Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2005:AT6223

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
04-04-2005
Datum publicatie
25-05-2005
Zaaknummer
04/119
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bouwvergunning / lichtbak / APV

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 04/119 GEMWT

Inzake het geding tussen

I. [A.], wonende te [B.], eiseres,

gemachtigden: H.J.M. Scholte en J.M. [A.],

en

het college van burgemeester en wethouders van [B.], verweerder,

Procesverloop

Bij brief van 24 december 2003 heeft verweerder eiseres mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV).

Tegen dit besluit heeft eiseres op 21 januari 2004 beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 1 oktober 2004. Eiseres is verschenen bij gemachtigden. Verweerder is niet verschenen. Vervolgens heeft de rechtbank aanleiding gezien om toepassing gegeven aan art. 8:68 Algemene wet bestuursrecht (Awb) teneinde informatie op te vragen bij verweerder. De zaak is wederom behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 31 maart 2005. Eiseres is verschenen bij gemachtigden. Verweerder is niet verschenen.

Motivering

Eiseres heeft, nadat zij door verweerder was gewezen op de vergunningplicht, op 12 juni 2001 een reclamevergunning als bedoeld in art. 4.7.2. APV aangevraagd voor het plaatsen van een reclamebord en een lichtreclame aan de gevel van de door haar geëxploiteerde kledingzaak aan [adres] te [B.].

Bij besluit van 13 februari 2003 heeft verweerder de gevraagde vergunning geweigerd.

Tegen dit besluit heeft eiseres op 28 februari 2003 bezwaar gemaakt.

Na behandeling door de commissie bezwaarschriften op 9 december 2003, heeft verweerder bij het thans bestreden besluit het bezwaarschrift conform het advies van deze commissie ongegrond verklaard. Daarbij is onder meer aangegeven dat de Woningwet niet van toepassing is, zodat getoetst dient te worden aan de APV. Verweerder is van mening dat nu de reclame niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, de vergunning terecht op grond van art. 4.7.2 lid 4 onder a APV geweigerd is.

In beroep heeft eiseres gesteld dat lichtbak al aanwezig was toen zij de exploitatie van de kledingwinkel in maart 2001 heeft overgenomen en dat zij daarom van mening is dat voor deze lichtbak geen vergunning is vereist. Indien deze vergunning wel vereist is, is zij van mening dat verweerder bij de beoordeling de verkeerde toetsingscriteria heeft gehanteerd. Voorts heeft eiseres aangegeven dat nu verweerder eerst na achttien maanden een besluit heeft genomen op haar aanvraag, zij er van uit mocht gaan dat haar aanvraag in orde bevonden was.

Verweerder heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat als gevolg van de door eiseres aangebrachte wijzigingen aan de lichtbak een nieuwe vergunningplichtige situatie is ontstaan. De door eiseres ingediende aanvraag is getoetst aan de criteria die golden ten tijde van de aanvraag. Verweerder heeft voorts aangegeven dat het feit dat het lang heeft geduurd alvorens op de aanvraag te beslissen niet betekent dat eiseres erop mocht vertrouwen dat de gemeente accoord was met de bestaande situatie.

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

In art. 4.7.2 lid 1 APV is bepaald dat het de rechthebbende op een onroerende zaak alsmede de hoofdgebruiker van die zaak verboden is zonder vergunning van burgemeester en wethouders deze zaak of een daarop aanwezige zaak te gebruiken of het gebruik daarvan toe te laten voor het maken van handelsreclame met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de weg of vanaf een andere voor het publiek toegankelijke plaats zichtbaar is.

Ingevolge lid 3 van dit artikel geldt dit verbod niet voor zover de Woningwet van toepassing is.

Ingevolge art. 1 lid 1 aanhef en onder a Woningwet wordt onder bouwen verstaan, het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

Ingevolge art. 40 Woningwet is het verboden te bouwen zonder vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

Ingevolge art. 43 lid 1 aanhef en onder c Woningwet is in afwijking van art. 40 lid 1 Woningwet geen bouwvergunning vereist voor het bouwen dat bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als van beperkte betekenis. Ter uitvoering van deze bepaling is in de artt. 2 en 3 Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (het Besluit) bepaald in welke gevallen sprake is van bouwen van beperkte betekenis.

Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat het plaatsen van de lichtbak is aan te merken als het plaatsen dan wel veranderen van een bouwwerk zoals bedoeld in art. 1 lid 1 aanhef onder a Woningwet. Voorts is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in art. 2 of art. 3 van het Besluit. Dit betekent dat voor de onderhavige lichtbak een vergunning vereist is zoals bedoeld in art. 40 lid 1 Woningwet. Dat de lichtbak reeds aanwezig was toen eiseres de exploitatie van de zaak overnam, alsmede de omstandigheid dat verweerder lang heeft gewacht met het nemen van een besluit op de aanvraag doet hier op zich niets aan af.

Nu verweerder heeft miskend dat in het geval van eiseres toepassing diende te worden gegeven aan (art. 40 lid 1 van) de Woningwet, dient geoordeeld te worden dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit wegens strijd met art. 4.7.2. lid 3 APV voor vernietiging in aanmerking komt. Verweerder dient derhalve met inachtneming van het vorenoverwogene een nieuw besluit te nemen op het door eiseres ingediende bezwaar. Bij dit nieuw te nemen besluit dient verweerder tevens na te gaan en te betrekken of in het verleden (reeds) een bouwvergunning aan de vorige exploitant is verleend voor het plaatsen van de onderhavige lichtbak.

Gelet op het vorenstaande en op het bepaalde in art. 8:74 lid 1 Awb dient de gemeente Heerenveen het door eiseres gestorte griffierecht van € 116,00 te vergoeden.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling nu van dergelijke kosten aan de zijde van eiseres niet is gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de gemeente Heerenveen het door eiseres betaalde griffierecht van € 116,00 aan

haar vergoedt.

Aldus gegeven door mr. E.M. Visser, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2005 in tegenwoordigheid van mr. M.A. Jansen als griffier.

w.g. M.A. Jansen

w.g. E.M. Visser

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: