Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2005:AT4881

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
29-04-2005
Datum publicatie
02-05-2005
Zaaknummer
04/1002
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Horecavergunning dorpshuis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 04/1002 HOREC

Inzake het geding tussen

de Stichting Dorpshuis Haulerwijk ("De Enter"), gevestigd te Haulerwijk, eiseres,

gemachtigden: F.R. Willems-Bootsma, voorzitter van het stichtingsbestuur, en J.G. Timmer, bestuurslid;

en

1. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ooststellingwerf, en

2. de burgemeester van de gemeente Ooststellingwerf, verweerders,

gemachtigde: R. Aerts, werkzaam bij de gemeente Ooststellingwerf.

Procesverloop

Bij brief van 28 juli 2004 is aan eiseres mededeling gedaan van besluiten op bezwaar met betrekking tot de toepassing van de Drank- en Horecawet (DHW) en de Algemene Plaatselijke Verordening (APV).

Tegen deze besluiten is namens eiseres op 30 augustus 2004 beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, meervoudige kamer, gehouden op 28 februari 2005. Eiseres heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door bovenvermelde gemachtigden. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Motivering

Bij besluit van 30 oktober 2003 heeft het college aan eiseres een vergunning ingevolge art. 3 DHW (hierna te noemen: drank- en horecavergunning) verleend voor het uitoefenen van een horecabedrijf in het pand aan de Leeksterweg 23 te Haulerwijk. Daarbij is in de vergunningvoorschriften opgenomen dat de vergunning uitsluitend geldt voor het verstrekken van zwak-alcoholhoudende dranken voor gebruik ter plaatse een uur vóór, tijdens en een uur na in verenigingsverband georganiseerde bijeenkomsten met een sociale of culturele strekking, of in het kader van activiteiten van de instelling zelf. Voorts is bepaald dat de vergunning niet geldt voor het verstrekken van alcoholhoudende dranken voor gebruik ter plaatse voor bijeenkomsten van persoonlijke aard (zoals bijvoorbeeld bruiloften en partijen) en dat het verboden is zodanige bijeenkomsten openlijk aan te prijzen.

Tegen dit besluit is namens eiseres op 5 december 2003 een bezwaarschrift ingediend. Bij schrijven van 15 december 2003 heeft eiseres dit bezwaarschrift ingetrokken. Vervolgens is namens eiseres -mondeling- aan de burgemeester gevraagd om haar op grond van de APV ontheffing te verlenen voor het schenken van sterk-alcoholhoudende drank. Eiseres heeft voorts aan het college gevraagd om de in de drank- en horecavergunning opgenomen beperkingen in te trekken.

Bij besluit van 2 maart 2004 heeft het college geweigerd de in de drank- en horecavergunning opgenomen beperkingen in te trekken. Hierbij heeft het college overwogen dat eiseres een paracommerciële instelling is die zich op sociaal-culturele en educatieve activiteiten richt. Op grond van art. 4 DHW meent het college daarom beperkingen te moeten verbinden aan de drank- en horecavergunning teneinde te voorkomen dat het dorpshuis een oneerlijke concurrent is van reguliere horeca-ondernemingen.

Bij besluit van 2 maart 2004 heeft de burgemeester besloten om geen ontheffing te verlenen van het verbod tot het schenken van sterk-alcoholhoudende dranken. Daartoe heeft hij overwogen dat als beleidsuitgangspunt geldt dat alleen in een bijzondere situatie ontheffing van het verbod wordt verleend. Alcoholgebruik brengt volgens de burgemeester in velerlei opzichten veel maatschappelijke schade mee, hetgeen een reden is om het aanbod van sterk-alcoholhoudende dranken te beperken, zeker in laagdrempelige inrichtingen als een dorpshuis. Daarbij heeft de burgemeester ook gewezen op de ongewenste precedentwerking die het verlenen van een ontheffing tot gevolg zou hebben.

Bij de thans bestreden besluiten hebben verweerders de tegen hun besluiten van 2 maart 2004 ingediende bezwaarschriften ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college het vergunningvoorschrift dat alleen het schenken van zwak-alcoholhoudende dranken is toegestaan vervallen verklaard, aangezien dit reeds uit de APV volgt.

In dit geding moet worden beoordeeld of de bestreden besluiten in rechte stand kunnen houden. De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van het bestreden besluit van het college

De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat de drank- en horecavergunning van 30 oktober 2003 -nadat het bezwaarschrift daartegen door eiseres is ingetrokken- in rechte onaantastbaar is geworden. Het thans aan de orde zijnde verzoek van eiseres om de in de vergunning opgenomen beperkingen in te trekken strekt ertoe dat het college van dit eerdere besluit terugkomt.

Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in art. 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

Uit de jurisprudentie volgt dat een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd is een verzoek van een belanghebbende om van een eerder genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing in volle omvang te heroverwegen. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid het eerdere besluit handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De rechtbank dient in het onderhavige geval dan ook het oorspronkelijke besluit van 30 oktober 2003 als uitgangspunt te nemen en zich te beperken tot de vraag of eiseres een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheden aan haar verzoek ten grondslag heeft gelegd.

Namens eiseres is aangevoerd dat in een gesprek met verweerders gemeente van gemeentezijde is aangegeven dat eiseres het ingediende bezwaarschrift diende in te trekken, waarna een ontheffing van het verbod om sterk-alcoholhoudende drank te mogen schenken kon worden aangevraagd. Vertrouwend op de juistheid van dit advies heeft eiseres het bezwaarschrift vervolgens inderdaad ingetrokken. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee echter niet gesteld of gebleken dat in genoemd gesprek van de zijde van het college toezeggingen zijn gedaan met betrekking tot de overige in de vergunning van 30 oktober 2003 opgenomen beperkingen. Voor zover eiseres heeft bedoeld een beroep te doen op het vertrouwensbeginsel, faalt dit beroep derhalve. Ook in hetgeen overigens namens eiseres naar voren is gebracht ziet de rechtbank geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in vorenbedoelde zin, nu niet is gebleken van wezenlijk andere gegevens dan die ten tijde van de vergunningverlening reeds bekend waren.

De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat verweerder bevoegd was het verzoek van eiseres met betrekking tot de in de vergunning van 30 oktober 2003 opgenomen beperkingen af te wijzen en te volstaan met het schrappen van de beperking tot zwak-alcoholhoudende drank. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat verweerder niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

Het beroep van eiseres, voor zover dit betrekking heeft op het bestreden besluit van het college, moet derhalve ongegrond worden verklaard.

Ten aanzien van het bestreden besluit van de burgemeester

Art. 23 lid 1 DHW bepaalt dat bij gemeentelijke verordening, de inspecteur gehoord, het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank kan worden verboden. Ingevolge het derde lid kunnen bij een verordening als bedoeld in het eerste lid regels worden gesteld omtrent de voorschriften die aan een vergunning als bedoeld in artikel 3 kunnen worden verbonden en omtrent het beperken van een vergunning tot het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drank.

Ingevolge art. 2.3.1.4.2 aanhef en onder d APV is het verboden anders dan om niet sterke drank voor gebruik ter plaatse te verstrekken in een inrichting die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij sociaal culturele instellingen.

Op grond van art. 2.3.1.4.4 APV kan de burgemeester ontheffing verlenen van het in art. 2.3.1.4.2 gestelde verbod. Deze ontheffing kan onder beperkingen worden verleend of er kunnen voorwaarden aan de ontheffing worden verbonden.

Namens eiseres is allereerst betoogd dat de verbodsbepaling voor het schenken van sterk-alcoholhoudende drank in de APV onverbindend is, aangezien in de APV onderscheid wordt gemaakt tussen zwak-alcoholhoudende en sterk-alcoholhoudende drank, waar de vergunning op grond van de DHW dat onderscheid niet kent.

Dit betoog faalt. Daartoe overweegt de rechtbank dat art. 23 DHW, blijkens de geschiedenis van de totstandkoming daarvan, in de wet is opgenomen omdat het gewenst werd geacht dat gemeenteraden kunnen bepalen dat sterke drank of in het algemeen alcoholhoudende drank niet mag worden verstrekt in inrichtingen van een bepaalde aard zoals jeugdhuizen, sportverenigingen e.d., alsmede ook verderstrekkende regelingen kunnen treffen indien dat uit vrees voor de gevolgen van drankmisbruik noodzakelijk wordt geacht. Gelet hierop is de verbodsbepaling in overeenstemming met doel en strekking van art. 23 voormeld.

Eiseres stelt zich voorts op het standpunt dat -onder meer- de artt. 2.3.1.4.2 en 2.3.1.4.4 APV geen rechtskracht hebben, omdat voor de vaststelling van die bepalingen door de gemeenteraad de inspecteur niet is gehoord zoals is voorgeschreven in art. 23 DHW. De rechtbank merkt dienaangaande op dat de desbetreffende APV-bepalingen, die blijkens de gedingstukken op 21 december 1999 door de gemeenteraad zijn vastgesteld en op 7 april 2000 in werking zijn getreden, zijn gebaseerd op het destijds geldende art. 18 DHW, welk artikel met ingang van 1 november 2000 is vervangen door het huidige art. 23 DHW, en waarin de eis van het horen van de inspecteur niet is gesteld. Het enkele feit dat die eis nadien wel is gesteld in art. 23 DHW, ontneemt naar het oordeel van de rechtbank niet met terugwerkende kracht de rechtskracht aan de voordien op grond van art. 18 DHW (oud) tot stand gekomen APV-bepalingen. In dit verband wijst de rechtbank erop dat een gemeentelijke verordening die was gebaseerd op art. 18 DHW (oud) was onderworpen aan de goedkeuring van het college van Gedeputeerde Staten dat op zijn beurt de inspecteur diende te horen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester terecht aangenomen dat het onderhavige dorpshuis onder de verbodsbepaling van art. 2.3.1.4.2 APV valt. Daarbij is van belang dat het dorpshuis wordt geëxploiteerd door eiseres die, gelet op haar statuten, dient te worden aangemerkt als een sociaal-culturele instelling.

Aan de weigering om aan eiseres een ontheffing als bedoeld in art. 2.3.1.4.4 APV te verlenen heeft de burgemeester als motivering ten grondslag gelegd dat hij een restrictief beleid voert, in die zin dat enkel incidenteel en op aanvraag in bijzondere situaties besloten kan worden om ontheffing te verlenen van het algemene verbod tot het schenken van sterk-alcoholhoudende drank. Het gebruik van alcohol brengt namelijk volgens de burgemeester veel maatschappelijke schade mee en het beleid is daarom gericht op beperking van het aanbod van sterk-alcoholhoudende drank, zeker in laagdrempelige inrichtingen zoals een dorpshuis.

Naar het oordeel van de rechtbank is dit door de burgemeester gevoerde beleid echter niet in overeenstemming met hetgeen de gemeenteraad in 1999 bij opneming van de desbetreffende bepalingen in de APV heeft beoogd. Uit de ter zitting namens verweerder overgelegde vergaderstukken van de raadsvergadering van 19 januari 1999 blijkt uit de toelichting op genoemde bepalingen dat de beperking tot het schenken van zwak-alcoholische drank in -onder meer- sociaal-culturele instellingen, hoofdzakelijk verband houdt met de aanwezigheid van veel jeugd in deze gelegenheden. Op basis van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt de rechtbank vast dat in de situatie van eiseres de aanwezigheid van veel jeugd niet aan de orde is. Namens eiseres is in dit verband onbetwist gesteld dat het dorpshuis voornamelijk bezoekers van 55 jaar en ouder trekt. Gelet hierop kan het beroep van de burgemeester op ongewenste precedentwerking niet worden gevolgd op de enkele grond dat het zou gaan om een laagdrempelige inrichting. Eiseres heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het dorpshuis niet (zonder meer) kan worden vergeleken met de door verweerder genoemde inrichtingen.

Gelet op het vorenstaande concludeert de rechtbank dat het bestreden besluit van de burgemeester niet berust op een deugdelijke motivering en dient te worden vernietigd wegens strijd met art. 7:12 lid 1 Awb. Het beroep tegen dit besluit is gegrond.

Gelet op het vorenstaande en op het bepaalde in art. 8:74 lid 1 Awb dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 273,- te vergoeden. De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit van het college van burgemeester en wethouders, ongegrond;

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit van de burgemeester, gegrond en vernietigt dit besluit;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 273,- aan eiseres vergoedt.

Aldus gegeven door mr. A.J. Rietveld, voorzitter, en mrs. E. de Witt en P. van der Wal, rechters, en door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 28 april 2005, in tegenwoordigheid van mr. M.R. Molenaar als griffier.

w.g. M.R. Molenaar

w.g. A.J. Rietveld

Tegen deze uitspraak staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u dan waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Schriftelijke uitspraak verzonden op: 29 april 2005