Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2005:AT7640

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
08-06-2005
Datum publicatie
21-06-2005
Zaaknummer
62331
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nevenverzoeken bij echtscheiding. De vraag of de uitkering die de man in het kader van de Regeling Vervroegd Uittreden van de Stichting Pensioenfonds ontvangt, al dan niet valt onder de Wet Verevening Pensioenrechten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

sector civiel recht

afdeling familierecht

Uitspraak: 8 juni 2005

Rekestnummer: 04-161

Zaaknummer: 62331

NEVENVERZOEKEN BIJ ECHTSCHEIDING

BESCHIKKING

van de rechtbank te Leeuwarden, enkelvoudige familiekamer, in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [adres],

hierna ook te noemen de man,

procureur mr. F.P. van Dalen,

tegen

[verweerster],

wonende te [adres],

hierna ook te noemen de vrouw,

procureur mr. J.M.G. van Wijk.

PROCESGANG

Bij beschikking van deze rechtbank van [datum] 2004, die als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd, is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en is de zaak verwezen naar een nadere terechtzitting voor een mondelinge behandeling van:

? de wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap,

? de verzochte verklaring voor recht dat de uitkering die de man ontvangt in het kader van de Regeling Vervroegd Uittreden van de Stichting Pensioenfonds [werkgever], niet valt onder de Wet Verevening Pensioenrechten,

? het voorwaardelijk verzoek een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de man vast te stellen van € 1.750,00 per maand.

Op 28 juni 2004 heeft, blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal, de mondelinge behandeling plaatsgevonden en hebben partijen afspraken gemaakt over de wijze van verdeling. De zaak is vervolgens aangehouden tot de zitting van 24 september 2004 voor een pro forma behandeling. Deze behandeling is niet gehouden, naar aanleiding van een op 10 augustus 2004 ingesteld hoger beroep tegen de echtscheidingsbeslissing. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft bij beschikking van 9 februari 2005 partijen niet-ontvankelijk in het door hen ingestelde incidentele appel verklaard en voorts de man niet ontvankelijk verklaard in zijn aanvullende verzoeken.

De nevenverzoeken zijn daarna door de rechtbank alsnog behandeld ter terechtzitting van 24 mei 2005. De vrouw heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling tevens een aanvullend voorwaardelijk verzoek ingediend.

Bij de stukken bevinden zich onder meer:

? brieven van de procureur van de man van 8 juli 2004 -vergezeld van bijlagen-, 16 september 2004 en 24 maart 2005;

? brieven van de procureur van de vrouw van 23 augustus 2004 en 7 september 2004.

RECHTSOVERWEGINGEN

Gelet op hetgeen ter terechtzitting is behandeld en op de inhoud van het dossier, overweegt de rechtbank het volgende.

De pensioenverevening

1. Voor de beoordeling van de vraag of de uitkering die de man in het kader van de Regeling Vervroegd Uittreden (verder: RVU) van de Stichting Pensioenfonds [werkgever] ontvangt al dan niet valt onder de Wet Verevening Pensioenrechten (verder: WVP) gaat de rechtbank uit van de volgende vaststaande feiten:

1.1. De man is geboren op [datum] 1943.

1.2. Partijen zijn op [datum] 1968 gehuwd.

1.3. De echtscheiding tussen partijen is uitgesproken op [datum] 2004 maar tot op heden niet ingeschreven.

1.4. De man heeft als werknemer bij [werkgever] een recht op ouderdomspensioen opgebouwd dat per 1 oktober 2008 tot uitkering komt en valt onder de WVP.

1.5. De arbeidsrelatie tussen de man en [werkgever] is bij beschikking van de kantonrechter te Groningen van 29 augustus 1995 ontbonden per 1 september 1995. Met betrekking tot deze beëindiging van de arbeidsrelatie zijn tussen de man en [werkgever] afspraken gemaakt die zijn weergegeven in een brief van [werkgever] van 14 juli 1995. Onder meer is in die brief vastgelegd:

- dat de man vanaf de datum van beëindiging van het dienstverband tot aan zijn 60-jarige leeftijd een uitkering van [werkgever] zou ontvangen;

- dat hij deelnemer bleef aan de Stichting Pensioenfonds [werkgever] en de resterende jaren tot zijn 60-jarige leeftijd als pensioenjaren zouden gelden en dat bij de pensioenopbouw, voor zover mogelijk, gebruik zou worden gemaakt van het Fonds Voorheffing Pensioenverzekering (verder: FVP).

1.6. Vanaf zijn 60ste jaar ontvangt de man een uitkering van de Stichting Pensioenfonds [werkgever] op basis van de RVU Stichting Pensioenfonds [werkgever].

2. De man stelt zich op het standpunt dat de onder 1.6. bedoelde uitkering niet valt onder de WVP. Hij stelt daartoe dat die uitkering geen ouderdomspensioen is in de zin van de WVP omdat daarvan slechts sprake is bij een pensioen dat vanaf de 65-jarige leeftijd wordt uitgekeerd. Daarnaast stelt de man dat de aard van de uitkering, namelijk wegens vervroegd uittreden, meebrengt dat deze niet onder de werking van de WVP valt: het gaat om een tijdelijke uitkering waarop in het algemeen alleen recht bestaat aansluitend aan het dienstverband, welke soort uitkeringen artikel 1 lid 3 WVP van verevening uitsluit.

3. De vrouw heeft er op gewezen dat de Stichting Pensioenfonds [werkgever] zich in brieven van 20 oktober 2003 en 3 mei 2004 op het standpunt stelt dat de bedoelde uitkering onder de werking van de WVP valt en zij heeft zich bij de in die brieven weergegeven argumentatie aangesloten. Tijdelijke overbruggings- of prépensioenen, waarop bij het beëindigen van de dienstbetrekking recht blijft bestaan, vallen volgens haar onder de verplichting tot verevening. Of nu het deelnemerschap van de man aan de RVU heeft voortgeduurd na zijn ontslag of niet, in beide gevallen is er, gelet op de bepalingen in het reglement van deze regeling, sprake van te verevenen pensioen.

4. De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

4.1. Blijkens artikel 1 lid 1 onder d WVP vallen slechts ouderdomspensioenen onder de vereveningsplicht. Dit begrip bedoelt vooral aan te geven dat nabestaanden-, arbeidsongeschikheids- of invaliditeitspensioen geen te verevenen pensioen is. (Zie ook de memorie van toelichting op de WVP, Kamerstukken 1990-1991, 21 893 nr. 3, pg. 21, m.b.t. onderdeel d.) Het sluit niet uit dat er van een ouderdomspensioen sprake kan zijn wanneer dat vóór het 65ste jaar ingaat. Essentieel is dat het moet gaan om een pensioenvoorziening die voorziet in inkomsten die wegvallen doordat men in verband met gevorderde leeftijd - dus niet om een andere reden zoals arbeidsongeschiktheid - ophoudt met werken. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de uitkering waarover dit geschil gaat een ouderdomspensioen in de zin van de WVP is.

4.2. Blijkens de brief van de Stichting Pensioenfonds [werkgever] van 3 mei 2004 is de RVU een pensioenregeling op grond van een pensioentoezegging in de zin van artikel 2 lid 1 Pensioen- en spaarfondsenwet, waarop ingevolge artikel 1 lid 4 WVP de pensioenverevening van toepassing is. De man heeft niet of onvoldoende onderbouwd gesteld waarom dit niet zo zou zijn.

4.3. Van verevening wordt ingevolge artikel 1 lid 3 WVP uitgesloten een (aanspraak op) tijdelijk pensioen op grond van regelingen ingevolge welke alleen een recht op uitkering van pensioen bestaat indien dat aansluitend aan het dienstverband van de betrokkene wordt uitgekeerd. In de brief van de Stichting Pensioenfonds [werkgever] wordt deze regeling ietwat begrijpelijker weergegeven: de WVP "is van toepassing op regelingen van tijdelijk pensioen waar(bij) op ontslagdatum pensioenaanspraken worden meegegeven". Uit de memorie van toelichting op de WVP (pg. 9) wordt ook duidelijk wat de achtergrond van deze regeling is: op een VUT-uitkering bestaat alleen recht indien betrokkene in dienst is van de onderneming (…) op het moment van de VUT-gerechtigde leeftijd; het is een voorwaardelijk recht, waarvan niet zeker is of het wordt geldend gemaakt.

Vast staat dat het dienstverband van de man in 1995 is geëindigd maar dat de betreffende regeling in 2003 tot uitkering is gekomen. Daaruit valt geen andere conclusie te trekken dan dat er sprake is van een recht op uitkering dat ook bestaat wanneer het niet aansluitend op het dienstverband van de betrokkene wordt uitgekeerd, met andere woorden: er is sprake van meegegeven pensioenaanspraken, die ook daadwerkelijk tot uitkering gekomen zijn en geen voorwaardelijk karakter hadden. Daarop is de WVP van toepassing.

4.4. Naar het oordeel van de rechtbank kan in het midden blijven of het deelnemerschap van de man aan het Pensioenfonds van [werkgever] al dan niet heeft doorgelopen na zijn ontslag in 1995, nu het antwoord op die vraag irrelevant is. Bepalend is immers, zoals uit het voorgaande blijkt, of er al dan niet sprake is van meegegeven pensioenaanspraken bij het einde van het dienstverband.

4.5. Voor zover mocht blijken dat bij de opbouw van dit pensioen gebruik is gemaakt van het FVP volgt uit artikel 1 lid 6 WVP dat ook in dat geval het pensioen verevend moet worden.

4.6. Nu niet anders is gesteld of gebleken dan dat het recht op de uitkering die de man in het kader van de RVU van de Stichting Pensioenfonds [werkgever] ontvangt is opgebouwd gedurende het huwelijk van partijen kan de rechtbank tot geen andere conclusie komen dan dat deze uitkering in volle omvang dient te worden verevend conform de regels van de WVP.

De wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap

5. Partijen hebben bij de mondelinge behandeling op 24 mei 2005 verklaard dat de afspraken die zij op 28 juni 2004 gemaakt hebben en die door de rechtbank op schrift zijn gesteld, volledig zijn en dat deze afspraken na de ontbinding van het huwelijk uitgevoerd kunnen worden. De man heeft hierbij echter nog een financieringsvoorbehoud gemaakt, omdat het volgens hem van de hoogte van de door hem van de vrouw te ontvangen alimentatie afhangt, of hij de financiering van de woning rond kan krijgen.

In het licht van het vorenstaande zal de rechtbank de beslissing omtrent de verdeling aanhouden. Partijen kunnen zich in een later stadium van de procedure nader uitlaten of de afspraken die op 28 juni 2004 over de boedelscheiding gemaakt zijn door de rechtbank aan de beschikking gehecht kunnen worden.

De alimentatie ten behoeve van de man

6. De man heeft een bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud verzocht van € 1.750,00 per maand. De vrouw is bereid tot betaling van een bijdrage, maar zij wil -nadat er duidelijkheid is over de pensioenverevening van de man- eerst een jusvergelijking maken. Zij heeft ook nog geen zicht op haar toekomstige woonlasten.

De rechtbank ziet hierin aanleiding de zaak te verwijzen naar een nadere terechtzitting met opdracht aan partijen als na te melden.

7. De rechtbank constateert dat partijen, indien zij thans niet met elkaar in overleg treden over de eventueel door de vrouw te betalen bijdrage aan de man, de financiële mogelijkheden van de man om de vrouw uit te kopen en de mogelijkheden van de vrouw om vervangende woonruimte te regelen, in een vicieuze cirkel dreigen te raken die gemakkelijk kan leiden tot veel tijdsverloop alvorens de gevolgen van de echtscheiding geheel geregeld zijn. Het hoeft geen betoog dat dit leidt tot hoge proceskosten. De rechtbank adviseert partijen daarom om bij elkaar te rade te gaan of zich te laten bijstaan door hun procureurs of een mediator ten einde de afwikkeling te bespoedigen.

BESLISSING

De rechtbank:

wijst af de door de man verzochte verklaring voor recht dat de uitkering die de man ontvangt in het kader van de Regeling Vervroegd Uittreden van de Stichting Pensioenfonds [werkgever] niet valt onder de Wet Verevening Pensioenrechten;

verwijst de zaak voor het overige naar de terechtzitting met gesloten deuren van deze kamer van 23 september 2005, voor een pro forma behandeling;

draagt op aan de vrouw om -voor zover dit niet al is gebeurd- uiterlijk drie weken voor voormelde zitting aan de griffier van de rechtbank en de man te zenden:

? (voor zover de vrouw een werknemer of uitkeringsgerechtigde is:) de laatst verstrekte jaaropgave en de laatste drie loonopgaven en/of uitkeringsspecificaties;

? (voor zover de vrouw een zelfstandige of freelancer is:) de laatste drie vastgestelde jaarrekeningen en over de tijd daarna de voorlopige cijfers, ook tussentijdse;

? opgave en bewijsstukken van de rechtstreeks door de fiscus betaalde heffingskortingen;

? de laatste drie aangiften inkomsten - en vermogensbelasting, indien bestaand, met de bijbehorende aanslagen;

? (voor zover de vrouw samenwoont met een partner:) bewijsstukken van de inkomsten en lasten van deze partner;

? een specificatie van de woonlasten met bewijsstukken;

? bewijsstukken van de eventuele schuld(en) en opgave van de restantschuld(en) en restantlooptijd, alsmede opgave waarvoor deze schuld(en) is (zijn) aangegaan;

? een bewijsstuk van de premie ziektekostenverzekering alsmede opgave van de (eventuele) bijdrage van de werkgever daarin;

? bewijsstukken van eventuele andere bijzondere kosten;

? een bruto draagkrachtberekening met jusvergelijking (opgemaakt met inachtneming van de Trema-normen) met alle daaraan ten grondslag liggende bescheiden voorzover hiervoor nog niet vermeld;

draagt op aan de man om -voor zover dat niet al is gebeurd- uiterlijk drie weken voor voormelde terechtzitting aan de griffier van de rechtbank en de vrouw te zenden:

? (voor zover de man een werknemer of uitkeringsgerechtigde is:) de laatst verstrekte jaaropgave en de laatste drie loonopgaven en/of uitkeringsspecificaties;

? (voor zover de man een zelfstandige of freelancer is:) de laatste drie vastgestelde jaarrekeningen en over de tijd daarna de voorlopige cijfers, ook tussentijdse;

? opgave en bewijsstukken van de rechtstreeks door de fiscus betaalde heffingskortingen;

? de laatste drie aangiften inkomsten - en vermogensbelasting, indien bestaand, met de bijbehorende aanslagen;

? een specificatie van de woonlasten met bewijsstukken;

? bewijsstukken van de eventuele schuld(en) en opgave van de restantschuld(en) en restantlooptijd, alsmede opgave waarvoor deze schuld(en) is (zijn) aangegaan;

? een bewijsstuk van de premie ziektekostenverzekering alsmede opgave van de (eventuele) bijdrage van de werkgever daarin;

? bewijsstukken van eventuele andere bijzondere kosten;

? een toelichting op de door de man gestelde alimentatiebehoefte met een bruto draagkrachtberekening met jusvergelijking (opgemaakt met inachtneming van de Trema-normen) met alle daaraan ten grondslag liggende bescheiden voorzover hiervoor nog niet vermeld;

draagt op aan beide partijen om uiterlijk één week voor voormelde zitting aan de griffier van de rechtbank en de wederpartij hun schriftelijke reactie te zenden op hetgeen de wederpartij tot dan toe met betrekking tot de alimentatie heeft gesteld en ingezonden, voor zover zij zich daarmee niet kunnen verenigen;

bepaalt dat, indien voldoening aan bovenvermelde opdrachten achterwege blijft, gebrekkig is of niet tijdig geschiedt -dat wil zeggen: buiten de terzake gegeven termijn en zonder dat tenminste één week voor het einde van deze termijn uitstel is verzocht en uiterlijk twee dagen voor het einde daarvan is verkregen- , de rechtbank daaraan de gevolgtrekkingen zal verbinden die zij dan geraden acht, waarbij geldt dat op te laat ingekomen stukken geen acht zal worden geslagen;

bepaalt dat aan de hand van de op voormelde zitting voorhanden zijnde gegevens –zo mogelijk- een beslissing zal worden genomen, tenzij partijen dan gemotiveerd te kennen hebben gegeven alsnog een mondelinge behandeling te wensen, althans aanhouding tot een nadere pro forma behandeling;

bepaalt dat partijen in geval van aanhouding tot een nadere behandeling tegen die behandeling op dezelfde wijze aan voormelde opdrachten dienen te voldoen, voor zover dat dan nog niet is geschied en de rechtbank niet anders heeft bepaald.

Deze beschikking is gegeven te Leeuwarden door mr. J.D.S.L. Bosch, lid van de kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op woensdag 8 juni 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.

(c: 20/107)

Van de einduitspraak in deze beschikking kan binnen 3 maanden hoger beroep worden inge-steld bij het gerechtshof te Leeuwarden. Indien u in deze procedure bent verschenen start deze termijn op de dag van de uitspraak. Als u niet in de procedure bent verschenen kan de termijn op een latere datum beginnen. Volgens de wet bent u verplicht om voor het instellen van hoger beroep een advocaat in te schakelen. In verband met de beperkte termijn dient u zo spoedig mogelijk contact met uw/een advocaat op te nemen!

De griffier.