Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2005:AT7609

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
06-06-2005
Datum publicatie
16-06-2005
Zaaknummer
04/956
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning voor herbouw schiphuis. Overgangsrecht. Calamiteitenregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 04/956

Inzake het geding tussen

[A], wonende te [B], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boarnsterhim en de raad van de gemeente Boarnsterhim, verweerders,

gemachtigden: R.S. Anema-Meulenaar en J. Terpstra, beiden werkzaam bij de gemeente Boarnsterhim.

Procesverloop

Bij brief van 15 juli 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boarnsterhim (hierna: het college) eiser in kennis gesteld van twee besluiten op bezwaar met betrekking tot de toepassing van de Woningwet en de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).

Tegen deze besluiten heeft eiser bij brief van 18 augustus 2004 beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 26 april 2005. Eiser is verschenen, vergezeld van zijn echtgenote. Verweerders zijn bij voornoemde gemachtigden verschenen.

Motivering

Op 31 maart 2003 heeft eiser een vergunning aangevraagd voor het geheel vernieuwen van een schiphuis (en een steiger) op het perceel [straatnaam] 46 te [B].

Het college heeft deze aanvraag tevens opgevat als een verzoek om vrijstelling van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO en dit verzoek ter beslissing doorgezonden aan de raad van de gemeente Boarnsterhim (hierna: de raad). De raad heeft op 21 oktober 2003 besloten geen vrijstelling te verlenen als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO voor het bouwen van het schiphuis.

Eiser heeft op 24 november 2003 een nieuw voorstel voor de bouw van een schiphuis ingediend, waarop het college eiser bij brief van 19 december 2003 heeft bericht dat geen vrijstellingsprocedure zal worden gestart en dat de bouwvergunning wordt geweigerd.

Eiser heeft bij brief van 22 januari 2004 hiertegen bezwaar gemaakt. In het advies dat het college ter zake van het bezwaarschrift aan de onafhankelijke commissie voor de Beroep- en Bezwaarschriften Boarnsterhim (hierna: de commissie) heeft gevraagd, heeft de commissie geconcludeerd dat het bezwaarschrift gericht is tegen zowel het besluit van het college van 19 december 2003, als het besluit van de raad van 21 oktober 2003, en dat het bezwaar tegen beide besluiten ongegrond dient te worden verklaard. In het advies is opgenomen dat de bouw van het schiphuis in strijd is met de bestemming “wegverkeer”, die op het te bebouwen perceel rust en dat eiser ook niet onder het in het bestemmingsplan opgenomen overgangsrecht valt. Gelet op de bouwtekening en de foto’s van de huidige situatie kan immers niet gesproken worden van gedeeltelijke vernieuwing van een bestaand schiphuis, noch van het tenietgaan van het oude schiphuis ten gevolge van een calamiteit. Volgens de commissie zal de hoofdoorzaak van het tenietgaan van het schiphuis ongetwijfeld zijn gelegen in de slechte onderhoudstoestand, waarbij de door eiser gestelde storm misschien het laatste zetje heeft gegeven. De commissie heeft voorts aangegeven dat het door de raad gevoerde beleid om nieuwe solitaire bebouwing in het buitengebied niet toe te staan teneinde de openheid van het landschap te kunnen waarborgen, niet onredelijk is. De raad heeft volgens de commissie dan ook in redelijkheid kunnen weigeren vrijstelling te verlenen door te stellen dat het bouwplan niet past in het ruimtelijke beleid, zoals vastgelegd in de in voorbereiding zijnde herziening van het bestemmingsplan.

Het college heeft vervolgens bij brief van 15 juli 2004 aan eiser meegedeeld dat de raad op 6 juli 2004 -onder overneming van het advies van de commissie- heeft besloten het bezwaar van eiser tegen de weigering vrijstelling te verlenen ongegrond te verklaren en dat het college -eveneens onder overneming van het advies van de commissie- heeft besloten het bezwaar van eiser tegen de weigering van de bouwvergunning ongegrond te verklaren.

In beroep heeft eiser aangevoerd dat het college het beroep op het calamiteitenbeginsel ten onrechte niet heeft gehonoreerd. De commissie heeft aan de hand van foto's -die maanden na de storm zijn genomen- op het standpunt gesteld dat het instorten te wijten is aan slecht onderhoud. Dit is evenwel niet het criterium dat gehanteerd moet worden; het juiste criterium om het calamiteitenbeginsel van toepassing te verklaren is of het botenhok tot de storm functioneel was, hetgeen het geval is. De (tweede) bouwaanvraag is bovendien in overeenstemming met de tekst van het overgangsrecht omtrent gedeeltelijke vernieuwing. De bestaande onderwaterconstructie zal voor het nieuwe schiphuis worden gebruikt en tevens zal het mogelijk zijn gedeelten van de op de foto's waar te nemen restanten van het schiphuis in het nieuwe schiphuis te verwerken. Eiser heeft voorts aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en dat verweerder een inconsequent beleid voert, gezien allerlei gevallen in de omgeving van zijn schiphuis, waarin wel aan een vrijstellingsprocedure wordt meegewerkt. Er is alle reden om de huidige bestemming van het perceel te wijzigen, nu de intentie een weg aan te leggen niet aanwezig is en de gronden het dijkprofiel niet ondersteunen. Puur op formele gronden dienen de bestreden besluiten vernietigd te worden, omdat het college in het besluit van 19 december 2003 de weigering van de vrijstelling niet heeft genoemd en het besluit tot weigering van de vrijstelling dus formeel niet in werking is getreden.

De rechtbank overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de Woningwet moet een bouwvergunning -onder meer- worden geweigerd indien het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

Krachtens het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied 1998” rust op het betreffende perceel de bestemming “wegverkeer”. Niet ter discussie staat dat een schiphuis niet valt onder de in het bestemmingsplan gegeven doeleindenomschrijving van wegverkeer. In het bestemmingsplan is evenwel een overgangsbepaling opgenomen, waarin is aangegeven dat (op het tijdstip van de eerste terinzagelegging van het bestemmingsplan) bestaande bouwwerken die van het bestemmingsplan afwijken (1.) gedeeltelijk mogen worden vernieuwd of veranderd, dan wel (2.) na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel mogen worden vernieuwd of veranderd. Eiser beroept zich op deze overgangsbepaling.

Vast staat dat vóór de eerste terinzagelegging van het bestemmingsplan op het betreffende perceel een schiphuis stond. Ten tijde van de bouwaanvraag waren op het te bebouwen perceel nog restanten van dat schiphuis aanwezig, maar van een volledig schiphuis kon op dat moment niet meer gesproken worden. Reeds op grond daarvan, alsmede op grond van het ingediende bouwplan, waaruit blijkt dat er een compleet nieuw schiphuis zal worden gebouwd, is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een gedeeltelijke vernieuwing of verandering. Een beroep op de hiervoor bedoelde overgangsbepaling onder (1.) gaat bijgevolg niet op.

Ten aanzien van het beroep op de overgangsbepaling onder (2.) overweegt de rechtbank dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State onder calamiteit moet worden verstaan een verwoesting door een onvermijdelijk, eenmalig, buiten de schuld van de betrokkene, veroorzaakt onheil. Eiser heeft gesteld dat het onheil in het onderhavige geval heeft bestaan uit een storm die op 27 oktober 2002 heeft gewoed. Een storm kan naar het oordeel van de rechtbank eerst als een dergelijk onheil worden aangemerkt, indien er sprake is van zodanige hevige windkrachten, dat goed onderhouden bouwwerken daartegen niet bestand zijn. In de door eiser ingezonden uitdraai van de internetsite van het Koninklijk Nederlands Meteorologisch Instituut is opgenomen dat op 27 oktober 2002 de zwaarste storm in twaalf jaar over Nederland is getrokken, waarbij windkracht 11 is gemeten. Uit de daarbij gevoegde kaart van Nederland, met daarop aangegeven het hoogste uurgemiddelde windsnelheid van die betreffende dag, volgt echter niet dat zich in het gebied, waarin het schiphuis was gelegen, windkracht 11 heeft voorgedaan. De kaart geeft ter plaatse een uurgemiddelde windsnelheid van 19 m/sec aan, hetgeen op de windschaal van Beaufort wordt aangeduid met windkracht 8 en wordt omschreven als stormachtig. Aangenomen mag worden dat een goed tot redelijk onderhouden bouwwerk bestand is tegen een dergelijke windkracht. De omstandigheid dat de genoemde windsnelheid een gemiddelde is, zodat op bepaalde momenten ter plaatse ook hogere windsnelheden zullen zijn gemeten, doet hier niet aan af. Eiser heeft ook niet kunnen aangeven of meer bouwwerken in de omgeving van het schiphuis door de storm teniet zijn gegaan. De wel door eiser genoemde weggewaaide dakpannen en omgewaaide wilgen acht de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat de storm ter plaatse zo hevig is geweest dat sprake is van een onheil als hiervoor bedoeld. In welke staat het schiphuis zich vóór 27 oktober 2002 ook precies bevond, op grond van het voorgaande is onvoldoende aannemelijk geworden dat het schiphuis ten gevolge van een calamiteit is tenietgegaan. Eiser komt derhalve evenmin een beroep toe op de overgangsbepaling onder (2.).

Indien een bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, kan de raad op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO ten behoeve van het verwezenlijken van een project vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan. In het onderhavige geval heeft de raad bij besluit van 21 oktober 2003 geweigerd een dergelijke vrijstelling te verlenen. Dit besluit is formeel niet bekend gemaakt. Nu de redenen voor het niet opstarten van een vrijstellingsprocedure wel zijn opgenomen in het -op juiste wijze bekend gemaakte- besluit van het college van 19 december 2003 en eiser in de bezwaarschriftenprocedure alsnog in het bezit is gesteld van het besluit van de raad van 21 oktober 2003, ziet de rechtbank hierin geen aanleiding om het beroep tegen de bestreden besluiten op grond daarvan gegrond te verklaren.

De raad heeft de vrijstelling geweigerd, omdat het bouwplan niet zou passen binnen het huidige ruimtelijke beleid. Bedoeld beleid, dat erop gericht is nieuwe solitaire bebouwing in het buitengebied tegen te gaan om het open karakter van het landschap te waarborgen, komt de rechtbank redelijk voor. Dat er voorheen al een schiphuis op het perceel heeft gestaan, maakt niet dat ten aanzien van eiser een uitzondering op dat beleid moet worden gemaakt, nu -zoals hiervoor reeds overwogen- dat schiphuis (slechts) onder het overgangsrecht was toegestaan en inmiddels is tenietgegaan.

Voor zover eiser heeft aangevoerd dat de bestemming "wegverkeer" in de herziening van het bestemmingsplan wijziging behoeft, overweegt de rechtbank dat de raad heeft uitgelegd dat de gronden tussen de dijk en het water ruimtelijk gezien onderdeel uitmaken van de dijk en om die reden tot de gronden met de bestemming "wegverkeer" worden gerekend. Gezien het hiervoor genoemde beleid komt het overigens niet aannemelijk voor dat de bouw van een schiphuis wel mogelijk zou zijn, indien de betreffende grond een andere bestemming zou krijgen.

De vergelijking die eiser ten slotte heeft gemaakt met andere bebouwing in de omgeving van het voormalige schiphuis, waarvoor volgens hem wel vrijstelling is verleend of een wijziging van het bestemmingsplan heeft plaatsgevonden, kan hem evenmin baten. Van honorering van een beroep op het gelijkheidsbeginsel kan eerst sprake zijn, indien gelijke gevallen ongelijk worden behandeld. De door eiser genoemde molen en huisjes betreffen zodanig andere bouwwerken dan het door eiser gewenste schiphuis, dat reeds op grond daarvan niet gesproken kan worden van gelijke gevallen. Ook de aanlegplaatsen van de Marrekrite, bestaande uit een beschoeide oever en aanlegpaaltjes, kunnen om deze reden niet met de situatie van eiser worden vergeleken. Daarbij wordt nog in het midden gelaten de verschillende bestemmingen die op de betreffende gronden rusten. De vergelijking die eiser heeft gemaakt met de op het perceel [straatnaam] 55 aangelegde steiger en de op het perceel [straatnaam] 50 aangebrachte beschoeiing gaat evenmin op. Het perceel [straatnaam] 55, waarop een steiger is gebouwd, heeft de bestemming "wonen" en dat woonperceel sluit direct aan op het water. Die situatie komt dus wat betreft de bestemming en de feitelijke locatie van het perceel niet overeen met de situatie van eiser. Ten aanzien van het perceel [straatnaam] 50 is ter zitting vast komen te staan dat de aangevraagde bouwvergunning voor een steiger is geweigerd. De daarvoor in de plaats aangebrachte beschoeiing is hoe dan ook niet te vergelijken met het gewenste schiphuis.

Gezien het voorgaande heeft de raad naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid kunnen stellen dat eisers belang bij de bouw van een schiphuis niet zo zwaar weegt dat deze dient te prevaleren boven het algemeen belang bij de instandhouding van het open karakter van het landschap in het buitengebied. De raad heeft derhalve in redelijkheid kunnen besluiten geen vrijstelling voor de bouw van het schiphuis te verlenen. Dit brengt mee dat het college de bouwvergunning voor het schiphuis wegens strijd met het bestemmingsplan terecht heeft geweigerd. Het beroep tegen de twee bestreden besluiten zal dan ook ongegrond worden verklaard.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van 6 juli 2004 ongegrond;

-verklaart het beroep tegen het besluit van het college van 15 juli 2004 ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2005

in tegenwoordigheid van mr. J.R. Leegsma als griffier.

w.g. J.R. Leegsma w.g. E. de Witt

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13 juncto 6:24 van de Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van de uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: 7 juni 2005