Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2005:AS9935

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
08-03-2005
Datum publicatie
11-03-2005
Zaaknummer
04/516 WET & 04/517 WET & 04/518 WET
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Planschade ten gevolge van roofdierenopvangcentrum. Verzoek afgewezen. Geen planologische verslechtering, conform SAOZ-rapport. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 04/516, 517 en 518 WET

Inzake het geding tussen

[A], [B] en de erven [C], allen wonende te [D], eisers,

gemachtigde: mr. E. Wiarda, Langhout & Wiarda juristen, rentmeesters en makelaars,

en

de raad van de gemeente Ooststellingwerf, verweerder,

Procesverloop

Bij brief van 23 maart 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van verweerders gemeente eisers mededeling gedaan van verweerders besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO).

Tegen dit besluit is namens eisers op 3 mei 2004 beroep ingesteld.

De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 17 februari 2005. Namens de erven [C] is verschenen [E]; voorts is verschenen [A] en de gemachtigde van eisers. Verweerder is niet verschenen.

Motivering

Bij brieven van 31 juli 2002 hebben eisers verweerder verzocht hen op grond van art. 49 WRO een vergoeding van planschade toe te kennen, omdat zij van mening zijn schade aan woning en/of bedrijf te hebben geleden door de vaststelling van het bestemmingsplan “Partiële herziening [adres] Nijerbekoop”. In dit bestemmingplan is aan het perceel [adres] te Nijerbekoop de bestemming “doeleinden handel en bedrijf, categorie DOC (dierenopvangcentrum)” toegekend, terwijl het voorheen onder het bestemmingsplan “Buitengebied” bestemming “Agrarische doeleinden” had. Op het perceel is het roofdierenopvangcentrum Pantera (hierna: Pantera) gevestigd, hetgeen volgens eisers een negatieve uitstraling op de omgeving heeft. De roofdieren veroorzaken geluidsoverlast en vormen bij losbreken of los laten een potentieel gevaar. Voorts zal er sprake zijn van een verkeersaantrekkende werking.

Verweerder heeft het verzoek ter advisering voorgelegd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ). De SAOZ heeft in april 2003 geadviseerd het verzoek af te wijzen, omdat geen sprake is van een planologische verslechtering.

Bij besluiten van 19 augustus 2003 heeft verweerder overeenkomstig het advies van de SAOZ besloten de verzoeken om planschadevergoeding af te wijzen.

Tegen deze besluiten is namens eisers op 6 oktober 2003 bezwaar gemaakt.

Na behandeling door de commissie van advies voor de bezwaarschriften op 27 november 2003, heeft verweerder bij het thans bestreden besluit het bezwaarschrift conform het advies van deze commissie ongegrond verklaard.

In beroep is namens eisers gesteld dat door de vestiging van het dierenopvangcentrum Pantera schade is geleden. De kans bestaat dat er roofdieren uitbreken of bijvoorbeeld bij brand worden vrijgelaten. De geluiden zijn angstaanjagend en verstoren de nachtrust. Voorts heeft Pantera een publieksaantrekkende functie. Onder deze omstandigheden zal een redelijk handelend en denkende koper mogelijk van de aankoop van de woning en/of het bedrijf van eisers afzien, hetgeen een planologische verslechtering betekent. Namens [B] is gesteld dat hij ter plekke een entrainement voor dravers heeft en dat de paarden door het gebrul van de leeuwen op hol slaan en blessures niet zijn uit te sluiten.

Verweerder heeft betwist dat sprake is van een planologische verslechtering. Aangegeven is dat subjectieve gevoelens bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding geen rol kunnen spelen. Voorts is aangegeven dat er geen verslechtering is van geluidsoverlast door de planologische wijziging, nu ook onder het oude regime een piekbelasting van 60dB(A) was toegestaan. Voorts is rondom Pantera een milieuzonering van 50 meter vastgesteld, vergelijkbaar met een zone rondom een dierentuin, om geluidsoverlast te voorkomen. De werkelijke afstand tot de woning van eiser is daarbij nog groter. De verkeersaantrekkende waarde van Pantera is niet groter dan die op grond van het oude bestemmingsplan denkbaar kan zijn, zoals een agrarische bedrijfsbebouwing of drafpaardencentrum. Voorts is niet aangetoond dat de publieksaantrekkende werking groter is dan onder het oude regime. Verweerder heeft er daarbij op gewezen dat het verboden is de gronden te gebruiken voor onder andere detailhandel en dat de opstallen niet mogen worden gebruikt voor horecabedrijf, industrieel bedrijf of detailhandel. Ten aanzien van de in entrainement gehouden paarden is aangegeven dat niet aangetoond is dat een afwijking in de prestaties te wijten is aan de vestiging van het roofdierencentrum.

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

De rechtbank stelt allereerst vast, dat het bestemmingsplan “Partiële herziening [adres] Nijeberkoop” geduid dient te worden als een legaliserend bestemmingsplan. Een dergelijk bestemmingsplan kan in de regel geen basis vormen voor planschade, tenzij de verzoekers om planschade onder het oude plan verzocht hebben om handhavend op te treden danwel dat zij in voldoende mate hun bezwaren hebben geuit. De rechtbank is gebleken dat eisers (onder het oude regime) diverse procedures hebben gevoerd in verband met de vestiging van Pantera. Derhalve is sprake van een uitzondering op het hiervoor weergegeven uitgangspunt. Dit betekent dat beoordeeld dient te worden of in het geval van eisers toepassing kan worden gegeven aan het bepaalde in art. 49 WRO.

Art. 49 aanhef en onder a WRO bepaalt dat voor zover een belanghebbende ten gevolge van de bepalingen van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, de gemeenteraad hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toekent.

Voor de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding als bedoeld in art. 49 WRO dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologisch regime waardoor eisers in een nadeliger positie zijn komen te verkeren. Hiertoe dienen de beweerdelijk schadeveroorzakende maatregelen te worden vergeleken met het voordien geldende regime. Daarbij is voor wat betreft het oude planologische regime niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van dat regime maximaal kon worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden.

Naar het oordeel van de rechtbank is het uitgebrachte (nadere) SAOZ-advies, waar verweerder zijn besluit op heeft gebaseerd, zowel naar de wijze van totstandkoming als naar de inhoud deugdelijk. De SAOZ heeft partijen gehoord, de standpunten van partijen gewogen, de situatie opgenomen en de relevante ruimtelijke regelgeving in haar advies betrokken.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de SAOZ op juiste wijze de consequenties voor het woongenot van eisers in zijn advies betrokken. Daarbij wijst de rechtbank erop dat niet gezegd kan worden dat het uitzicht is verslechterd als gevolg van de planmutatie, nu onder het oude regime bedrijfsbebouwing tot 15 meter hoogte was toegestaan, terwijl dit na de mutatie 10 meter is. Ten aanzien van geluidsoverlast is de rechtbank van oordeel dat de aansluiting die gezocht is bij de VNG-bedrijvenlijst milieuzonering waarbij ter voorkoming van geluidsoverlast van dierentuinen een afstand van 50 meter is gehanteerd, niet onjuist is. Gelet op de afstand tussen de woningen c.q. het bedrijf en het dierenopvangcentrum, alsmede op het geluid dat onder het oude regime mogelijk was, is niet aannemelijk geworden dat eisers als gevolg van het gewijzigde bestemmingsplan op dit punt in een zodanig nadeliger positie zijn gekomen dat op grond daarvan planschadevergoeding geïndiceerd zou zijn. Dit geldt evenzeer voor mogelijke stankoverlast. Voorts oordeelt de rechtbank het niet onjuist dat in de vergelijking met de verkeersaantrekkende werking van een agrarisch bedrijf (dat voorheen mogelijk was) en de vestiging van het dierenopvangcentrum het onvoldoende aannemelijk is dat dit laatste tot zodanige verkeersstromen leidt dat aanmerkelijk meer geluidshinder dan voorheen wordt veroorzaakt. Dat eisers hinder ondervinden van autoparkeerders die het centrum bezoeken, is een omstandigheid die bij de onderhavige beoordeling niet betrokken kan worden, nu het parkeren op deze gronden in strijd is met de daarop rustende bestemming.

Voorts is namens [B] gesteld dat als gevolg van de vestiging van Pantera schade (de rechtbank begrijpt dit als bedrijfsverlies) in de vorm van verminderde prestaties als gevolg van angst en onrust van zijn drafpaarden is geleden. Nu [B] deze stelling niet heeft onderbouwd en dit ook overigens niet aannemelijk is geworden, kan dit niet leiden tot toekenning van planschade.

Dat eisers als gevolg van het gebrul van leeuwen een angstig gevoel hebben en bij een eventuele ontsnapping van de roofdieren bij calamiteiten gevaar vrezen, is een (subjectieve) omstandigheid die bij de onderhavige beoordeling geen rol kan spelen.

Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat verweerder zich bij het nemen van zijn besluit in redelijkheid op het SAOZ-advies heeft kunnen baseren en dat hij met recht heeft kunnen oordelen dat eisers als gevolg van het gewijzigde planologische regime geen schade hebben geleden.

De beroepen van eisers moeten ongegrond worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gegeven door mr. E.M. Visser, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2005, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Jansen als griffier.

w.g. M.A. Jansen

w.g. E.M.Visser

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: 8 maart 2005