Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2004:AR3223

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
05-10-2004
Datum publicatie
05-10-2004
Zaaknummer
17/081079-04 VEV
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

cold case, verkrachting, electronisch toezicht, veroordeling

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 242
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Leeuwarden

Sector strafrecht

VERKORT VONNIS

Uitspraak: 5 oktober 2004

Parketnummer: 17/081079-04

VONNIS van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in P.I. Noord, locatie De Marwei te Leeuwarden, Holstmeerweg 7.

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 21 september 2004.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden.

TELASTELEGGING

Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de dagvaarding gehecht, waaruit de inhoud van de telastelegging geacht moet worden hier te zijn overgenomen.

In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht het primair telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:

primair

hij op 8 september 1989, te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, door geweld en bedreiging met geweld een vrouw, te weten [slachtoffer], heeft gedwongen met hem buiten echt vleselijke gemeenschap te hebben, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte,

- die (zich in de berging van een flat bevindende) [slachtoffer] een mes, opzettelijk dreigend heeft voorgehouden/getoond en vervolgens

- dat mes, op/tegen de keel van die [slachtoffer] heeft gezet en gehouden en

- met dat mes, zwaaiende bewegingen voor/langs het gezicht van die [slachtoffer] heeft gemaakt en

- die [slachtoffer] meermalen)op/tegen de grond heeft geduwd en

- die [slachtoffer] (stevig) heeft vastgehouden en

- door zijn fysieke overwicht op die [slachtoffer] en door zijn kennelijke bedoelingen en door het blokkeren/afsnijden van de (enige) uitgang/vluchtweg, een dermate bedreigende situatie voor die [slachtoffer] heeft gecreƫerd dat de vrees van die [slachtoffer] voor geweld van de zijde van hem, verdachte, gerechtvaardigd was en zij zich aldus niet kon onttrekken aan en afdoende kon verzetten tegen voornoemde vleselijke gemeenschap;

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

KWALIFICATIE

Het bewezene levert op het misdrijf:

primair

Verkrachting.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

STRAFMOTIVERING

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van het gepleegde feit;

- de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, het voorlichtingsrapport en de omtrent verdachte uitgebrachte multidisciplinaire rapportage;

- de vordering van de officier van justitie tot veroordeling van verdachte terzake het primair telastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden;

- het pleidooi van de raadsman.

Verdachte heeft vijftien jaar geleden een vrouw verkracht. Kort voordat de verjaringstermijn afliep, ontstond de verdenking waarna de ernstige bezwaren aan het licht kwamen.

Verdachte heeft het hem onbekende slachtoffer gevolgd, toen zij de berging van haar flat inging, en daar heeft hij met geweld en onder bedreiging van een mes de verkrachting uitgevoerd.

Uit de aangifte van destijds blijkt de angst en vernedering, die het slachtoffer heeft ervaren. Uit de beschikbare gegevens over haar situatie nu, blijkt de grote impact, die dit misdrijf op het leven van het slachtoffer heeft gehad en nog steeds heeft.

De rechtbank is van oordeel dat dit feit in beginsel dient te worden bestraft met het opleggen van een forse vrijheidsstraf, zoals de officier van justitie vorderde. Uit het onderzoek van de psychiater blijkt dat verdachte niet detentieongeschikt is, nu hij medicamenteuze ondersteuning heeft en enigszins gewend is aan de situatie.

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat in het voorbereidend onderzoek een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het wetboek van strafvordering heeft plaatsgevonden. De hoogte van de straf zou daarom in verhouding tot de ernst van het verzuim dienen te worden verlaagd. Hij heeft daartoe gesteld:

- dat verdachte niet als verdachte had mogen worden aangemerkt, omdat het redelijke vermoeden van schuld tegen verdachte in de onderhavige zaak is gebaseerd op aanwijzingen uit een eerder tegen verdachte gevoerde strafzaak waarin verdachte werd vrijgesproken; dit zou strijd opleveren met het beginsel dat verdachte, na de vrijspraak in de eerdere zaak, voor onschuldig gehouden moest worden;

- dat de aanhouding van verdachte op 9 maart 2004 en het daaropvolgende verzoek medewerking te verlenen aan afname van DNA dus onrechtmatig waren;

- dat het onrechtmatige verzoek medewerking aan DNA-afname te verlenen een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het wetboek van strafvordering oplevert;

- dat dit vormverzuim tot strafverlaging zou moeten leiden.

De rechtbank is van oordeel dat de combinatie van de gegevens uit de eerdere strafzaak tegen verdachte en de gegevens uit het op 9 maart 2004 aanwezige onderzoeksmateriaal in de onderhavige strafzaak, voldoende was om te komen tot een redelijk vermoeden van schuld met betrekking tot verdachte. De rechtbank acht de aanhouding van verdachte op 9 maart 2004 derhalve niet onrechtmatig. Verdachte heeft vervolgens vrijwillig medewerking verleend aan afname van DNA. De rechtbank is van oordeel dat er door deze gang van zaken geen vormen zijn verzuimd in het voorbereidend onderzoek en ziet derhalve ook geen aanleiding om strafverlaging in de zin van artikel 359a lid 1 sub a toe te passen.

Als strafverzwarende omstandigheid weegt mee de bekentenis van verdachte dat hij eerder soortgelijke misdrijven heeft gepleegd.

Strafverminderend zijn de conclusies van de onderzoeken van de psycholoog en psychiater, die de rechtbank in grote lijnen overneemt. Verdachte is zwakbegaafd en er is sprake van een persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke en sociale trekken. Hij zag het ongeoorloofde van zijn handelen weliswaar in, maar had te weinig innerlijk verweer tegen zijn agressief seksuele aandriften. Verdachte moet verminderd toerekeningsvatbaar worden geacht.

De wijze waarop de deskundigen het recidivegevaar duiden, doet de rechtbank besluiten een deel van de op te leggen vrijheidsstraf onder voorwaarden op te leggen.

De psychiater omschrijft de aan hem hierover gestelde vraag als volgt.

"Onderzochte is een man, die binnen de overzichtelijke structuur van een steunende symbiotisch gekleurde relatie voldoende houvast heeft om zich aan de maatschappelijke normen te houden en zijn leven op de rails te houden. Wanneer deze structuur wegvalt heeft onderzochte onvoldoende in huis om zijn onmacht te kanaliseren en tot te integreren proporties terug te brengen zonder tot recidive over te gaan. Onderzochte heeft een dergelijke beschermingsstructuur gevonden, namelijk zijn echtgenote en zijn gezin. De delictgevaarlijkheid en kans op recidive hangen hiermee nauw samen. Wanneer deze structuur wegvalt is de kans op recidive groot. Wanneer deze structuur aanwezig is, is de kans op recidive klein."

Het lijkt erop dat de echtgenote van verdachte wil blijven investeren in de relatie. Vermeden moet worden, binnen bepaalde grenzen uiteraard, dat een lange gevangenisstraf deze structuur zal ondergraven. De mogelijkheid om verdachte voor een aanzienlijke periode onder elektronisch toezicht te stellen acht de rechtbank een juiste manier om de daadwerkelijk uit te zitten gevangenisstraf te beperken. Het voorwaardelijk gedeelte van de vrijheidsstraf, waaraan deze voorwaarde wordt gekoppeld, kan eveneens dienen als een waarschuwing voor verdachte om zich niet opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

Alles overwegend acht de rechtbank na te melden straf passend.

TOEPASSING VAN WETSARTIKELEN

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 242 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT

RECHTDOENDE:

Verklaart het telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot zes maanden niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te vermelden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde, dat de veroordeelde zich gedurende de eerste zes maanden van de proeftijd onder elektronisch toezicht zal stellen, met inachtneming van het voorstel zoals dat is geformuleerd in het rapport van Reclassering Nederland d.d. 4 augustus 2004 en van hetgeen op basis daarvan tussen de veroordeelde en Reclassering Nederland nader zal worden overeengekomen.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.E.M. Daan-van Brink, voorzitter, mr. J.J. Beswerda en mr. H.R. Bax, rechters, bijgestaan door mr. B. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 oktober 2004.

Mr. Bax is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.