Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2004:AR5884

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
10-11-2004
Datum publicatie
17-11-2004
Zaaknummer
65298 KG ZA 04-209
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Artikel 1:207 BW. Benoeming bewindvoerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2005, 118
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Leeuwarden

Sector civiel recht

afdeling handelsrecht

Korte Gedingen

Uitspraak: 10 november 2004

Kort-geding-nummer: 65298 KG ZA 04-209

VONNIS

van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Leeuwarden, in het kort geding van:

[H.],

wonende te [woonplaats eiser],

eiser,

procureur: mr. P. Stehouwer,

advocaat: mr. A.W.M. Willems te Amsterdam,

tegen

1. de gezamenlijke erfgenamen van S.G. [K.], overleden op 7 maart 2002, gewoond hebben te [woonplaats gedaagde sub 1],

hierna te noemen: [K.] c.s.,

2. de rechtspersoon naar buitenlands recht

DYNAMO ESTABLISHMENT,

gevestigd te Vaduz (Liechtenstein),

hierna te noemen: Dynamo,

gedaagden,

procureur: mr. P.H. Redeker,

advocaat: mr. C. Sjenitzer te Amsterdam.

PROCESGANG

[H.] heeft [K.] c.s. en Dynamo in kort geding doen dagvaarden tegen de openbare zitting van 16 september 2004.

Ter zitting heeft [H.] zijn -ten opzichte van de aankondiging in de dagvaarding gewijzigde- eis aldus geformuleerd dat de rechter bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad :

a. de nalatenschap van wijlen Pieter Jelle [P.], overleden te Rozendaal op 19 augustus 1992, welke nalatenschap in bezit is genomen door S.G. [K.], overleden op 7 maart 2002, onder bewind zal stellen, met benoeming van mr. A.R. van Maas de Bie, advocaat te Eindhoven, tot bewindvoerder, althans tot benoeming van een bewindvoerder door de voorzieningenrechter;

b. met vaststelling in goede justitie van de bevoegdheden van de bewindvoerder en van het haar of hem toekomende honorarium, zonodig met aanwijzing van een rechter van wie de bewindvoerder voorafgaande machtiging nodig heeft alvorens bepaalde rechtshandelingen te verrichten;

c. [K.] c.s. en Dynamo zal veroordelen tot (medewerking aan) betaling van een voorschot van

375.000,00 euro door Dynamo aan [H.], althans tot betaling van een zodanig voorschot als de voorzieningenrechter in goede justitie billijk acht, en/of met machtiging van de te benoemen bewindvoerder om een dergelijk voorschot aan [H.] te betalen of te doen betalen door Dynamo;

d. Dynamo zal verbieden om enige uitkering te doen aan [K.] c.s., op straffe van verbeurte van een dwangsom van 1.000.000,00 euro indien Dynamo na betekening van dit vonnis dit verbod overtreedt, althans met oplegging van een zodanige dwangsom als de voorzieningenrechter in goede justitie billijk acht;

e. zal bepalen dat [K.] c.s. en Dynamo slechts met medewerking van de bewindvoerder of met machtiging van de rechter over de onder bewind te stellen goederen kunnen beschikken;

f. [K.] c.s. en Dynamo zal veroordelen in de kosten van het geding, kosten rechtens.

Vervolgens hebben partijen hun standpunten nader doen toelichten door hun advocaten, die beiden mede aan de hand van pleitnotities het woord hebben gevoerd. [K.] c.s.en Dynamo hebben daarbij geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van [H.].

Na voortgezet debat hebben partijen vonnis gevraagd. De rechter doet heden uitspraak.

RECHTSOVERWEGINGEN

Vaststaande feiten

In dit kort geding gelden onder meer de navolgende feiten als vaststaand.

Tussen partijen staat als gesteld en niet of onvoldoende betwist, alsmede op grond van de niet-betwiste inhoud van de overgelegde producties onder meer het volgende vast:

1.1. [H.] is op 2 juni 1964 te Amsterdam geboren als natuurlijk kind van Hendrika Lucia [H.]. Rond 1963 heeft Pieter Jelle [P.] (hierna: [P.]), geboren op 25 februari 1916, een affectieve relatie gehad met de moeder van [H.].

1.2. [H.] is op 30 mei 1973 als wettig kind erkend door A. [H.] met wie [H.]' moeder korte tijd gehuwd is geweest. Deze erkenning is vernietigd bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 28 februari 1974, welke vernietiging van de erkenning is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 5 juni 1974.

1.3. [P.], bij leven laatstelijk notaris ter standplaats Arnhem tot 1984, is op 19 augustus 1992 overleden. [P.] -die niet gehuwd is geweest- had overigens geen afstammelingen in de rechte lijn. Hij heeft niet bij testament over zijn nalatenschap beschikt. Als (ab intestaat) erfgenaam van [P.] is zijn neef S.G. [K.] in het bezit van zijn nalatenschap gekomen.

1.4. Bij dagvaarding van 5 november 1992 heeft [H.] een procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Arnhem tegen S.G. [K.], alsmede zijn echtgenote T.H.A. [K.]-[F.]. [H.] heeft in die procedure gesteld, dat hij door [P.] is verwekt en dat [P.] dus zijn biologische vader is van wie hij -[H.]- daarom de wettige erfgenaam is. Op die grond heeft [H.] gevorderd dat S.G. [K.], alsmede zijn echtgenote [K.]-[F.] zal worden veroordeeld tot integrale afgifte van de nalatenschap van [P.]. [H.] heeft zich daarbij beroepen op artikel 8 EVRM, uit welke bepaling volgens [H.] voortvloeit dat hij tot de nalatenschap van [P.] gerechtigd is, ook al is hij door de erflater niet erkend.

1.5. Bij vonnis van 23 december 1993 is de vordering van [H.] door de rechtbank Arnhem afgewezen, waarbij in het midden is gelaten of [H.] door [P.] is verwekt. Daartoe is overwogen dat indien veronderstellenderwijs zou worden aangenomen dat [P.] de verwekker van [H.] is geweest, [H.] geen wettelijk erfgenaam is van [P.] omdat hij niet in familierechtelijke betrekking tot [P.] heeft gestaan, nu hij niet door [P.] is erkend. Ook het beroep door [H.] op artikel 8 (en ook 14) van het Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) is verworpen.

1.6. Bij arrest van 20 juni 1995 heeft het gerechtshof te Arnhem [H.] in hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering voor zover gericht tegen [K.]-[F.] en het vonnis van de rechtbank Arnhem van 23 december 1993 voor het overige bekrachtigd.

1.7. [H.] heeft vervolgens cassatie ingesteld. Bij arrest van 17 januari 1997 heeft de Hoge Raad [H.] niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep tegen [K.]-[F.] en het beroep tegen S.G. [K.] verworpen.

1.8. Nadat op 20 maart 1996 bij de Tweede Kamer het wetsvoorstel tot herziening van het afstammingsrecht alsmede van de regeling van de adoptie was ingediend -zulks nadat, in de bewoordingen van de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel (Kamerstukken II 1995/96, 24 649, nr 3, blz. 1) al in eerdere wetsvoorstellen pogingen waren ondernomen het afstammingsrecht aan de eisen van de tijd aan te passen- is het nieuwe afstammings- en adoptierecht -waaronder artikel 1:207 Burgerlijk Wetboek- op 1 april 1998 in werking getreden.

1.9. S.G. [K.] is overleden op 7 maart 2002. De erfgenamen van [K.] zijn [K.]-[F.], met wie S.G. [K.] buiten gemeenschap van goederen was gehuwd en zijn twee kinderen G.J. [K.] en T. [K.].

1.10. Op 10 juli 2002 heeft [H.] bij de rechtbank te Amsterdam een verzoek ingediend, dat ertoe strekt dat de rechtbank zal vaststellen dat [P.] de vader is van [H.], zoals bedoeld in artikel 1:207 Burgerlijk Wetboek. Bij beschikking van 11 maart 2003 heeft de rechtbank geoordeeld, dat de in die beschikking genoemde omstandigheden, in onderling verband gezien, voldoende zijn om het verwekkerschap van [P.] ten aanzien van [H.] aan te nemen. Het verzoek om het vaderschap van [P.] jegens [H.] vast te stellen is vervolgens toegewezen.

1.11. Bij beschikking van 20 november 2003 heeft het gerechtshof te Amsterdam een deskundigenonderzoek gelast over de vraag of door DNA-onderzoek kan worden vastgesteld of [H.] het kind is van wijlen [P.]. Nadat op grond van DNA-onderzoek was vastgesteld dat het voor meer dan 99,9% zeker is dat het biologisch materiaal, aangetroffen op likranden van enveloppen die [P.] destijds heeft verzonden aan de moeder van [H.], afkomstig is van de biologische vader van [H.], is de beschikking van de rechtbank te Amsterdam van 11 maart 2003 bij eindbeschikking van 8 juli 2004 bekrachtigd.

1.12. De advocaten van partijen hebben de rechter bij faxberichten van 12 en 13 oktober 2004 medegedeeld dat tegen de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 8 juli 2004 geen cassatieberoep is ingesteld.

1.13. De (naar alle waarschijnlijkheid: aanzienlijke) nalatenschap van [P.] bestaat geheel dan wel deels uit vermogen dat destijds door [P.] is ondergebracht in een door hem beheerste vennootschap volgens het Liechtensteinse recht (Anstalt), te weten Dynamo Establishment (gedaagde sub 2). Deze vennootschap is destijds door [P.] en [B.] op 4/5 oktober 1983 opgericht. Van deze vennootschap was [B.] destijds lid van de Raad van Bestuur (Verwaltungsrat). Op 19 juni 1984 heeft [P.] een aantal onroerende zaken te Arnhem en Deventer geleverd aan Dynamo, en op 14 augustus 1992 een onroerende zaak te Arnhem.

1.14. [H.] heeft op 29 april 2003 en op 2 mei 2003 conservatoir beslag tot levering laten leggen op een aantal hiervoor sub 1.13. bedoelde onroerende zaken. Voorts heeft [H.] op 1 mei 2003 conservatoir beslag laten leggen op een onroerende zaak van wijlen S.G. [K.], gelegen te [woonplaats gedaagde sub 1], alsmede op een onroerende zaak te Leeuwarden, welke zaak in eigendom toebehoort aan G.J. [K.], de zoon van wijlen S.G. [K.].

Het geschil en de beoordeling daarvan

De vordering jegens [K.] c.s.

2. [H.] heeft aangevoerd dat hij door de vaststelling van het vaderschap van [P.] jegens hem enig erfgenaam is geworden van [P.].

3.1. De vordering van [H.] strekt allereerst tot onder bewindstelling van de nalatenschap van [P.]. [H.] heeft daartoe aangevoerd dat een onherroepelijke uitspraak omtrent de vraag wie erfgenaam is van [P.] waarschijnlijk nog lang op zich zal laten wachten; [H.] acht het zeer waarschijnlijk dat omtrent deze vraag in een bodemprocedure tot in hoogste instantie zal worden geprocedeerd.

3.2. Het is de rechter ambtshalve bekend dat deze rechtbank heden -tegelijk met dit vonnis- in de onder zaak-/rolnummer 58481 HA ZA 03-383 aanhangige bodemprocedure heeft beslist dat [H.] de enige erfgenaam van [P.] is. Omdat hoger beroep -en wellicht cassatie- gelet op de ingrijpende juridische gevolgen en het belang van de zaak in de rede ligt, is het vonnis van de rechtbank -teneinde irreversibele uitvoeringshandelingen te voorkomen- niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Op grond van het voorgaande is de rechter van oordeel dat [H.] recht heeft op en belang heeft bij de gevorderde onder bewindstelling van de nalatenschap van [P.]. Totdat onherroepelijk is beslist omtrent de vraag wie erfgenaam is van [P.], bestaat hierover immers een geschil tussen partijen zoals in artikel 710 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoeld. De enkele omstandigheid dat [H.] reeds beslag heeft laten leggen, is onvoldoende om tot het oordeel te komen dat -zoals [K.] c.s. hebben aangevoerd- [H.] geen belang meer heeft bij de gevorderde onder bewindstelling. Daarbij wordt opgemerkt dat het de rechter ambtshalve bekend is dat heden in de bodemprocedure de ten laste van Dynamo gelegde beslagen zijn opgeheven.

3.3. [K.] c.s. hebben tegen de door [H.] voorgestelde benoeming van mr. Van Maas de Bie, advocaat te Eindhoven, geen bezwaar gemaakt. De rechter zal dan ook thans overgaan tot benoeming van mr. Van Maas de Bie tot bewindvoerder. Volgens [H.] heeft mr. Van Maas de Bie aan (de advocaat van) [H.] laten weten dat zij bereid is deze benoeming te aanvaarden tegen een vergoeding voor haar werkzaamheden van 180,00 euro per uur. De rechter acht een uurtarief voor deze werkzaamheden van 180,00 euro redelijk, zodat de vordering in die zin zal worden toegewezen. De rechter ziet geen aanleiding om -zoals gevorderd- (nadere, van de reeds toepasselijke wetsbepalingen afwijkende) voorschriften te geven voor het bewind. Wèl zal worden bepaald -zoals door [H.] is gevorderd- dat [K.] c.s. slechts met medewerking van de bewindvoerder of met machtiging van de rechter over de onder bewind te stellen goederen kunnen beschikken.

4.1. [H.] vordert voorts een veroordeling van [K.] c.s. om mee te werken aan betaling van een voorschot van 375.000,00 euro door Dynamo aan [H.]. Gelet op de omstandigheid dat in de bodemprocedure -zij het (nog) niet onherroepelijk- is geoordeeld dat [H.] enig erfgenaam is van [P.], zal ook dit deel van de vordering worden toegewezen. De rechter acht een spoedeisend belang aan de zijde van [H.] aanwezig. [H.] heeft onweersproken gesteld dat hij thans moet leven van een zeer bescheiden arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAJONG) van 962,44 euro bruto per maand. Gelet op de omstandigheid dat de nalatenschap van [P.] naar het zich laat aanzien zeer aanzienlijk zal zijn -[H.] rept over een bedrag van 3.000.000,00 euro- kan thans, na de uitspraak in de bodemprocedure waarin is geoordeeld dat [H.] enig erfgenaam is van [P.], niet van [H.] worden verlangd dat hij nog langer dient te leven van deze bescheiden arbeidsongeschiktheidsuitkering.

4.2. De bewindvoerder zal worden gemachtigd om het hiervoor bedoelde voorschot aan [H.] te betalen of te doen betalen door Dynamo. Gelet op hetgeen hierna zal worden overwogen omtrent de vordering van [H.] jegens Dynamo, wordt hierbij opgemerkt, dat het risico dat gelden wellicht moeilijk vrij zijn te maken voor rekening en risico van [H.] behoort te komen. In het kader van dit kort geding zal er immers vanuit worden gegaan dat [H.] als erfgenaam -en daarmee rechtsopvolger onder algemene titel van [P.]- is te beschouwen. De omstandigheid dat de in Liechtenstein gevestigde vennootschap Dynamo [H.] -en ook [K.] c.s.- wellicht niet als "opdrachtgever" aanvaardt -zoals partijen ter mondelinge behandeling van dit kort geding hebben opgemerkt- is een omstandigheid die voor rekening en risico van [P.] als oprichter van Dynamo -en daarmee van [H.] als zijn rechtsopvolger onder algemene titel - behoort te komen.

5. [K.] c.s. zullen als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van [H.].

De vordering jegens Dynamo

6. De vordering van [H.] jegens Dynamo strekt tot betaling van een voorschot van 375.000,00 euro aan [H.]. Tevens vordert [H.] een verbod voor Dynamo om enige uitkering te doen aan [K.] c.s. en om over de onder bewind te stellen goederen te beschikken zonder medewerking van de bewindvoerder.

7. Indien de rechtbank in deze al rechtsmacht heeft, valt niet in te zien dat er enige rechtsgrond aanwezig is voor toewijzing van de vordering. De vordering jegens Dynamo zal dan ook worden afgewezen.

8. [H.] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van Dynamo, welke kosten zullen worden gesteld op de helft van de kosten van Dynamo en [K.] c.s. tezamen.

BESLISSING

De rechter, rechtdoende in kort geding:

De vordering jegens [K.] c.s.

1. stelt de nalatenschap van wijlen Pieter Jelle [P.], overleden te Rozendaal op 19 augustus 1992, welke nalatenschap in bezit is genomen door S.G. [K.], overleden op 7 maart 2002, onder bewind;

2. benoemt tot bewindvoerder mr. A.R. van Maas de Bie, advocaat te Eindhoven;

3. stelt het honorarium van de bewindvoerder vast op 180,00 euro per uur;

4. bepaalt dat [K.] c.s. slechts met medewerking van de bewindvoerder of met machtiging van de rechter over de onder bewind te stellen goederen kunnen beschikken;

5. veroordeelt [K.] c.s. om mee te werken aan betaling van een voorschot van

375.000,00 euro door Dynamo aan [H.];

6. machtigt de bewindvoerder om het hiervoor sub 5 bedoelde voorschot aan [H.] te betalen of te doen betalen door Dynamo;

7. verwijst [K.] c.s. in de proceskosten, tot aan deze beslissing aan de zijde van [H.] in totaal begroot op: 1.127,40 euro;

8. veroordeelt mitsdien [K.] c.s. tot betaling aan:

A. de griffier van deze rechtbank voor:

- het in debet gestelde vast Rechtbank Leeuwarden euro 180,75

- salaris procureur; euro 816,00

- de deurwaarder Lieuwe van der Zwaag te Leeuwarden euro 70,40

voor het uitbrengen van de dagvaarding

derhalve in totaal euro 1.067,15

met welk bedrag de griffier zal dienen te handelen overeenkomstig het bepaald in artikel 243 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

B. [H.]

- het niet in debet gestelde vastrecht euro 60,25

9. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

10. wijst af het anders of meer gevorderde;

De vordering jegens Dynamo

11. wijst de vordering af;

12. veroordeelt [H.] in de kosten van het geding, aan de zijde van Dynamo begroot op 120,50 euro aan verschotten en op 408,00 euro aan salaris procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.K.F. Hangelbroek, voorzieningenrechter, en in aanwezigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 november 2004.