Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2004:AR3587

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
08-10-2004
Datum publicatie
05-11-2004
Zaaknummer
65986 KG ZA 04-252
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

7:2 Burgerlijk Wetboek. Mondelinge overeenstemming ten aanzien van de koop van een woning. Verplichting tot medewerking aan het tot stand brengen van een (schriftelijke) koopovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2004, 592
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Leeuwarden

Sector civiel recht

afdeling handelsrecht

Korte Gedingen

Uitspraak: 8 oktober 2004

Kort-geding-nummer: 65986 KG ZA 04-252

VONNIS

van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Leeuwarden, in het kort geding van:

[eisers],

beiden wonende te [woonplaats eisers],

eisers, hierna in enkelvoud te noemen: [eiser],

procureur: mr. G.J.P.M. Grijmans,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats gedaagde],

gedaagde, hierna te noemen: [gedaagde],

procureur: mr. R.W. de Casseres.

PROCESGANG

[eiser] heeft [gedaagde] in kort geding doen dagvaarden tegen de openbare zitting van 1 oktober 2004.

[eiser] heeft toen op de bij dagvaarding geformuleerde gronden gevorderd dat de rechter bij vonnis, zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. [gedaagde] zal veroordelen om binnen twee dagen na betekening (aan [gedaagde]) van dit vonnis zijn volledige medewerking te verlenen aan het opmaken en ondertekenen van de schriftelijke koopovereenkomst (zijnde de schriftelijke vastlegging van de mondelinge overeenkomst) terzake de door [gedaagde] en C. [B.] aan [eiser] verkochte woning staande en gelegen te [adres], zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van 1.000,00 euro voor iedere dag of deel daarvan dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft;

2. [gedaagde] zal veroordelen tot het nakomen van al zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst in het bijzonder tot het verlenen van zijn volledige medewerking aan het passeren van de akte van levering van de woning staande en gelegen te [adres] op 1 november 2004 of zoveel eerder of later als partijen nader overeenkomen, dit ten kantore van mr. L.A. Detmar en mr. T.E. Troost, notarissen te Bolsward, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van 1.000,00 euro voor iedere dag of deel daarvan dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft;

3. [gedaagde] zal veroordelen in de kosten van het geding.

Vervolgens hebben partijen hun standpunten nader doen toelichten door hun procureurs, die beiden mede aan de hand van pleitnotities het woord hebben gevoerd. [gedaagde] heeft daarbij geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van [eiser].

[eiser] heeft met goedvinden van [gedaagde] producties in het geding gebracht.

Na voortgezet debat hebben partijen vonnis gevraagd. De rechter doet heden uitspraak.

RECHTSOVERWEGINGEN

Vaststaande feiten

In dit kort geding gelden onder meer de navolgende feiten als vaststaand.

1.1. [gedaagde] en C. [B.] zijn gewezen echtgenoten. Zij zijn samen -ieder voor de onverdeelde helft- eigenaar van de (voormalige) echtelijke woning aan de [adres], hierna te noemen: de woning. Met het oog op de ophanden zijnde echtscheiding heeft [gedaagde] de woning in februari 2004 verlaten.

1.2. [gedaagde] heeft op enig moment aan C. [B.] meegedeeld dat hij het aandeel van C. [B.] in de woning wenste over te nemen. De woning was getaxeerd op een waarde van

? 270.000,00. Uitgaande van deze getaxeerde waarde wenste [gedaagde] het aandeel van C. [B.] in de woning over te nemen; uitgaande van die waarde kon hij dat met moeite financieren. C. [B.] heeft hierop aan [gedaagde] aangegeven dat zij een hoger bedrag wenste te hebben voor de woning.

1.3. In april 2004 heeft [eiser] vernomen dat de woning mogelijk te koop zou komen te staan. [eiser] heeft vervolgens op advies van een derde contact opgenomen met J.F. [B.], de broer van C. [B.], teneinde meer informatie omtrent de woning te verkrijgen.

1.4. Op 14 april 2004 heeft J.F. [B.] telefonisch aan [eiser] laten weten dat hij de woning kon komen bezichtigen. Op 16 april 2004 en op 20 april 2004 heeft [eiser] de woning bezichtigd. [gedaagde] was tijdens deze bezichtigingen niet aanwezig.

1.5. Op 21 april 2004 heeft [eiser] via J.F. [B.] een bod van 255.000,00 euro uitgebracht op de woning. J.F. [B.] heeft dit bod voorgelegd aan C. [B.], waarna C. [B.] dit bod telefonisch heeft besproken met [gedaagde]. Nadat C. [B.] en [gedaagde] met elkaar hadden besproken dat dit bod niet acceptabel was, is dit bod via J.F. [B.] afgewezen.

1.6. Op 22 april 2004 heeft [eiser] wederom via J.F. [B.] een bod op de woning uitgebracht en wel een bedrag van 275.000,00 euro onder voorbehoud van financiering. J.F. [B.] heeft daarop het bod wederom voorgelegd aan C. [B.], die op haar beurt contact heeft opgenomen met [gedaagde]. C. [B.] en [gedaagde] hebben toen gezamenlijk besloten dat dit bod acceptabel was. J.F. [B.] heeft diezelfde avond aan [eiser] laten weten dat C. [B.] en [gedaagde] het bod hadden aanvaard. Omdat C. [B.] op 23 april 2004 met vakantie zou gaan, is afgesproken dat de schriftelijke koopovereenkomst na haar vakantie door partijen zou worden ondertekend. De levering zou vervolgens op 1 november 2004 -of zoveel eerder of later partijen nader zouden overeenkomen- plaatsvinden.

1.7. Op 23 april 2004 heeft [eiser] J.F. [B.] telefonisch laten weten dat de financiering rond was.

1.8. Eveneens op 23 april 2004 heeft [gedaagde] contact opgenomen met [eiser]. [gedaagde] heeft daarbij aangegeven dat hij interesse had voor de aan [eiser] in eigendom toebehorende woning.

1.9. Op 26 april 2004 heeft [gedaagde] [eiser] telefonisch medegedeeld dat hij de woning -althans zijn aandeel daarin- zelf wenste te kopen; hij had de financiering daarvan rond gekregen.

Het geschil en de beoordeling daarvan

2. [eiser] heeft aangevoerd, dat hij op 22 april 2004 mondeling overeenstemming heeft bereikt met C. [B.] en [gedaagde] -via J.F. [B.]- omtrent de koop van de woning voor een koopsom van 275.000,00 euro. Op grond van deze mondelinge overeenstemming is [gedaagde] volgens [eiser] gehouden om tot ondertekening van de schriftelijke koopovereenkomst over te gaan, alsmede om mee te werken aan de notariële levering van de woning aan [eiser].

3. [gedaagde] heeft allereerst aangevoerd, dat [eiser] geen spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. Naar het oordeel van de rechter is er door [eiser] voldoende gesteld om een spoedeisend belang aanwezig te achten. De levering van de woning zou op 1 november 2004 plaats dienen te vinden. [eiser] heeft onweersproken gesteld dat C. [B.] jegens [eiser] aanspraak maakt op nakoming van deze afspraak. Hoewel [eiser] met het oog op de levering van de woning op 1 november 2004 zijn huidige woning op korte termijn wenst te verkopen, heeft hij in verband met het onderhavige geschil met [gedaagde] potentiële kopers tot op heden afgehouden. De rechter kan [eiser] volgen in zijn stelling dat hij spoedig behoefte heeft aan duidelijkheid omtrent zijn positie.

4.1. [gedaagde] heeft voorts betwist dat er mondelinge overeenstemming is bereikt met [eiser] omtrent de koop van de woning door [eiser] tegen een koopprijs van 275.000,00 euro. Weliswaar heeft [gedaagde] telefonisch met C. [B.] besproken dat een bedrag van 275.000,00 euro aanvaardbaar is, maar dit impliceerde volgens [gedaagde] niet dat het bod van [eiser] daarmee door hem werd aanvaard. [gedaagde] wilde de woning zelf hebben.

J.F. [B.] was dan ook niet bevoegd om het bod van [eiser] -dat volgens [gedaagde] niet als een aanbod kan worden aangemerkt- namens [gedaagde] te aanvaarden, aldus nog steeds [gedaagde].

4.2. Ter zitting heeft [gedaagde] desgevraagd meegedeeld dat hij in het telefoongesprek met C. [B.] omtrent het bod van [eiser] van 275.000,00 euro tegen C. [B.] heeft gezegd dat hij akkoord ging met het bod. Tevens heeft [gedaagde] aangegeven, dat hij daarbij niet heeft gezegd dat C. [B.] -dan wel de contactpersoon J.F. [B.]- tegen [eiser] moest zeggen dat [gedaagde] de woning zelf wilde hebben. Zonder nadere toevoegingen van zijn kant, mocht C. [B.] de mededeling van [gedaagde] dat hij akkoord ging met het bod naar het voorlopig oordeel van de rechter aldus begrijpen dat [gedaagde] instemde met de verkoop van de woning aan [eiser] voor een koopprijs van 275.000,00 euro. Op het moment dat J.F. [B.] op 22 april 2004 aan [eiser] meedeelde dat het bod was aanvaard, is er dan ook mondelinge overeenstemming bereikt omtrent de verkoop van de woning aan [eiser]. Omdat gesteld noch gebleken is dat er op dat moment nog essentiële punten waren waarover geen overeenstemming bestond, valt niet in te zien dat er op dat moment (nog) geen mondelinge overeenstemming bestond omtrent de koop van de woning door [eiser]. Het verweer van [gedaagde] dat het bod van [eiser] van 275.000,00 euro niet als een aanbod kan worden aangemerkt, zodat er door de aanvaarding van het bod nog geen mondelinge overeenstemming omtrent de koop van de woning is bereikt, zal dan ook worden verworpen.

5.1. Ten slotte heeft [gedaagde] aangevoerd dat een koopovereenkomst zoals de onderhavige op grond van artikel 7:2 lid 1 Burgerlijk Wetboek schriftelijk wordt aangegaan. Omdat er geen sprake is van een schriftelijke koopovereenkomst, is de (mondelinge) koopovereenkomst nietig, aldus [gedaagde].

5.2. Voorop wordt gesteld, dat nu niet is voldaan aan het in artikel 7:2 lid 1 Burgerlijk Wetboek neergelegde vormvereiste van schriftelijkheid, de koopovereenkomst op grond van artikel 3:39 Burgerlijk Wetboek nietig is. Uit de parlementaire geschiedenis (zie de Memorie van Antwoord, p. 13) blijkt echter dat de nietigheid van de koop niet met zich meebrengt dat de verkoper zich na het bereiken van mondelinge overeenstemming met de koper zonder meer zou mogen terugtrekken. Denkbaar is immers dat op de verkoper een verplichting rust tot medewerking aan het tot stand brengen van de koop door het opmaken van de daarvoor vereiste akte. Uit de Nota naar aanleiding van het eindverslag, p. 7 e.v., blijkt voorts dat in een geval zoals het onderhavige, waarin het mondelinge akkoord, het vormvereiste van artikel 7:2 lid 1 weggedacht, de beoogde, rechtens bindende hoofdovereenkomst zou opleveren, de verkoper in beginsel gehouden is om de noodzakelijke medewerking voor totstandbrenging van de overeenkomst te verlenen. Naar het oordeel van de rechter zijn er in het onderhavige geval geen omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan een uitzondering op dit uitgangspunt gerechtvaardigd is. [gedaagde] is dan ook gehouden om -zoals door [eiser] is gevorderd- de noodzakelijk medewerking te verlenen aan het tot stand brengen van de overeenkomst. Op grond van de alsdan tot stand gekomen koopovereenkomst, is [gedaagde] eveneens gehouden om zijn medewerking te verlenen aan de levering van de woning aan [eiser]. De vordering zal dan ook worden toegewezen, zoals in het dictum te melden.

6. De gevorderde oplegging van dwangsommen zal worden toegewezen.

De rechter zal een maximum aan de te verbeuren dwangsommen verbinden. Dit laat uiteraard onverlet, dat bij voortgaande overtreding van dit kort-geding-vonnis oplegging van hogere dwangsommen kan worden gevorderd dan wel hernieuwde oplegging van dezelfde dwangsommen.

Het bedrag van zowel de dwangsom als het maximum staat in een redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

7. [gedaagde] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

BESLISSING

De rechter, rechtdoende in kort geding:

1. veroordeelt [gedaagde] om binnen twee dagen na betekening (aan [gedaagde]) van dit vonnis zijn volledige medewerking te verlenen aan het opmaken en ondertekenen van de schriftelijke koopovereenkomst (zijnde de schriftelijke vastlegging van de mondelinge overeenkomst) terzake de door [gedaagde] en C. [B.] een [eiser] verkochte woning staande en gelegen te [adres];

2. bepaalt dat [gedaagde] een dwangsom aan [eiser] zal verbeuren van 1.000,00 euro voor iedere dag of deel daarvan dat [gedaagde] in gebreke blijft aan de sub 1 bedoelde veroordeling te voldoen;

3. verbindt aan de aldus sub 2 te verbeuren dwangsommen een maximum van 20.000,00 euro;

4. veroordeelt [gedaagde] om zijn volledige medewerking te verlenen aan het passeren van de akte van levering van de woning staande en gelegen te [adres] op 1 november 2004 of zoveel eerder of later als partijen nader overeenkomen, dit ten kantore van mr. L.A. Detmar en mr. T.E. Troost, notarissen te Bolsward;

5. bepaalt dat [gedaagde] een dwangsom zal verbeuren van 1.000,00 euro voor iedere dag of deel daarvan dat [gedaagde] in gebreke blijft aan de sub 4 bedoelde veroordeling te voldoen;

6. verbindt aan de aldus sub 5 te verbeuren dwangsommen een maximum van 20.000,00 euro;

7. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, aan de zijde van [eiser] begroot op 324,78 euro aan verschotten en op 705,00 euro aan salaris procureur;

8. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

9. wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M. Telman, voorzieningenrechter, en in aanwezigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 oktober 2004.

fn 82