Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2005:AR8715

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
04-01-2005
Datum publicatie
11-01-2005
Zaaknummer
67551 KG ZA 04-338
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering strekkende tot in vrijheidstelling van gegijzelde op grond van de wet Mulder (artikel 28 WAHV). Artikel 5 EVRM.

Wetsverwijzingen
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2005/41 met annotatie van Van der Hulst
NJF 2005, 114
VR 2005, 154

Uitspraak

Rechtbank Leeuwarden

Sector civiel recht

afdeling handelsrecht

Korte Gedingen

Uitspraak: 4 januari 2005

Kort-geding-nummer: 67551 / KG ZA 04-338

VONNIS

van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Leeuwarden, in het kort geding van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Noord, locatie De Marwei, te Leeuwarden,

eiser,

hierna te noemen: [eiser],

procederende met toevoeging,

procureur: mr. S.A. Roodhof,

advocaat: mr. B.J.P. van Gils te Tilburg,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie),

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

hierna te noemen: de Staat,

procureur: mr. V.M.J. Both,

advocaat: mr. J.J. van der Helm te 's-Gravenhage.

PROCESGANG

[eiser] heeft De Staat in kort geding doen dagvaarden tegen de openbare zitting van 30 december 2004.

[eiser] heeft toen op de bij dagvaarding geformuleerde gronden gevorderd dat de voorzieningenrechter bij vonnis, zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. de Staat veroordeelt om [eiser] onmiddellijk, althans binnen twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis, in vrijheid te stellen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van 1000,00 euro per dag;

b. de onmiddellijke invrijheidstelling van [eiser] beveelt;

c. de Staat veroordeelt in de kosten van het geding.

Vervolgens hebben partijen hun standpunten nader doen toelichten door hun advocaten, die beiden mede aan de hand van pleitnotities het woord hebben gevoerd, waarbij de Staat heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van [eiser], met veroordeling van [eiser] -uitvoerbaar bij voorraad- in de kosten van het geding.

Partijen hebben met wederzijds goedvinden producties in het geding gebracht.

Na voortgezet debat hebben partijen vonnis gevraagd. De voorzieningenrechter doet heden uitspraak.

RECHTSOVERWEGINGEN

De vaststaande feiten

In dit kort geding gelden onder meer de navolgende feiten als vaststaand.

1.1. [eiser] heeft 34 administratieve sancties, die hem in de periode van 18 september 2002 tot 1 april 2003 waren opgelegd wegens het begaan van verkeersovertredingen als bedoeld in de Wet Administratiefrechtelijke Handhaving Verkeersvoorschriften (hierna te noemen: WAHV), onbetaald gelaten, evenals de daarop gevolgde verhogingen.

1.2. De officier van justitie te Leeuwarden heeft, nadat verhaal van deze sancties niet uitvoerbaar was gebleken, zich voor de afzonderlijke sancties gewend tot de kantonrechter te Leeuwarden, en op grond van artikel 28 lid 1 WAHV verzocht om een machtiging voor de toepassing van het dwangmiddel gijzeling. De kantonrechter heeft daarop -ten aanzien van 30 zaken- verschillende machtigingen afgegeven tot een totaal van 55 dagen. [eiser] heeft op 3 februari 2004 een sanctie voldaan. Van de 55 dagen zullen er 52 ten uitvoer worden gelegd.

1.3. [eiser] is vanaf maart 2004 uit anderen hoofde gedetineerd geweest. Van 4 tot 7 december 2004 en vanaf 9 december 2004 tot op heden is hij gegijzeld. Op grond van de verleende machtigingen kan de gijzeling tot 27 januari 2005 voortduren. [eiser] is thans gedetineerd in P.I. Noord, locatie De Marwei te Leeuwarden.

1.4. Voorafgaand aan zijn detentie genoot [eiser] een uitkering.

1.5. Bij brief van 28 mei 2004 heeft [eiser] het CJIB verzocht om een betalingsregeling terzake van de onbetaald gebleven administratieve sancties. [eiser] heeft hierbij een betalingsvoorstel ad 50,00 euro per maand gedaan. Later heeft de advocaat van [eiser] ook nog een betalingsvoorstel gedaan, ad 100,00 euro per maand. Het CJIB is niet op deze betalingsvoorstellen ingegaan.

Het standpunt van [eiser]

2.1. [eiser] stelt dat indien een persoon zijn vrijheid wordt ontnomen, dit slechts kan geschieden onder de in artikel 5 EVRM omschreven voorwaarden, in het onderhavige geval artikel 5 lid 1 sub b EVRM. Blijkens het Engel-arrest van het EHRM dient artikel 5 lid 1 sub b EVRM restrictief te worden geinterpreteerd en is detentie alleen toegestaan indien het om

'a specific and concrete obligation' gaat. Bovendien dient de detentie ertoe te strekken om de betreffende persoon te dwingen om zijn verplichtingen na te komen. Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. [eiser] is namelijk ten gevolge van een gevangenisstraf al zijn bezittingen kwijtgeraakt, en is daardoor niet in staat om de hem opgelegde administratieve sancties te voldoen. Zolang zijn gijzeling voortduurt, heeft hij geen mogelijkheden om te betalen. Het vasthouden van een persoon, alleen omdat hij een verplichting niet heeft nageleefd, zoals nu bij [eiser] het geval is, is punitief van aard, en om die reden op grond van artikel 5 lid 1 sub b EVRM niet toegestaan. De gijzeling is daarmee onrechtmatig, zodat [eiser] in vrijheid dient te worden gesteld.

2.2. De invrijheidstelling van [eiser] is ook van belang om alsnog betaling van de sancties gerealiseerd te krijgen. Na de invrijheidstelling krijgt [eiser] namelijk weer de beschikking over (voldoende) inkomsten en kan hij vervolgens een betalingsregeling met het CJIB treffen.

Het standpunt van de Staat

3.1. De Staat stelt allereerst dat nu [eiser] geen gebruik heeft gemaakt van de beroepsmogelijkheden tegen de hem opgelegde administratieve sancties van de juistheid van deze sancties dient te worden uitgegaan. Voorts heeft de kantonrechter na meerdere mondelinge behandelingen, waarvoor [eiser] behoorlijk is opgeroepen en waarbij hij ten dele aanwezig is geweest, de onderhavige machtigingen afgegeven. [eiser] is dus ruimschoots in de gelegenheid gesteld om zijn bezwaren tegen zowel de administratieve sancties als de toepassing van het dwangmiddel gijzeling kenbaar te maken. Nu de machtigingen zijn verleend, is de officier van justitie gerechtigd om daarvan gebruik te maken.

3.2. Bij de afweging van het belang van de Staat bij de gijzeling tegen het belang van [eiser] bij invrijheidstelling, dient het belang van de Staat het zwaarst te wegen. [eiser] bevindt zich nog maar korte tijd in gijzeling en -gelet op de hoogte van het verschuldigde bedrag aan administratieve sancties- moet betaling van de sancties niet uitgesloten worden geacht. Daarmee is de prikkel tot betaling, welke het doel van de gijzeling is, nog in voldoende mate aanwezig, zodat voortzetting daarvan gerechtvaardigd is.

3.3. De Staat acht zich niet gehouden om in te gaan op de door of namens [eiser] gedane betalingsvoorstellen. De WAHV kent niet de mogelijkheid van het treffen van een betalingsregeling, behoudens zeer bijzondere omstandigheden. De achtergrond daarvan is het handhaven van het punitieve karakter van de WAHV en het voorkomen van een toevloed van verzoeken om kwijtscheldingen c.q. betalingsregelingen. Het door [eiser] gedane betalingsvoorstel was niet onderbouwd en reeds om die reden onaanvaardbaar, terwijl de aangeboden termijnbedragen in relatie tot het openstaande bedrag aan administratieve sancties te laag waren. Voorts is het opmerkelijk dat [eiser] pas met het verzoek om een betalingsregeling is gekomen, nadat de opgelegde sancties onherroepelijk waren geworden en hij daar bovenop de verhogingen verschuldigd was geworden.

De beoordeling van het geschil

4.1. Het spoedeisende belang bij de gevraagde voorzieningen wordt voldoende aanwezig geacht.

4.2. [eiser] heeft geen gebruik gemaakt van de beroepsmogelijkheden die hem ter beschikking hebben gestaan tegen de oplegging van de administratieve sancties. De voorzieningenrechter gaat dan ook uit van de juistheid van deze sancties. Omdat betaling van de administratieve sancties uitbleef, heeft de officier van justitie de kantonrechter een aanzienlijk aantal machtigingen gevraagd voor de toepassing van het dwangmiddel gijzeling. De kantonrechter heeft, na behoorlijke oproeping van [eiser] en zijn verschijning bij enkele van de mondelinge behandelingen waarop de gevraagde machtiging tot gijzeling centraal stond, de gevraagde machtigingen verleend. Gezien het vorenstaande moet van de rechtmatigheid van de gijzeling van [eiser] worden uitgegaan. De gijzeling van [eiser] dient om de nakoming van een door de wet voorgeschreven verplichting te verzekeren. Deze verplichting, het betalen van opgelegde administratieve sancties, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter bovendien voldoende concreet en specifiek.

4.3. De rechtmatigheid van de gijzeling van [eiser] brengt met zich mee dat de voorzieningenrechter zich bij de beoordeling van de gevraagde voorzieningen, strekkende tot beëindiging van de gijzeling, terughoudend dient op te stellen. Slechts onder bijzondere omstandigheden zal de gijzeling kunnen worden beëindigd.

4.4. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is in deze zaak niet gebleken.

4.4.1. Gijzeling dient als dwangmiddel om betaling te verkrijgen van openstaande administratieve sancties. De gijzeling heeft nadrukkelijk niet het karakter van vervangende hechtenis; ondanks de gijzeling blijft de verplichting tot betaling van de administratieve sancties bestaan. De voorzieningenrechter is het met [eiser] eens dat tenuitvoerlegging van de gijzeling in een geval van betalingsonmacht een punitief karakter krijgt. Dit is echter onvoldoende om de gijzeling van [eiser] te beëindigen. Uit het Benham-arrest van het EHRM (1996, par. 39 en 43-47) volgt namelijk dat vrijheidsontneming op grond van artikel 5 lid 1 sub b EVRM, van een persoon die een bij wet vastgesteld bedrag niet heeft voldaan, in beginsel ook is toegestaan in gevallen wanneer deze persoon niet over de financiële middelen beschikt om dit bedrag te voldoen, althans beweert niet aan zijn betalingsverplichting terzake te kunnen voldoen. Voorts moet worden bedacht dat de WAHV is ingevoerd om een effectievere afdoening van verkeersovertredingen te bewerkstelligen dan voor de invoering van deze wet onder het strafrecht het geval was. Aan de beoogde effectiviteit van de WAHV zou afbreuk worden gedaan, indien bij voortdurend uitblijvende betaling van vele administratieve sancties reeds na een betrekkelijk korte periode de rechtmatig totstandgekomen gijzeling zou worden beëindigd. Het belang van de Staat bij handhaving van de gijzeling gaat om die reden boven het belang van [eiser] bij beëindiging van de gijzeling.

4.4.2. Het feit dat de gijzeling aan het verwerven van (voldoende) inkomsten in de weg staat, kan evenmin als een bijzondere omstandigheid zoals hiervoor bedoeld worden beschouwd, nu gesteld noch gebleken is dat [eiser] voorafgaand aan zijn detentie zijn inkomsten voor de betaling van de openstaande administratieve sancties heeft aangewend. Onder die omstandigheden moet het niet waarschijnlijk worden geacht dat [eiser] dit na een beëindiging van de gijzeling wel zal doen.

4.4.3. Het feit dat [eiser] een betalingsregeling wenst, waaraan hij pas bij invrijheidstelling uitvoering kan geven, levert ook geen bijzondere omstandigheid voor beëindiging van de gijzeling op. De Staat is niet te beschouwen als een reguliere schuldeiser. De officier van justitie is op grond van de WAHV verplicht om onherroepelijk geworden administratieve sancties te innen. Vast staat dat de WAHV en het op grond van deze wet door het CJIB gevoerde incassobeleid geen ruimte laat voor kwijtschelding van sancties. Zou het CJIB wel ruimte geven voor kwijtscheldingen en betalingsregelingen, dan zou, zoals de Staat terecht heeft betoogd, het punitieve karakter van de WAHV worden ondergraven en zou er waarschijnlijk een grote toevloed aan betalingsvoorstellen op het CJIB afkomen, hetgeen dient te worden voorkomen. Alleen in uitzonderlijke omstandigheden, die door de betreffende persoon aannemelijk moeten worden gemaakt, kan van het CJIB verlangd worden om een betalingsregeling te treffen. Van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden is hier geen sprake. De Staat heeft terecht aangevoerd dat de door [eiser] gedane betalingsvoorstellen onvoldoende concreet waren en te mager, gerelateerd aan het openstaande bedrag aan administratieve sancties. De Staat was dan ook niet gehouden om de van de zijde van [eiser] gedane betalingsvoorstellen te honoreren

4.5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de gevraagde voorzieningen zullen worden geweigerd.

4.6. [eiser] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding worden veroordeeld.

BESLISSING

De voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding:

weigert de gevraagde voorzieningen;

veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op 241,00 euro aan verschotten en 816,00 euro aan salaris procureur;

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.K.F. Hangelbroek, voorzieningenrechter, en in aanwezigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 januari 2005.

fn 343