Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2004:AU9262

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
30-03-2004
Datum publicatie
09-01-2006
Zaaknummer
02/1331
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kavelruil. Landinrichtingswet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 02/1331 WET

Inzake het geding tussen

[A], wonende te [B],

gemachtigde: mr. E. Oostra, rentmeester te Ysbrechtum,

en

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, thans de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. M. Nagel, werkzaam bij de Directie Juridische Zaken van het Ministerie.

Procesverloop

Bij brief van 28 oktober 2002 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Landinrichtingswet (Lw).

Tegen dit besluit is namens eiser op 5 december 2002 beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 15 maart 2004. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is bij gemachtigde verschenen.

Motivering

Eiser heeft deelgenomen aan een ruilverkavelingsovereenkomst als bedoeld in art. 119 Lw. Aan deze overeenkomst hebben voorts tien andere partijen deelgenomen. Met deze overeenkomst hebben partijen beoogd de bij de overeenkomst genoemde kavels samen te voegen, de verkregen massa te verkavelen en onder elkaar te verdelen bij notariële akte. Bij deze overeenkomst zijn onder meer eisers percelen gelegen in de kadastrale gemeente Akkrum, sectie B overgedragen aan het Bureau Beheer Landbouwgronden (BBL) en is het eigendom van M. Kroes en Trustkantoor Fagoed BV van de percelen grond gelegen in de kadastrale gemeente Oosterzee, sectie C in verband met de bedrijfsbeëindiging overgedragen aan eiser.

Deze ruilverkavelingsovereenkomst is ter instemming als bedoeld in art. 122 Lw. voorgelegd aan verweerder. Verweerder heeft bij besluit van 11 juni 2002 ingestemd met deze overeenkomst met uitzondering van de onderhavige transactieketen. Verweerder heeft daartoe overwogen dat deze transactieketen de overdracht van een geheel bedrijf betreft, waarbij derhalve geen sprake is van samenvoegen van onroerende zaken om de aldus verkregen massa te herverkavelen. Bij brief van 19 juni 2002 is het besluit bekend gemaakt.

Namens eiser is op 19 juli 2002 bezwaar gemaakt tegen de weigering de onderhavige kavelruil goed te keuren en de weigering voor deze kavelruil op grond van de Regeling kavelruil een rijksbijdrage te verlenen.

Nadat eiser op 7 oktober 2002 is gehoord, heeft verweerder bij het thans bestreden besluit het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Eiser is van mening dat verweerder de begrippen ruilen en samenvoegen ten onrechte eng heeft uitgelegd, terwijl naar de vereisten in hun onderlinge samenhang moet worden gekeken. Eiser is voorts van mening dat de door verweerder ter vergelijking genoemde gevallen niet vergelijkbaar zijn, nu in die gevallen andere redenen tot een afwijzing hebben geleid. Eiser stelt dat verweerder de gewekte verwachtingen door bestendig beleid van de DLG heeft doorkruist. Voorts stelt eiser dat verweerder ten onrechte gebouwen en erven buiten de subsidiëring in het kader van de Regeling Kavelruil laat en is eiser van mening dat de "CLC-instructie kavelruil” (hierna: de Instructie) in strijd is met de Lw. Eiser is derhalve van mening dat de onderhavige transactieketen voldoet aan de eisen die de Lw daaraan stelt.

Verweerder stelt dat uit de definitie van ruilverkaveling bij overeenkomst, zoals weergegeven in art. 17 Lw, volgt dat voldaan moet zijn aan een aantal cumulatief gestelde eisen, te weten: drie of meer eigenaren, samenvoeging van hun toebehorende zaken, verkaveling van de aldus verkregen massa op een bepaalde wijze en verdeling onder elkaar bij notariële akte. In de onderhavige situatie wordt daar niet aan voldaan, nu sprake is van de uitruil van complete bedrijven. Verweerder is van mening dat per transactieketen moet worden bekeken of deze voldoet aan de gestelde eisen en is ten aanzien van de onderhavige keten tot de conclusie gekomen, dat deze niet voldoet. Het betreft geen transactie die verkaveling verbetert. Het beleid van verweerder is vastgelegd in de Instructie. Dit beleid is voorts in twee uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (AbRvS) niet onjuist bevonden. Naar de mening van verweerder is ruil een bijzondere overeenkomst, die niet zonder meer gelijk gesteld kan worden met koop. Dit blijkt mede uit art. 121 Lw. waarin niet ruilende, maar kopende of verkopende partijen de mogelijkheid wordt geboden aan een ruilverkavelingsovereenkomst toe te treden. Dit impliceert voorts dat die overeenkomst op dat moment al bestaat en deze overeenkomst wordt uitgebreid met een dergelijke partij. In de onderhavige transactieketen ruilen Kroes en Fagoed niet, maar verkopen hun bedrijf voor geld. Er is derhalve geen sprake van samenvoeging, maar van aankoop, doorschuiven en verkoop. Verweerder is tenslotte van mening dat art. 17 Lw ziet op het samenvoegen van gronden tot een massa en vervolgens het herverkavelen van die massa. Dit is met gebouwen niet mogelijk. Gebouwen zijn in art. 10 lid 3 Lw expliciet uitgezonderd.

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

Ingevolge art. 4 Lw strekt landinrichting tot verbetering van de inrichting van het landelijk gebied overeenkomstig de functies van dat gebied, zoals deze in het kader van de ruimtelijke ordening zijn aangegeven.

Ingevolge art. 5 Lw kan landinrichting maatregelen en voorzieningen omvatten ten behoeve van onder meer:

a. de land-, tuin- en bosbouw;

b. de natuur en het landschap;

c. de infrastructuur;

d. de openluchtrecreatie, en

e. de cultuurhistorie.

Ingevolge art. 13 Lw van de wet kan landinrichting op de voet van het bij of krachtens deze wet bepaalde plaatsvinden in de vorm van:

a. herinrichting;

b. ruilverkaveling;

c. aanpassingsinrichting, dan wet

d. ruilverkaveling bij overeenkomst.

Ingevolge ar. 15 lid 1 Lw. komen voor ruilverkaveling in aanmerking gebieden, die ruimtelijk een overwegend agrarische functie, doch niet in belangrijke mate een niet-agrarische functie vervullen of moeten vervullen.

Ingevolge art. 17 Lw is ruilverkaveling bij overeenkomst de vorm van landinrichting, waarbij drie of meer eigenaren zich verbinden bepaalde, hun toebehorende onroerende zaken samen te voegen, de verkregen massa op bepaalde wijze te verkavelen en onder elkaar bij notariële akte te verdelen. Ingevolge art. 119 lid 1 Lw wordt een ruilverkavelingsovereenkomst schriftelijk aangegaan en in de openbare registers ingeschreven. Op grond van art. 121 Lw kan men mede tot een ruilverkavelingsovereenkomst toetreden, ten einde tegen inbreng van geld kavels of tegen inbreng van onroerende zake een geldsom te bedingen.

Ingevolge art.1 lid 1 van de Regeling kavelruil wordt, met inachtneming van het in het tweede lid bepaalde, instemming verleend aan een beding in de ruilverkavelingsovereenkomst, bedoeld in art. 119 Lw, voor zover in dat beding geen andere bepalingen van die wet toepasselijk worden verklaard dan de in dit lid genoemde. Ingevolge het tweede lid wordt de in het eerste lid genoemde instemming verleend onder de voorwaarde, dat de directeur van de Dienst Landelijk Gebied van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij schriftelijk heeft verklaard met die overeenkomst in te stemmen. Ingevolge art. 2 lid 1 Regeling kavelruil kan de minister op aanvraag een subsidie verstrekken aan de eigenaren die een ruilovereenkomst hebben gesloten, ter zake waarvan de in art. 1 lid 2 bedoelde schriftelijke verklaring is verkregen. Ingevolge het derde lid van art. 2 bedraagt de subsidie 100% van de notariële kosten die ten behoeve van de kavelruil worden gemaakt.

Bij het nemen van beslissingen inzake de goedkeuring en het verlenen van subsidie in de notariskosten hanteert de minister de CLC-Instructie. Blijkens deze instructie, die is gegeven aan de inspecteurs landinrichting in de provincies, dient een verkaveling in het belang te zijn van landbouw, natuur en/of landschap. Het is niet de bedoeling om bij koop-verkooptransacties de notariskosten zonder meer te subsidiëren. Bij een kavelruilovereenkomst, waarin koop- en verkooptransacties zijn opgenomen die los staan van het ruilproces en die even goed plaats kunnen vinden buiten kavelruil, zullen deze transacties niet gesubsidieerd worden, aldus de instructie.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet in strijd met de wet heeft gehandeld door per transactie te toetsen of wordt voldaan aan het doel en de strekking van de van de wet, teneinde te voorkomen dat ook in de overeenkomst opgenomen transacties worden gesubsidieerd die los staan van het ruilproces. Voor het oordeel dat verweerder per transactie kan toetsen vindt de rechtbank steun in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (AbRS) van 26 mei 2000, nr. 199901651/1, en van 29 oktober 2003, nr. 200301156/1 (rechtspraak.nl, LJN-nummer AM 5489) waar ook de onderscheidende transacties zijn beoordeeld aan het doel en de strekking van de wet.

Verweerder heeft de onderhavige transactieketen getoetst aan de criteria gesteld CLC-Instructie. De AbRS heeft in de uitspraak van 26 mei 2000 (rechtspraak.nl, LJN-nummer AA 6834) onder meer overwogen dat deze instructie past binnen het kader van de wet en de dat er geen grond wordt gezien haar daarmee in strijd dan wel kennelijk onredelijk te achten. De rechtbank ziet in het gestelde in het beroepschrift geen aanknopingspunten voor een andersluidend standpunt. Verweerder heeft ter motivering van het bestreden besluit voorts niet volstaan met uitsluitende het verwijzen naar de CLC-Instructie, maar heeft de motivering in het besluit zelf opgenomen. Van strijd met art. 4:82 Algemene wet bestuursrecht (Awb) is derhalve geen sprake.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder de onderhavige transactieketen terecht niet heeft aangemerkt als ruilverkaveling bij overeenkomst als bedoeld in art. 17 Lw. Binnen deze keten is geen sprake van ruiling van gronden, zoals dit in bijlage 3 van de CLC-Instructie nader is omschreven. Tussen eiser en Kroes en Fagoed vindt geen ruiling plaats en ook tussen eiser en BBL vindt geen ruiling plaats. Nu BBL in deze keten geen grond inbrengt, wordt niet voldaan aan de voorwaarde, dat sprake moet zijn van drie inbrengers van onroerende zaken. Dat wordt voldaan aan het doel en de strekking van de wet, te weten een objectieve verbetering van de inrichting van het landelijk gebied, laat onverlet dat ook voldaan moet zijn aan de minimale eisen van art. 17 Lw, zoals deze nader zijn omschreven in de CLC-instructie.

Ten aanzien van het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel, overweegt de rechtbank dat niet is aangetoond dat sprake is van gelijke omstandigheden. Met name heeft eiser niet aangetoond dat in de door eiser genoemde gevallen goedkeuring is gegeven aan een transactieketen, die niet voldoet aan de in de CLC-Instructie opgenomen minimumgrens voor een kavelruil. Nu ook niet is gebleken dat door of namens het bevoegde bestuursorgaan concreet is toegezegd dat ook de onderhavige transactieketen zou worden goedgekeurd, ziet de rechtbank voorts geen aanleiding voor de conclusie dat verweerder in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld.

Nu niet wordt voldaan aan het bepaalde in art. 17 Lw heeft verweerder op goede gronden geweigerd goedkeuring te verlenen aan de onderhavige transactieketen, hetgeen voorts tot gevolg heeft dat verweerder terecht de rijksbijdrage op grond van de Regeling kavelruil heeft geweigerd. Het beroep is mitsdien ongegrond.

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. C.H. de Groot, rechter, in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2004, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Jansen als griffier.

mr. M.A. Jansen

mr. C.H. de Groot

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: 30 maart 2004