Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2005:AT5885

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
20-04-2005
Datum publicatie
25-05-2005
Zaaknummer
04/832
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

wijziging gebruiksfunctie / vrijstelling / artikel 19, derde lid, WRO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 04/832

Inzake het geding tussen

[A] en [B],

beiden wonende te [C], eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Menaldumadeel, verweerder,

gemachtigden: mr. J. Kramer en G.J. de Haan, werkzaam bij verweerders gemeente.

Procesverloop

Bij brief van 18 juni 2004 heeft verweerder eisers in kennis gesteld van een besluit op bezwaar met betrekking tot de toepassing van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).

Tegen dit besluit hebben eisers op 12 juli 2004 beroep ingesteld.

Op grond van artikel 8:26, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is C.D. [E], h.o.d.n. Maaltijdvoorziening [E] (hierna: Maaltijdvoorziening [E]) door de rechtbank in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Maaltijdvoorziening [E] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 8 maart 2005. Eisers zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens Maaltijdvoorziening [E] is -zoals reeds tevoren aangekondigd- niemand verschenen.

Motivering

Namens Maaltijdvoorziening [E] is op 5 oktober 2003 bij verweerder een meldingsformulier in het kader van het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer ingediend voor een door haar in het pand [adres] te [C] te exploiteren maaltijdvoorziening. Verweerder heeft dit formulier -tevens- opgevat als een verzoek om vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO voor het gewijzigd gebruik van het pand [adres], waarin voorheen een rijwiel/bromfietshandel gevestigd was. Het verzoek heeft van 15 januari 2004 tot en met 12 februari 2004 ter inzage gelegen, binnen welke termijn eisers, die aan de [adres 2] respectievelijk [adres 3] wonen, hun zienswijze hebben ingebracht.

Bij besluit van 24 februari 2004 heeft verweerder op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO vrijstelling verleend van de bepalingen van het bestemmingsplan om in het perceel [adres]a over te kunnen gaan tot het bereiden, koken en bezorgen van maaltijden.

Eisers hebben bij brief van 6 april 2004 bezwaar gemaakt tegen de aan Maaltijdvoorziening [E] verleende vrijstelling, omdat het volgens hen niet aanvaardbaar is om in het pand op perceel [adres] een maaltijdvoorziening toe te laten.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder -onder overneming van het daartoe strekkende advies van de commissie bezwaar- en beroepschriften- het bezwaar ongegrond verklaard. De commissie concludeert in het advies dat verweerder de procedure met betrekking tot artikel 19, derde lid, van de WRO correct heeft gevolgd en dat er voldoende belangenafweging heeft plaatsgevonden. De commissie overweegt daartoe onder meer dat de milieuhygiƫnische aspecten zijn beoordeeld bij de indiening van de melding in het kader van de milieuwetgeving, welke melding inmiddels akkoord is bevonden. De commissie constateert voorts dat volgens de brochure van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: de VNG) zowel een rijwiel/bromfietshandel als een maaltijdvoorziening een categorie 2 bedrijf is, het pand -ook in het in voorbereiding zijnde voorontwerp bestemmingsplan Menaldum- in een gemengd gebied ligt en de in de VNG publicatie "Bedrijven en milieuzonering" gestelde minimum afstand van 30 meter tussen een catering en omliggende woningen slechts indicatief is.

De bezwaren van eisers tegen de vrijstelling betreffen voornamelijk de overlast, die zij vrezen te ondervinden als gevolg van de maaltijdvoorziening. In beroep hebben zij aangevoerd dat het advies van de commissie -en daarmee het bestreden besluit- niet deugdelijk is gemotiveerd. In het advies is niet inhoudelijk op de zaak ingegaan, is geen enkele afweging gemaakt omtrent de overlast die een maaltijdvoorziening voor de omgeving zal meebrengen en is geen opmerking geplaatst over de nog niet aangevraagde, maar wel benodigde bouwvergunningen voor een afvoerpijp en de interne verbouwingen. Volgens eisers getuigt het toelaten van een bestaand bedrijf met groeipotentie zoals Maaltijdvoorziening [E] op een locatie temidden van woningbouw, terwijl er een nieuw bedrijventerrein in aanbouw is, niet van een goed ruimtelijk beleid.

Maaltijdvoorziening [E] heeft aangegeven dat zij zich kan vinden in het advies van de commissie en derhalve ook in het bestreden besluit.

De rechtbank overweegt het volgende.

Ter plaatse is van kracht het bestemmingsplan "Kern Menaldum", vastgesteld op 1 oktober 1968. Ingevolge het bestemmingsplan heeft het perceel [adres]a de bestemming "eengezinshuizen". In de raadsvergadering van 21 maart 1991 is voor dit perceel een voorbereidingsbesluit genomen om de bouw van een bedrijfsruimte mogelijk te maken, waarna op 4 juni 1991 vrijstelling is verleend van de bepalingen van het bestemmingsplan om het mogelijk te maken op dat perceel gerichter bedrijfsruimte te bouwen. Sindsdien is het op het perceel gelegen pand in gebruik geweest als rijwielhandel met reparatieplaats. Vanaf 1998 is de rijwielhandel uitgebreid met de verkoop en het onderhoud van scooters.

Gelet op het voorgaande heeft verweerder dan ook terecht als uitgangspunt genomen dat het hier een gebruikswijziging van bedrijfsruimte betreft, namelijk van rijwiel/bromfietshandel naar maaltijdvoorziening. Vast staat dat het bestemmingsplan zich tegen het gewenste gebruik verzet. Niet in het geding is echter dat dit gebruik valt onder de in artikel 20, eerste lid, aanhef, onder e, van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) genoemde situaties, waarin van de vrijstellingsbevoegdheid van artikel 19, derde lid, van de WRO gebruik kan worden gemaakt.

Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat de commissie bezwaar- en beroepschriften en verweerder niet inhoudelijk op de zaak zijn ingegaan en hebben de rechtbank verzocht de zaak inhoudelijk te toetsen. Ten aanzien van dit verzoek overweegt de rechtbank dat -gelet op de discretionaire bevoegdheid van verweerder om een dergelijke vrijstelling te verlenen- de beoordeling van de rechtbank beperkt is tot de vraag of kan worden geoordeeld dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

De rechtbank kan eisers niet volgen in hun stelling dat verweerder bij de belangenafweging de overlast, die een maaltijdvoorziening ter plaatse met zich mee zal brengen, niet heeft meegewogen. Zoals de commissie bezwaar- en beroepschriften in het uitgebrachte advies reeds heeft overwogen, worden deze milieuhygiƫnische aspecten, waarop eisers doelen, primair beoordeeld in het kader van de milieuwetgeving. Bij de belangenafweging inzake de vrijstelling dienen deze aspecten wel in aanmerking te worden genomen, maar behoeven deze niet in volle omvang te worden beoordeeld. In een geval als het onderhavige, waarin verweerder -onder overneming van het advies van de Milieuadviesdienst- de gebruikswijziging in het kader van de milieuwetgeving al akkoord heeft verklaard en geen aanleiding heeft gezien om nadere eisen op grond van de Wet Milieubeheer te stellen, heeft verweerder reeds op grond van de plaatsgevonden beoordeling in het kader van de milieuwetgeving kunnen bepalen dat de inbreuk op het woon- en leefmilieu als gevolg van de aanwezigheid van de maaltijdvoorziening niet zodanig is, dat dit in de weg staat aan het verlening van de vrijstelling. In het verweerschrift in het kader van de beroepsprocedure heeft verweerder bovendien alsnog uiteengezet op welke wijze de door eisers gevreesde overlast in de belangenafweging is betrokken. De door verweerder daarbij ingenomen standpunten dat bij de maaltijdvoorziening minder verkeers- en geluidsoverlast is te verwachten dan het geval was bij de rijwiel- en bromfietshandel en geen geuroverlast valt te vrezen door het plaatsen van moderne apparatuur, komen de rechtbank redelijk voor. Mocht Maaltijdvoorziening [E] in de toekomst de activiteiten intensiveren tengevolge waarvan (meer) verkeers- geluids- en/of geuroverlast zou ontstaan, dan zal -zoals verweerder reeds in de bestuurlijke voorprocedure aan eisers heeft laten weten- voor eisers de mogelijkheid open staan verweerder om handhaving te verzoeken. Voor het oordeel dat verweerder gelet op de door eisers gestelde groeipotentie van Maaltijdvoorziening [E] in redelijkheid niet heeft kunnen overgaan tot het verlenen van de vrijstelling, is dan ook geen aanleiding.

Anders dan eisers menen, behoeft verweerder bij de beoordeling of hij van zijn vrijstellingsbevoegdheid gebruik zal maken, niet stil te staan bij de vraag of de voor het nieuwe gebruik benodigde bouwvergunningen wel zijn aangevraagd of verleend. Dergelijke vergunningen staan geheel los van de vraag of de gebruiksfunctie van het bedrijfsgebouw gelet op alle betrokken belangen gewijzigd kan worden.

Nu de rechtbank ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid op grond van art. 19 lid 3 WRO, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2005 in tegenwoordigheid van mr. F. Aissa als griffier.

w.g. F. Aissa

w.g. E. de Witt

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in artikel 6:13 juncto 6:24 van de Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van de uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: