Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2005:AT6235

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
03-01-2005
Datum publicatie
25-05-2005
Zaaknummer
04/1496 & 04/1502
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

bouwvergunning / vrijstelling ex artikel 19, lid 2, WRO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nrs.: 04/1496 WRO, 04/1502 WRO

Inzake de gedingen tussen

[A], wonende te [B], verzoeker sub 1,

gemachtigde: mr. L.T. Florijn, juridisch adviseur te Gouda,

en

[C], wonende te [B], verzoeker sub 2,

gemachtigde: mr. A.H. van der Wal, advocaat te Leeuwarden,

gezamenlijk te noemen: verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Ameland, verweerder,

gemachtigden: P.J. IJnsen, wethouder, en R. Korvemaker, werkzaam in gemeentelijke dienst.

Procesverloop

Op 15 december 2004 heeft verweerder, onder gelijktijdige verlening van vrijstelling op grond van art. 19 lid 2 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), aan [D] te [E] een bouwvergunning verleend voor het oprichten van een schuur aan het [straatnaam] te [E] (kadastraal gemeente Ballum, sectie H nr. 64).

Namens verzoekers zijn tegen dit besluit bezwaarschriften ingediend. Tevens hebben verzoekers zich tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om de bouwvergunning op grond van art. 8:81 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij wege van voorlopige voorziening te schorsen.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 30 december 2004. Verzoeker sub 1 is verschenen in persoon, bijgestaan door ing. A.M. Bruin en mr. Florijn voornoemd. Verzoeker sub 2 is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Van der Wal voornoemd. Vergunninghouder [D] is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn zoon [D]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door bovengenoemde gemachtigden. Gedeputeerde Staten van Fryslân (GS) hebben zich niet ter zitting laten vertegenwoordigen.

Motivering

Op grond van art. 8:81 lid 1 Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoekers te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoekers een spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorlopige voorziening.

Voor zover de beoordeling van het verzoek met zich brengt dat het geschil in de hoofdzaak wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter.

Aan een verzoek als het onderhavige kan in beginsel worden voldaan, indien het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in de hoofdzaak luidt dat het bezwaar tegen het aangevallen besluit gegrond verklaard zal moeten worden.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

De onderhavige bouwaanvraag is op 10 november 2000 bij verweerder binnengekomen. Het bouwplan voorziet in de oprichting van een schuur van 243 m² (9 bij 27 meter). De afstand tot de dichtstbijzijnde woonbebouwing bedraagt circa 60 meter. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met de voorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 1997". GS hebben op 6 juli 2001 een verklaring afgegeven dat zij geen bezwaar hebben tegen het verlenen van vrijstelling voor het oprichten van een schapenschuur op de onderhavige locatie. Aan het vrijstellingsbesluit zijn de voorwaarden verbonden dat de schapenschuur buiten het broedseizoen en overeenkomstig de gewaarmerkte situering dient te worden gebouwd.

Verzoekers hebben aangevoerd dat de bouwvergunning niet verleend had mogen worden, omdat voor het oprichten van de schapenschuur een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer (Wm) is vereist.

Verweerder heeft dit standpunt gemotiveerd bestreden, waarbij er op is gewezen dat de door [D] op 20 september 2004 ingediende melding op grond van het Besluit melkrundveehouderijen milieubeheer (hierna: het Besluit) door verweerder is geaccepteerd.

Vergunninghouder heeft aangevoerd dat hij als deeltijdboer (zoog)koeien en schapen houdt. Het is de bedoeling om in de op te richten schuur maximaal 10 koeien en maximaal 100 schapen te huisvesten. De koeien zullen vanaf november in de schuur worden geplaatst wanneer het voor deze dieren buiten te koud is. De schapen zullen vanaf eind april aflammeren in de schuur; de koeien zijn dan al weer vanaf begin april buiten. Door mobiele hekken kan de schuur intern omgebouwd worden.

In het Besluit wordt onder melkrundveehouderij -voor zover hier relevant- verstaan: een inrichting die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het bedrijfsmatig houden van melkrundvee, voor zover:

- niet meer dan 50 mestvarkeneenheden worden gehouden, daarbij niet meegerekend ten hoogste 50 schapen die gedurende de aflamperiode in de inrichting worden gehouden;

- niet meer dan 100 stuks melkrundvee worden gehouden.

De voorzieningenrechter stelt voorop, dat het voor het antwoord op de vraag of het in dit geval om een vergunningplichtige inrichting gaat, geen verschil maakt dat de koeien en de schapen niet steeds tegelijk in de schuur verblijven. Uitgegaan moet worden van de maximale aantallen van 10 koeien en 100 schapen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het (deeltijd)bedrijf van [D], gelet op de getalsmatige verhouding tussen de koeien en de schapen, in hoofdzaak gericht op het houden van schapen. Uit de bouwtekeningen die zich onder de gedingstukken bevinden, valt evenmin af te leiden dat de schuur zal worden ingericht voor het uitsluitend of in hoofzaak houden van melkrundvee. De voorzieningenrechter betwijfelt bovendien of het houden van 10 (zoog)koeien wel als het bedrijfsmatig houden van melkrundvee in de zin van het Besluit kan worden beschouwd, of dat bij het houden van een zo gering aantal koeien het hobbymatige karakter niet meer de overhand krijgt. Daarbij wordt in de overwegingen betrokken dat in het Besluit akkerbouwbedrijven milieubeheer het houden van 15 stuks melkrundvee nog wordt beschouwd als een ondergeschikte neventak. De litigieuze schuur valt naar het oordeel van de voorzieningenrechter op grond van bovenstaande argumenten, bezien in onderlinge samenhang, niet onder de werkingssfeer van het Besluit, aangezien deze inrichting niet uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd voor het bedrijfsmatig houden van melkrundvee.

Op grond van het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat het onderhavige bouwplan betrekking heeft op een vergunningplichtige inrichting in de zin van de Wm, zodat de bouwvergunning in strijd met art. 52 Woningwet is verleend, omdat de bouwaanvraag niet is aangehouden wegens het ontbreken van een milieuvergunning.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan voorts betwijfeld worden of [D] door verweerder terecht is aangemerkt als 'deeltijdboer' in de zin van het gemeentelijk planologisch beleid. Uitgangspunt hierbij is, dat het agrarisch deeltijdbedrijf ten minste drie jaar moet bestaan uit ten minste 10 NGE (Nederlandse Grootte Eenheid) en ten minste 5 hectare grond in eigendom dan wel ten minste voor zes jaar in pacht dient te hebben. Uit de gedingstukken blijkt dat [D] slechts de beschikking heeft over circa 4 hectare, terwijl gegegens over het aantal NGE's over de afgelopen jaren ontbreken.

Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat naar zijn oordeel art. 19 lid 2 WRO in dit geval niet had kunnen worden toegepast. Uit de brief van GS van 25 oktober 2000 blijkt dat de toepassing van voormelde bepaling gedurende maximaal één jaar na verzending van deze brief is toegestaan, mits in overeenstemming met het ontwerp bestemmingsplan "Correctieve herziening bestemmingsplan Buitengebied 1997" zoals dat door de Commissie van Overleg op 5 oktober 2000 is behandeld. Toepassing van art. 19 lid 2 WRO is na afloop van die termijn van één jaar alleen mogelijk indien voor het verstrijken daarvan voormeld bestemmingsplan in procedure is gebracht. Aangezien dit laatste niet is gebeurd, had verweerder geen gebruik mogen maken van de verklaring van geen bezwaar van GS van 6 juli 2001 ten behoeve van de op grond van art. 19 lid 2 WRO verleende vrijstelling. Bovendien had de verklaring van geen bezwaar betrekking op een schapenschuur, terwijl de verleende vrijstelling en bouwvergunning zien op een schuur die volgens verweerder in hoofdzaak zal worden gebruikt ten behoeve van een melkrundveehouderijbedrijf.

Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel gekomen dat de bezwaarschriften van verzoekers gegrond verklaard zullen worden. Dat [D] de aannemer reeds opdracht heeft gegeven voor de bouw en het gegeven dat de stalen spanten voor de schuur reeds in productie zijn genomen, zijn omstandigheden die zijn rekening en risico van de vergunninghouder gelaten kunnen worden. De verzoeken zullen daarom op na te melden wijze worden toegewezen.

Gelet op het vorenstaande en op art. 8:82 lid 1 Awb dient de gemeente Ameland het door verzoekers betaalde griffierecht te vergoeden.

Op grond van art. 8:75 lid 1 juncto art. 8:84 lid 4 Awb veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de proceskosten van verzoeker sub 1 respectievelijk verzoeker sub 2 vastgesteld op € 644,00 en € 644,00 (verzoekschrift 1 punt; verschijnen ter zitting 1 punt; gewicht van de zaak: gemiddeld), terzake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De voorzieningenrechter wijst de gemeente Ameland aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de verzoeken toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit van verweerder van 15 december 2004, waarbij vrijstelling en een bouwvergunning is verleend aan D. [D] te [E], wordt geschorst tot twee weken nadat de beslissing op de bezwaarschriften op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, met dien verstande dat wanneer binnen één week nadien opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend, de getroffen maatregel van kracht blijft totdat de voorzieningenrechter op dat nieuwe verzoek heeft beslist;

- verstaat dat de gemeente Ameland het griffierecht van € 136,00 aan verzoeker sub 1 vergoedt;

-verstaat dat de gemeente Ameland het griffierecht van € 136,00 aan verzoeker sub 2 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker sub 1, groot € 644,00, aan verzoeker te vergoeden door de gemeente Ameland;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker sub 2, groot € 644,00, aan verzoeker te vergoeden door de gemeente Ameland;

-wijst af hetgeen meer of anders is gevraagd.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 januari 2005, in tegenwoordigheid van mr. F.P. Dillingh als griffier.

w.g. F.P. Dillingh

w.g. E. de Witt

Tegen deze uitspraak kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Schriftelijke uitspraak verzonden op: