfstandig dient te beoordelen of de werknemer al dan niet verwijtbaar werkloos is geworden. Hierbij kan verweerder niet zonder meer afgaan op het oordeel van de kantonrechter. Uit de weergave van de feiten alsmede uit de brieven van de voormalige werkgever van eiseres kan redelijkerwijs niet worden afgeleid dat zij welbewust heeft ingestemd met de beëindiging van haar dienstverband. De brief van 3 februari 2004 van de werkgever heeft eiseres nooit ontvangen. Zij is gebeld door een collega die haar heeft aangegeven dat de voormalige werkgever de desbetreffende collega heeft gebeld wegens het overtreden van een concurrentiebeding, en zij is er door de desbetreffende collega op gewezen dat zij bij een eventueel ontslag geen recht op een WW-uitkering zou hebben. Op de bijeenkomst van 10 februari 2004 zijn alle 200 kraamverzorgenden niet verschenen. Ten aanzien van de brief van 17 februari 2004 is namens eiseres gesteld dat zij niet naar de bijeenkomst van 18 februari 2004 is gegaan, omdat zij van de werkgever voor het bijwonen daarvan geen vrij kon krijgen. Ten aanzien van de door de vestigingsmanager opgestelde opzeggingsbrief wordt aangevoerd dat eiseres door de vestigingsmanager - welke vestigingsmanager eveneens in dienst zou treden bij Zorg & CO - is misleid en onder druk is gezet met betrekking tot haar instemming met de beëindiging van haar dienstverband. Op grond van goed werkgeversschap had de werkgever van eiseres haar, naar zij meent, niet aan de opzegging mogen houden. Voorts heeft eiseres de nieuwe arbeidsovereenkomst, aangeboden door de werkgever, niet geaccepteerd in verband met haar financiële omstandigheden. Met het door de werkgever aangeboden contract zou de nakoming van de financiële verplichtingen van eiseres niet langer gewaarborgd zijn. De werkgever had onder de gegeven omstandigheden het “uitgeklede” contract niet mogen aanbieden.

In dit geding moet de rechtbank beoordelen of het bestreden besluit terecht en op goede gronden is genomen. De rechtbank overweegt als volgt.

In art. 24, lid 1, aanhef en onderdeel a, WW is bepaald dat de werknemer voorkomt dat hij verwijtbaar werkloos wordt. In art. 24, lid 1, aanhef en onderdeel b, onder 2, WW is - voor zover hier van belang - bepaald dat de werknemer voorkomt dat hij werkloos is of blijft, doordat hij nalaat aangeboden passende arbeid te aanvaarden. In het tweede lid, onder b, is bepaald dat de werknemer verwijtbaar werkloos is geworden indien de dienstbetrekking eindigt of is beëindigd zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren zijn verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.

In art. 27, lid 1, WW is voorts bepaald, dat indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 24, eerste lid, onderdeel a, opgelegd, niet is nagekomen, het UWV de uitkering blijvend geheel weigert, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval weigert het UWV de uitkering over een periode van 26 weken gedeeltelijk door het uitkeringspercentage te verlagen van 70 naar 35.

In art. 27, lid 2, WW is bepaald -voor zover hier van belang- dat indien de werknemer een verplichting, hem op grond van art. 24, lid 1, onderdeel b, onder 2, opgelegd, niet is nagekomen, het UWV de uitkering blijvend weigert over het aantal uren waarover het recht op uitkering zou zijn geëindigd of niet zou zijn ontstaan indien de werknemer de betreffende arbeid zou hebben aanvaard of verkregen.

Blijkens de bewoordingen van het bestreden besluit heeft verweerder hieraan primair het bepaalde in art. 24, lid 1, sub a, jo. art. 24, lid 2, sub b, WW ten grondslag gelegd. In dat kader wordt eiseres verweten dat zij naar aanleiding van de mededelingen van haar vestigingsmanager het dienstverband heeft opgezegd zonder de mededelingen van de vestigingsmanager te hebben gecontroleerd. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat eiseres het aanbod van een nieuwe functie niet heeft aanvaard, en derhalve heeft nagelaten passende arbeid te aanvaarden als bedoeld in art. 24, lid 1, aanhef en onderdeel b, onder 2, WW.

De rechtbank stelt voorop dat verweerder in het kader van de WW in beginsel zelfstandig onderzoek moet doen en zich een eigen oordeel dient te vormen met betrekking tot de vraag of de werkloosheid aan een werknemer kan worden verweten. Hij kan derhalve niet volstaan met een verwijzing naar de beschikking van de kantonrechter van 12 mei 2004.

Eiseres heeft bij schrijven van 30 januari 2004 weliswaar desbewust haar dienstbetrekking opgezegd, maar zij deed dit – naar, blijkens de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting, redelijkerwijze niet voor twijfel vatbaar is, in de veronderstelling dat zij aansluitend – en onder dezelfde arbeidsvoorwaarden – een nieuwe arbeidsovereenkomst kon aangaan met Zorg & CO. Naar het oordeel van de rechtbank is deze veronderstelling, die later onterecht bleek te zijn, onder de omstandigheden van het onderhavige geval, op het tijdstip van de opzegging niet dermate lichtvaardig tot stand gekomen dat eiseres zulks in overwegende mate kan worden verweten. Daarbij heeft de rechtbank onder meer in aanmerking genomen dat eiseres destijds door haar (enige) direct leidinggevende foutief is voorgelicht en samen met alle kraamverzorgenden van haar afdeling op grond van deze onjuiste informatie heeft gemeend de voortzetting van haar werkzaamheden door de opzegging van de arbeidsovereenkomst en de veronderstelde overgang naar Zorg & CO te kunnen waarborgen. Dat deze overgang geen doorgang heeft gevonden dient hoofdzakelijk te worden toegeschreven aan, in elk geval voor juridisch niet geschoolde personen, onvoorziene juridische complicaties.

Ook het feit dat zij nadien niet het aanbod van de werkgever tot het aangaan van een nieuwe arbeidsovereenkomst onder – voor eiseres – verslechterde voorwaarden (het zogenoemde “min/max-contract”) heeft aanvaard, omdat zij – zo ter zitting is vast komen te staan - door haar advocaat daartoe is geadviseerd in het kader van de (op dat moment voorgenomen) civielrechtelijke procedure voor de kantonrechter, kan eiseres, naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de omstandigheden van het geval, niet in overwegende mate worden verweten. Weliswaar ontslaat een advies van haar advocaat eiseres niet van haar eigen verantwoordelijkheid in het kader van de WW, maar anderzijds kan in casu niet worden geoordeeld dat door eiseres in redelijkheid aan de juridische aanvaardbaarheid van dat advies had moeten worden getwijfeld. Het feit dat eiseres op 18 februari 2004 niet heeft deelgenomen aan de voorlichtingsbijeenkomst van de werkgever doet daaraan, naar het oordeel van de rechtbank, niet af, nu – naar eiseres ter zitting onweersproken heeft verklaard – zij ten tijde van die bijeenkomst verplicht werd haar werkzaamheden voor de werkgever uit te oefenen, en vervanging niet mogelijk was.

Het geheel van feiten en omstandigheden zoals deze uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting naar voren komen rechtvaardigt, naar het oordeel van de rechtbank, niet de conclusie dat eiseres in overwegende mate kan worden verweten dat zij werkloos is geworden. Het bestreden besluit berust daarom niet op een deugdelijke motivering zoals vereist op grond van het bepaalde in art. 7:12, eerste lid, Awb.

Gelet op het vorenstaande concludeert de rechtbank dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit moet worden vernietigd.

Ingevolge artikel 8:74, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zal de rechtbank bepalen dat het UWV aan eiseres het betaalde griffierecht van € 37,- vergoedt.

De rechtbank acht termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van eiseres, welke met toepassing van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op € 644,- (beroepschrift 1 punt, verschijnen ter zitting 1 punt, gewicht van de zaak gemiddeld, waarde per punt

€ 322,-).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat het UWV aan eiseres het betaalde griffierecht van € 37,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 644,-, te betalen door het UWV.

Aldus gegeven door mr. D.J. Keur als voorzitter en mr. A.J. Rietveld en mr. P. van der Wal als leden, in tegenwoordigheid van mr. F. Aissa als griffier en door voornoemde voorzitter uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2005.

w.g. F. Aissa

w.g. D.J. Keur

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:13 juncto 6:24 van de Awb. Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

De Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: 15 juni 2005