Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2004:AR5677

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
12-11-2004
Datum publicatie
16-11-2004
Zaaknummer
66748 KG ZA 04-290
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Gedeeltelijke opheffing beslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Leeuwarden

Sector civiel recht

afdeling handelsrecht

Korte Gedingen

Uitspraak: 12 november 2004

Kort-geding-nummer: 66748 KG ZA 04-290

VONNIS

van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Leeuwarden, in het kort geding van:

1. de besloten vennootschap

BREETECH B.V., h.o.d.n. [handelsnaam],

gevestigd te Velsen,

hierna mede te noemen: Breetech,

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [eiseres sub 3],

wonende te [woonplaats],

4. de besloten vennootschap

BRISE HOLDING B.V.,

gevestigd te Velsen,

eisers, hierna te noemen: Breetech c.s.,

procureur: mr. J. de Goede,

advocaat: mrs. F. de Vries Lentsch en C. Kortmann te Rotterdam,

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

MARAUT UK Ltd.,

gevestigd te Bristol (Verenigd Koninkrijk),

gedaagde, hierna te noemen: Maraut,

procureur: mr. V.M.J. Both,

advocaat: mrs. J.L.M. Fruytier en J.H. Fellinger te Amsterdam.

PROCESGANG

Breetech c.s. hebben Maraut in kort geding doen dagvaarden tegen de openbare zitting van 2 november 2004.

Breetech c.s. hebben toen op de bij dagvaarding geformuleerde gronden gevorderd dat de rechter bij vonnis, zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Maraut zal veroordelen/zal bevelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de conservatoire beslagen en/of conservatoire derdenbeslagen op de eigendommen van Breetech c.s. op te heffen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van 200.000,00 euro per dag of gedeelte daarvan dat Maraut na betekening van dit vonnis in gebreke blijft daaraan te voldoen, althans een dwangsom welke de rechter in goede justitie voorkomt, alsmede Maraut zal veroordelen op straffe van verbeurte van bovengenoemde dwangsom geen aanvullende beslagen ten laste van Breetech c.s. te leggen, met veroordeling van Maraut in de kosten van het geding.

Vervolgens hebben partijen hun standpunten nader doen toelichten door hun advocaten. Daarbij heeft Maraut geconcludeerd tot afwijzing van de vordering.

Partijen hebben met wederzijds goedvinden producties in het geding gebracht.

Na voortgezet debat hebben partijen vonnis gevraagd. De rechter doet heden uitspraak.

RECHTSOVERWEGINGEN

Vaststaande feiten

In dit kort geding gelden onder meer de navolgende feiten als vaststaand.

1.1. Op 18 oktober 2000 heeft Breetech -een jachtwerf die gespecialiseerd is in de bouw van aluminium jachten- een overeenkomst gesloten met A.G.A. [S.], waarbij Breetech zich heeft verbonden tot het leveren van een door Breetech te bouwen zeewaardig zeilschip, de Bharlin Blue genaamd. [S.] liet zich daarbij bijstaan door een bouwteam bestaande uit J. [K.] en ontwerper [H.]. De overeenkomst luidt -voor zover hier van belang- als volgt:

LEVERING- EN AFNAME OVEREENKOMST voor de bouw van:

een ca. 75' aluminium high performance modern zeiljacht, ontwerp Hoek Design.

Ondergetekenden:

(...)

sluiten hierbij een overeenkomst betreffende de bouw van een aluminium zeiljacht, ontwerp Hoek Design, van tenminste 70' grootte.

De engineering start bij ondertekening van deze overeenkomst. De bouw van het schip vangt aan eind januari 2001 en het schip wordt afgeleverd aan de klant eind mei 2002.

Wegens het niet bekend zijn van de exacte gegevens, zijn beide partijen met elkaar overeengekomen dat het schip op kostprijs-plus basis gebouwd zal worden. Het gehanteerde uurloon en het afgesproken opslagpercentage liggen dan ook vast gedurende de bouw van het schip tot eind mei 2002.

In het geheel zijn wij ervan uitgegaan dat de opdrachtgever het ontwerp, teken- en berekenwerk aanlevert. (...)

Uurloon

Het uurloon bedraagt fl. 85,-- excl. b.t.w. voor alle werkzaamheden aan het schip en betrekking hebbende op het schip. (...)

Opslagpercentage

Deze opslag bedraagt 10% op de materialen en onderaannemers en wordt berekend over de netto facturen excl. b.t.w.

Bouwspecifikatie

Deze wordt gemaakt in samenwerking met de opdrachtgever en Hoek Design. We gaan ervan uit dat het ontwerp een high performance cruiser 75 ft wordt met hefkiel, getekend door Hoek Design. De werf zal de technische kant ter hand nemen. (...)

Betalingen

(...)

De geschatte bouwsom wordt gesteld op fl. 5.000.000,-- excl. b.t.w.

Garantie

De garantie geschiedt volgens de NJI voorwaarden.

1.2. De artikelen 10 en 11 van de op de overeenkomst toepasselijke NJI voorwaarden luiden -voor zover hier van belang- als volgt:

Artikel 10: Aansprakelijkheid

10.1. Opdrachtnemer is slechts aansprakelijk voor schade geleden door opdrachtgever, die het rechtstreeks en uitsluitend gevolg is van een aan opdrachtnemer toe te rekenen tekortkoming, met dien verstande dat voor vergoeding alleen in aanmerking komt die schade waartegen opdrachtnemer verzekerd is, dan wel redelijkerwijs -gezien de in de branche geldende gebruiken- verzekerd had behoren te zijn. Daarbij moeten de volgende beperkingen in acht worden genomen:

(...)

Artikel 11: Garantie

11.1. Opdrachtnemer staat in voor de goede uitvoering van een aangenomen werk ten aanzien van constructie en materiaal, voor zover opdrachtnemer vrij was in de keuze daarvan.

11.2. Opdrachtgever staat ervoor in dat hij een schip of casco levert dat beantwoordt aan de gesloten overeenkomst. Dit geldt ook voor de bijbehorende uitrustingsstukken en inventaris. Opdrachtnemer staat er tevens voor in dat het schip of casco die eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik redelijkerwijs nodig zijn, tenzij een ander gebruik uitdrukkelijk is overeengekomen. Van garantie zijn uitgesloten zaken die zijdens opdrachtgever zijn toegeleverd of voorgeschreven.

(...)

11.3. Voor een nieuw schip of casco bedraagt de garantietermijn 12 maanden na oplevering. (...)

11.4. bij ondeugdelijke levering, reparatie- of onderhoudswerkzaamheden heeft opdrachtgever recht op gratis herlevering van het/de ondeugdelijke onderde(e)l(en) dan wel reparatie van de ondeugdelijke zaak, één en ander ter keuze van opdrachtnemer. (...)

1.3. Breetech heeft een 15 juli 2002 gedateerd schriftelijk stuk overgelegd, waarop is vermeld: Belonging to Builders Risks Insurance (...) en welk stuk afkomstig is van Intramar Intermediair Verzekeringen & Pensioenen ter zake van "Aluminium sailing yacht - building number 133". Hierin is onder meer het volgende vermeld:

(...)

In accordance with your instructions we have arranged coverage as follows:

It is noted and agreed by underwriters hereon, that cover hereon is amended to include guarantee cover as follows:

Euro 1.135.000 Maximum liability each and every claim, which amount always remains at risk.

(...)

Period 12 months attaching, at time of delivery to owners/principals.

Conditions This insurance is to cover the liabilities of the insured as per article 11 of the "NJI garantievoorwaarden" of which a copy has been handed to underwriters.

(...)

1.4. In een aan mr. De Vries Lentsch gericht faxbericht van 1 november 2004 heeft [W.] van Intramar Insurances onder meer het volgende opgemerkt:

Met verwijzing naar ons telefoongesprek eerder vandaag, kan ik u bevestigen dat wij vóór oplevering van bouwno. 133 /z.j. Bharlin Blue een garantieverzekering is gesloten. [Breetech] is zowel verzekeringnemer als verzekerde op deze polis. (Kopie bijgevoegd). De dekking is conform de garantiebepalingen zoals vermeld in de NJI voorwaarden d.d. 19/5/1998. Ingeval van een geldige garantieclaim zijn verzekeraars derhalve gehouden tot uitkering over te gaan tot een bedrag gelijk aan de polislimiet, onder aftrek van het eigen risico.

Bij deze brief is een schriftelijk stuk gevoegd dat op detailpunten afwijkt van het hiervoor sub 1.3 bedoelde schriftelijke stuk van 15 juli 2000 en welk stuk -dat 5 juli 2002 is gedateerd- afkomstig is van Marsh verzekeringsmakelaars.

1.5. Bij brief van 6 december 2000 heeft Breetech [S.] medegedeeld dat zij met de prijs in de buurt van de (f 6.000.000,00 tot (f 6.500.000,00 zal eindigen, waarbij veel afhangt van de nog te maken keuzes. Het verschil tussen dit bedrag en de in de sub 1.1 bedoelde overeenkomst geschatte bouwsom van (f 5.000.000,00 is (uitsluitend) daar in gelegen dat na het sluiten van de overeenkomst is afgesproken dat het schip langer zou worden dan aanvankelijk was overeengekomen.

1.6. Op 15 augustus 2001 is de sub 1.1. bedoelde overeenkomst van de zijde van [S.] overgenomen door Maraut. Met deze contractsovername -waarmee werd bereikt dat het schip BTW-vrij geleverd kon worden- is Breetech akkoord gegaan.

1.7. Het schip is op 7 november 2002 in ieder geval feitelijk afgeleverd aan Maraut.

1.8. De uiteindelijke prijs die aan Maraut is gefactureerd ter zake van het schip bedraagt 3.366.697,00 euro.

1.9. Op 28 oktober 2004 is door de voorzieningenrechter van deze rechtbank aan Maraut verlof verleend om conservatoir derdenbeslag te laten leggen ten laste van Breetech onder de Rabobank, alsmede conservatoir beslag op de zich bij Breetech bevindende motorjachten in aanbouw te weten "Flying Eagle II" en "Griffioen", alsmede op onderdelen bestemd om te worden verwerkt in deze twee in aanbouw zijnde motorjachten. Tevens is toen verlof verleend aan Maraut om conservatoir derdenbeslag te laten leggen ten laste van eisers sub 2 en 3 onder de Rabobank en de ABN Amro Bank, alsmede conservatoir beslag op de door eisers sub 2 en 3 gehouden aandelen in eiseres sub 4. Aan Maraut is voorts verlof verleend om ten laste van eiseres sub 4 conservatoir beslag te doen leggen op de door haar gehouden aandelen in Stran Beheer B.V.. De vordering van Maraut is daarbij begroot op een bedrag van 1.850.000,00 euro. Maraut is vervolgens daadwerkelijk tot beslaglegging overgegaan.

Het geschil en de beoordeling daarvan

2. De vordering van Breetech c.s. strekt tot opheffing van de door Maraut ten laste van Breetech c.s. gelegde beslagen.

3. Volgens artikel 705 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de kort-geding-procedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is. De rechter zal evenwel hebben te beslissen aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal onderbouwd.

Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen. De Hoge Raad heeft hier in zijn arrest van 14 juni 1996, NJ 1997/481 aan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.

4.1. Maraut heeft aangevoerd dat het door Breetech afgeleverde schip niet beantwoordt aan de gesloten overeenkomst; het schip bezit niet die eigenschappen die voor het overeengekomen gebruik nodig zijn. Het schip is op 7 november 2002 aan Maraut afgeleverd, vergezeld van een waslijst aan reeds eerder geconstateerde en -naar later bleek- nog niet verholpen gebreken, waarvan enkele ernstige. Na de aflevering is een eerste tocht naar Engeland gemaakt voor de inklaring. Tijdens deze zeiltocht met het schip -welke zeiltocht telkens diende te worden onderbroken voor reparaties in diverse havens- werd duidelijk dat de gebreken levensgevaarlijke situaties in het leven riepen. Nadat in Nederland (na later bleek: ontoereikende) reparaties waren uitgevoerd door Breetech, vertrok het schip naar het Caribisch gebied. Het schip vertoonde toen steeds meer gebreken; zowel op de heen- als de terugreis werd duidelijk dat het schip niet zeewaardig was. Tijdens een storm op 18 april 2003 werd de hele voorpiek van het schip gevuld met ongeveer 700 tot 800 liter zeewater door een constructiefout. De schade aan de voorpiek is door een schade-expert (Vijzelaar) vastgesteld op een bedrag van 21.839,20 euro. Volgens Maraut vertoont het schip thans nog een groot aantal gebreken. Zij verwijst daartoe naar een aanvullend rapport van expertise van Van den Andel van 28 juli 2004 waarin 49 gebreken aan het schip worden genoemd. Volgens Van den Andel dienen deze gebreken hersteld te worden teneinde het schip bruikbaar, betrouwbaar, veilig en zeewaardig te maken. Maraut heeft reeds -naast het hiervoor genoemde bedrag van

21.839,20 euro ten aanzien van de schade aan de voorpiek- een bedrag van 214.087,95 euro voldaan ter zake van noodzakelijke reparaties aan het schip. De kosten van het nog uit te voeren herstel belopen een bedrag van 594.357,00 euro, aldus Maraut. Hierin is begrepen een door Van den Andel begroot bedrag van 300.000,00 euro ten aanzien van een gebrek aan de kiel. De traploos instelbare kiel bonkt en knalt in alle standen, ondanks herhaalde lapmiddelen. Gebleken is dat de kielkast foutief is gegoten -van een ontwerpfout is dus geen sprake- zodat het euvel niet valt te verhelpen zonder het schip helemaal te openen. Naast de hiervoor genoemde kosten, belopen de kosten ter zake van de werkzaamheden van Van den Andel een bedrag van 33.331,63 euro en de buitengerechtelijke incassokosten een bedrag van 35.941,48 euro, aldus nog steeds Maraut.

4.2. Het verweer van Breetech c.s. komt er kort samengevat op neer, dat een gedeelte van de door Maraut gestelde gebreken inderdaad aanwezig zijn en moet worden verholpen. Een gedeelte van de gebreken -met name de schade aan de voorpiek- is volgens Breetech c.s. gelegen in onzorgvuldig handelen van de schipper en het gebrek aan de kiel is volgens Breetech c.s. gelegen in een ontwerpfout, waarvoor niet Breetech maar Hoek Design aansprakelijk is. Bovendien hebben Breetech c.s. er op gewezen dat Breetech destijds een verzekeringsovereenkomst heeft gesloten, op grond waarvan de verzekeraar tot uitkering gehouden is in geval van aansprakelijkheid van Breetech. Voor Maraut is dus -los van de gelegde beslagen- voldoende zekerheid aanwezig; de verzekeringsovereenkomst is in zoverre te vergelijken met een bankgarantie.

4.3. De rechter constateert dat Maraut met kracht van argumenten heeft betoogd dat diverse -waaronder zeer ernstige- gebreken aan het schip kleven en dat deze een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van Breetech opleveren. Gelet hierop acht de rechter niet summierlijk gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering van Maraut. De enkele betwisting hiervan door Breetech c.s. ten aanzien van een gedeelte van die gebreken is daartoe onvoldoende.

Voorshands is bovendien niet aannemelijk geworden dat de verzekeringsovereenkomst waar Breetech c.s. zich op beroepen een zodanige zekerheid biedt dat Maraut geen belang heeft bij de door haar gelegde beslagen. Omtrent deze verzekeringsovereenkomst bestaat onduidelijkheid. Allereerst is het de vraag of -zoals Breetech c.s. hebben aangevoerd- het hiervoor sub 1.3 weergegeven, door Breetech c.s. in het geding gebrachte schriftelijke stuk van 15 juli 2002 als een polis dient te worden aangemerkt. Dit lijkt onaannemelijk gelet op de omstandigheid dat dit schriftelijk stuk kennelijk niet afkomstig is van een verzekeraar maar van een intermediair en aanvangt met de woorden: In accordance with your instructions we have arrenged coverage as follows: (...). Bovendien is het merkwaardig dat [W.] bij zijn faxbericht van 1 november 2004 een stuk overlegt dat op enkele detailpunten afwijkt van het schriftelijke stuk van 15 juli 2002, welk stuk bovendien niet afkomstig is van Intramar intermediair maar van Marsh verzekeringsmakelaars en bovendien niet 15 juli 2002 maar 5 juli 2002 is gedateerd. Voor zover er inderdaad al een polis aanwezig zou zijn die betrekking heeft op het onderhavige schip, zijn voorts de verzekeringsvoorwaarden niet in het geding gebracht en is gesteld noch gebleken dat de onderhavige claim van Maraut door Breetech bij de desbetreffende verzekeraar is aangemeld. Het faxbericht van [W.] van Intramar Insurances van 1 november 2004 neemt deze onzekerheden niet weg. Weliswaar deelt hij daarin mede dat ingeval van een geldige garantieclaim de verzekeraar gehouden is om tot uitkering over te gaan, maar daarmee is nog niet gezegd dat de onderhavige claim van Maraut volgens de verzekeraar ook daadwerkelijk als een geldige garantieclaim wordt beschouwd. De rechter neemt daarbij in aanmerking dat tussen partijen in geschil is of er op 7 november 2002 daadwerkelijk sprake is geweest van oplevering (in juridische zin) terwijl in het stuk van 15 juli 2002 als ingangsdatum voor de garantietermijn de "delivery" wordt genoemd. Het is de rechter niet duidelijk of daarmee enkel de feitelijke aflevering wordt bedoeld of de oplevering in juridische zin. De rechter acht de mededeling van Maraut tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding dat zij "er niet gerust op is" dan ook voorstelbaar. Indien de desbetreffende verzekeraar echter (alsnog) aan Maraut te kennen geeft dat de polis dekking biedt voor de onderhavige claim van Maraut, bestaat er alle aanleiding voor (gedeeltelijke) opheffing van de gelegde beslagen, althans bijstelling van die beslagen, hetgeen Maraut tijdens de mondelinge behandeling ook heeft toegezegd. Aan het voorgaande kan nog worden toegevoegd, dat indien er volgens de verzekeraar geen sprake is van een geldige garantieclaim, dit nog niet impliceert dat Breetech op grond van de NJI voorwaarden evenmin aansprakelijk is jegens Maraut. Niet ondenkbaar is dat -zoals Maraut heeft aangevoerd- in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat de in de NJI voorwaarden opgenomen exoneratieclausule vernietigbaar is omdat deze ziet op de kern van de prestatie van Breetech, te weten levering van een deugdelijk schip.

5.1. Maraut heeft voorts aangevoerd dat zij een bedrag van 608.314,90 euro teveel aan Breetech heeft voldaan, welk bedrag zij in een bodemprocedure als onverschuldigde betaling zal vorderen. Maraut verwijst daarbij naar een door haar bouwbegeleider [K.] opgesteld overzicht van 8 september 2004 van alle bouwkosten en een analyse van de kostenplaatsen en de toename van de kosten door de tijd. Uit dit overzicht volgt volgens Maraut dat de overschrijding van de geschatte bouwkosten -die is gelegen in de werkzaamheden van Breetech zèlf en niet bij de ingeschakelde onderaannemers- niet verklaarbaar zijn. De overschrijding betreft blijkens het overzicht van [K.] het casco (143.303,00 euro), techniek (163.183,90 euro), kielconstructie en kiel (39.855,00 euro) en elektronica en bediening schip(261.973,00 euro).

5.2. Breetech c.s. hebben hiertegen tijdens de mondelinge behandeling van het kort geding aangevoerd, dat de geschatte bouwsom van het schip van (f 6.000.000,00 tot (f 6.500.000,00 is gebaseerd op slechts één tekening. De vele wensen van [S.] (Maraut) hebben uiteindelijk tot de overschrijding geleid. In de loop van de mondelinge behandeling van het kort geding hebben Breetech c.s. hieraan toegevoegd dat over het geschatte bedrag van (f 6.000.000,00 tot (f 6.500.000,00 nog 10% diende te worden berekend als opslag voor Breetech.

5.3. Met Maraut is de rechter van oordeel dat Maraut de door Breetech in haar brief van 6 december 2000 genoemde prijs van (f 6.000.000,00 tot (f 6.500.000,00 aldus mocht begrijpen, dat daarin de overeengekomen opslag van 10% voor Breetech was begrepen. Deze opslag behoorde immers tot de door Maraut te betalen prijs. Weliswaar hebben Breetech c.s. aangevoerd dat de overschrijding zijn oorzaak vindt in de vele wensen van [S.] (Maraut), maar alleen al op het punt van het casco is deze stelling naar het oordeel van de rechter niet aannemelijk. Breetech c.s. hebben immers tijdens de mondelinge behandeling van het kort geding desgevraagd medegedeeld dat de schatting van de bouwsom was gebaseerd op de kosten van het casco. De nog te maken keuzes hadden dan ook kennelijk geen betrekking op het casco maar veeleer op het interieur en dergelijke. Zonder nadere onderbouwing -die ontbreekt -valt dan ook niet in te zien om welke reden ten aanzien van het casco een aanzienlijke overschrijding heeft plaatsgevonden. Ook voor het overige is de rechter van oordeel dat niet summierlijk gebleken is van de ondeugdelijkheid van de vordering van Maraut op dit punt.

6. Op grond van het voorgaande zal de vordering strekkende tot opheffing van de door Maraut gelegde beslagen worden afgewezen voor zover deze beslagen ten laste van Breetech (eiseres sub 1) zijn gelegd, met uitzondering van de beslagen die zijn gelegd op de zich bij Breetech bevindende motorjachten in aanbouw te weten de "Flying Eagle II" en de "Griffioen" alsmede op onderdelen bestemd om te worden verwerkt in deze twee in aanbouw zijnde motorjachten. Ten aanzien van deze schepen en onderdelen hebben Breetech c.s. gesteld, dat deze geen eigendom (meer) zijn van Breetech maar van de desbetreffende opdrachtgevers. Breetech heeft de bouwcontracten ten aanzien van deze twee in aanbouw zijnde motorjachten in het geding gebracht. Door Breetech is daarbij verwezen naar artikel 9 van het op 13 september 2004 door Breetech ondertekende bouwcontract ter zake van de "Griffioen", welk artikel als volgt luidt:

Article 9: Ownership

9.1. The vessel under construction, as also the materials intended for the vessel's construction, machines, installations, equipment and parts will, as soon as the same have been supplied to the Builder booked tot the project, come into the ownership of the Owner. (...)

Voorts heeft Breetech verwezen naar artikel VIII van het op 15 oktober 2002 door Breetech ondertekende bouwcontract ter zake van de "Flying Eagle II", welk artikel als volgt luidt:

Article VIII

Property and security

(a) From and after payment by the Owner of the first instalment of the price, the Vessel as it is contructed and every part thereof and all equipment, components and materials intended for the vessel as soon as they arrive in the Builder's yard shall be the Owner's property, (...)

De rechter acht op grond van deze bouwcontracten aannemelijk dat de zich bij Breetech bevindende motorjachten in aanbouw te weten de "Flying Eagle II" en de "Griffioen" alsmede de onderdelen bestemd om te worden verwerkt in deze twee in aanbouw zijnde motorjachten geen eigendom meer zijn van Breetech. De beslagen zullen dan ook in zoverre worden opgeheven. De enkele omstandigheid dat -zoals Maraut terecht heeft opgemerkt- bouwcontracten in het geding zijn gebracht die niet door de desbetreffende opdrachtgevers zijn ondertekend, acht de rechter onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Breetech heeft hiertegen onweersproken aangevoerd dat hoewel zij geen bouwcontracten in het geding heeft gebracht die door de desbetreffende opdrachtgevers zijn ondertekend, deze bouwcontracten uiteraard wèl zijn ondertekend door die opdrachtgevers, waarvan Breetech -in verband met mogelijk door Maraut te leggen derdenbeslag- de namen niet wenst prijs te geven.

7.1. Ten aanzien van de hiervoor bedoelde vorderingen die Maraut op Breetech stelt te hebben, heeft Maraut tevens beslag gelegd ten laste van eiseres sub 4, te weten de bestuurder van Breetech, alsmede ten laste van eisers sub 2 en 3, zijnde de indirect bestuurders van Breetech, te weten de bestuurders van eiseres sub 4. Maraut heeft daartoe -kort samengevat- aangevoerd dat Breetech de onderhavige overeenkomst met [S.] (Maraut) is aangegaan terwijl eisers sub 2, 3 en 4 wisten of redelijkerwijs behoorden te begrijpen dat Breetech niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en ook geen verhaal zou bieden voor de door Maraut geleden schade. Maraut heeft daartoe verwezen naar het rapport van Van den Andel waaruit volgens Maraut blijkt dat de bouw van een jacht zoals de onderhavige te hoog gegrepen was voor Breetech. Uit een brief van [K.] van 2 november 2002 blijkt volgens Maraut bovendien dat bij eerdere, door Breetech gebouwde jachten eveneens grote problemen zijn ontstaan. Volgens Maraut was er dan ook sprake van een voorzienbaar onvermogen aan de zijde van Breetech. Eisers sub 2, 3 en 4 hebben voorts bewerkstelligd dat Breetech niet aan haar verplichtingen kon voldoen, met alle schade van dien. Volgens Maraut zijn zij verantwoordelijk voor het desastreus verlopen van het bouwtraject. Zij weken af van de bouwplannen, overschreden zonder enige vorm van overleg het budget op grove wijze, weigerden het schip -na daartoe te zijn gesommeerd- op een deugdelijke wijze af te maken en dwongen Maraut en haar bemanning door valse voorlichting over de staat van het schip om het schip op 7 november 2002 af te nemen en er mee te gaan varen op volle zee terwijl het schip daarvoor niet geschikt was.

7.2. De rechter constateert dat [K.] in de brief van 8 september 2004 -naar welke brief Maraut heeft verwezen- onder meer het volgende heeft medegedeeld:

Zowel [H.] als ikzelf hebben jou destijds [Breetech] aanbevolen. Wij kenden [eiser sub 2] van eerdere projecten. We wisten ook dat hij "een moeilijk mannetje" kan zijn en niet vaak openstaat voor andermans inbreng. Wij hadden echter verwacht, gezien het feit dat hij zaken nu groot aanpakte en er een ervaren ondernemer als aandeelhouder in zijn onderneming mee keek, dat zijn manier van werken en directievoeren aanzienlijk waren verbeterd. Dat het zo uit de hand heeft kunnen lopen heeft niemand kunnen vermoeden.

Op grond van het voorgaande kan moeilijk worden volgehouden dat er sprake was van een voorzienbaar onvermogen aan de zijde van Breetech. Op geen enkele wijze is ook maar enigszins aannemelijk geworden dat het bij het aangaan van de overeenkomst voor eisers sub 2, 3 en 4 duidelijk heeft moeten zijn dat Breetech de onderhavige opdracht niet zou aankunnen. Van bewuste roekeloosheid aan de zijde van de indirecte bestuurders van Breetech -eisers sub 2 en 3- is evenmin gebleken. De rechter acht op grond van het voorgaande summierlijk gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering jegens eisers sub 2, 3 en 4, zodat de ten laste van hen gelegde beslagen zullen worden opgeheven.

8. Voor zover de gevorderde opheffing van de gelegde beslagen zal worden toegewezen, wordt voorts het volgende overwogen.

8.1. Breetech c.s. hebben gevorderd dat Maraut de gelegde beslagen dient op te heffen. De rechter verstaat deze vordering aldus dat Breetech c.s. vorderen dat de rechter het beslag opheft.

Zoals de Hoge Raad reeds op 18 oktober 1991 heeft uitgemaakt (NJ 1992/4), dient daaraan op praktische gronden de voorkeur te worden gegeven: de uitvoering van het vonnis kan bij voorbeeld indien de beslaglegger tot opheffing onwillig of niet in staat is, anders nodeloze complicaties ondervinden.

8.2. Het aanvullend gevraagde verbod om ter zake van het onderhavige geschil opnieuw een beslag van welke aard dan ook te leggen, is te ruim - het omvat zelfs executoriale beslagen - om te kunnen worden toegewezen, zelfs voor dezelfde vordering. Ook indien het verbod van hernieuwde beslaglegging zou worden beperkt tot conservatoire beslagen en slechts zou gelden, zolang de vordering van de beslaglegger niet geheel of gedeeltelijk is toegewezen in de hoofdzaak die door de beslaglegger aanhangig is, dan wel zal worden gemaakt, sluit het op voorhand uit dat nieuwe omstandigheden een hernieuwd beslag rechtvaardigen. Weliswaar ligt het dan op de weg van de beslaglegger om deze te stellen in een verzoekschrift tot verlof, maar een hernieuwd beslag op voorhand verbieden gaat de rechter te ver. Het aanvullend verbod is overigens door de beslagene ook niet afzonderlijk gemotiveerd en verdient reeds op die grond te worden afgewezen.

9. Omdat partijen over en weer deels in het ongelijk zullen worden gesteld, zullen de proceskosten wordt gecompenseerd zoals in het dictum te melden.

BESLISSING

De rechter, rechtdoende in kort geding:

1. heft op de door Maraut op grond van het hiervoor sub 1.9 bedoelde verlof ten laste van eisers sub 2, 3 en 4 gelegde conservatoire (derden)beslagen, alsmede de ten laste van Breetech (eiseres sub 1) gelegde beslagen op de zich bij Breetech bevindende motorjachten in aanbouw te weten de "Flying Eagle II" en de "Griffioen", alsmede op onderdelen bestemd om te worden verwerkt in deze twee in aanbouw zijnde motorjachten;

2. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3. compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4. wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. de Vroome, voorzieningenrechter, en aldus uitgesproken door mr. C.M. Telman in aanwezigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van 12 november 2004.