Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2004:AR3112

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
01-10-2004
Datum publicatie
05-10-2004
Zaaknummer
65673 KG ZA 04-236
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

CAO. VUT-premies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Leeuwarden

Sector civiel recht

afdeling handelsrecht

Korte Gedingen

Uitspraak: 1 oktober 2004 (bij vervroeging)

Kort-geding-nummer: 65673 / KG ZA 04-236

VONNIS

van de voorzieningenrechter van de rechtbank te Leeuwarden, in het kort geding van:

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

CNV BEDRIJVENBOND,

zetelend en kantoorhoudend te Houten,

2. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

FNV BONDGENOTEN,

zetelend te Amsterdam, kantoorhoudend te Utrecht

3. de stichting

STICHTING VRIJWILLIGE VERVROEGDE UITTREDING WERKNEMERS ENNA AEROSOLS,

gevestigd te Dokkum,

eiseressen,

hierna te noemen: CNV c.s. of de bonden,

procureur: mr. P. Tuinman,

advocaat: mr.drs. H. Aydemir te Utrecht,

tegen

de besloten vennootschap

ENNA AEROSOLS B.V.,

gevestigd en kantoorhoudend te Dokkum,

gedaagde,

hierna te noemen: Enna Aerosols,

advocaat: mr. J.G.N. Zincken te Amsterdam.

PROCESGANG

CNV c.s. hebben Enna Aerosols in kort geding doen dagvaarden tegen de openbare zitting van 20 september 2004.

CNV c.s. hebben toen op de bij dagvaarding geformuleerde gronden gevorderd dat de voorzieningenrechter bij vonnis -zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad- Enna Aerosols veroordeelt tot:

* nakoming binnen twee dagen na betekening van dit vonnis van haar verplichtingen uit hoofde van de CAO Enna Aerosols B.V. vanaf 1 april 2002, meer specifiek artikel 17C CAO betreffende de geïntegreerde pensioenregeling, artikel 17B jo. artikel 8 bijlage V CAO betreffende regeling (financiering van) vrijwillig vervroegd uittreden en artikel 2 lid 12 CAO betreffende regeling werkgeversbijdrage, jegens alle werknemers, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van 500,00 euro per dag voor iedere op dat moment werkzame werknemer, per dag verschuldigd aan elk van de bonden afzonderlijk, indien Enna Aerosols na betekening van dit vonnis in gebreke blijft aan voornoemde verplichtingen te voldoen;

*overlegging binnen twee dagen na betekening van dit vonnis van het rekeningnummer waarop de VUT-premies zijn gestort en de specificaties van de afgedragen bedragen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van ? 500,00 voor iedere op dat moment werkzame werknemer, per dag verschuldigd aan elk van de bonden en de stichting VUT afzonderlijk, indien Enna Aerosols na betekening van dit vonnis in gebreke blijft aan voornoemde verplichtingen te voldoen;

indien de VUT-premies niet zijn afgedragen:

- betaling van een voorschot van 367.000,00 euro aan de stichting VUT binnen twee dagen na betekening van dit vonnis;

- betaling van de ten onrechte ingehouden VUT-premies vanaf 1 januari 2003 aan de werknemers, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van 500,00 euro voor iedere op dat moment werkzame werknemer, per dag verschuldigd aan elk van de bonden afzonderlijk, indien Enna Aerosols na betekening van dit vonnis in gebreke blijft aan voornoemde verplichting te voldoen;

* betaling van een voorschot op de aan CNV c.s. toekomende schadevergoeding, van

19.000,00 euro;

* betaling van de kosten van het geding.

Vervolgens hebben partijen hun standpunten nader doen toelichten door hun advocaten, die beiden mede aan de hand van pleitnotities het woord hebben gevoerd, waarbij Enna Aerosols heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van CNV c.s., met veroordeling van CNV c.s. in de kosten van het geding

Partijen hebben met wederzijds goedvinden producties in het geding gebracht.

Na voortgezet debat hebben partijen vonnis gevraagd. De voorzieningenrechter doet heden uitspraak.

RECHTSOVERWEGINGEN

De vaststaande feiten

In dit kort geding gelden onder meer de navolgende feiten als vaststaand.

1.1. Krachtens hun statuten stellen CNV Bedrijvenbond en FNV Bondgenoten zich ten doel om de belangen van hun leden te behartigen. Dit doen de bonden onder meer door het afsluiten van collectieve arbeidsovereenkomsten met werkgevers of een vereniging van werkgevers.

1.2. De bonden sluiten met Enna Aerosols zogeheten ondernemings-CAO's af.

1.3. Enna Aerosols en de bonden zijn sinds omstreeks 1995 in gesprek over een vermindering van de pensioenlasten voor Enna Aerosols. De pensioenregeling, zoals opgenomen in de CAO 2001-2002 is een eindloonregeling. Enna Aerosols wil deze regeling omgezet zien in een middelloonregeling.

1.4. De bonden hebben zich op het standpunt gesteld dat zij op of omstreeks 24 juni 2002 een akkoord met Enna Aerosols hebben bereikt over een CAO met de looptijd 1 april 2002 tot 1 april 2003, en vervolgens, op 23 augustus 2003, een akkoord over een CAO met de looptijd 1 april 2003 tot 1 april 2004. Beide -beweerdelijke- CAO's zijn aangemeld bij de directie Uitvoeringstaken Arbeidsvoorwaardenwetgeving van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, welke directie onder meer belast is met de afhandeling van CAO-aanmeldingen.

1.5. In de -beweerdelijke- CAO met de looptijd van 1 april 2002 tot 1 april 2003 staat in artikel 17 het navolgende vermeld:

Geïntegreerde pensioenregeling

1. Tussen partijen is overeenstemming bereikt over de invoering van een geïntegreerde vroegpensioenregeling, in plaats van de huidige VUT- en pensioenregeling. Invoering van de nieuwe regeling zal plaatsvinden met ingang van 1 januari 2003.

2. Voor de nieuwe vroegpensioenregeling zijn de volgende uitgangspunten overeengekomen:

1. Invoering van de regeling zal plaatsvinden met ingang van 1 januari 2003.

2. De regeling is gebaseerd op geïndexeerd middelloon, met een opnamedatum van 23 jaar en een pensioendatum van 63 jaar.

3. Het opbouwpercentage bedraagt 1,75% per jaar, zodat na 40 dienstjaren een pensioen bereikt is van 70% van de gemiddelde pensioengrondslag. Het nabestaandenpensioen is 70% van het te bereiken ouderdomspensioen en het wezenpensioen is 14% van het te bereiken ouderdomspensioen.

4. De pensioenfranchise wordt verlaagd van 17.833,56 euro in de huidige pensioenregeling naar 15.564.66 euro (niveau 2001) in de nieuwe pensioenregeling.

5. Het opgebouwde deel van het pensioen en de pensioenfranchise wordt jaarlijks geïndexeerd met de loonindex (= de initiële CAO-loonsverhoging zoals afgesproken in de van toepassing zijnde CAO voor Enna). Uit te keren pensioenen worden jaarlijks geïndexeerd met de prijsindex (= CPI, laag inkomen afgeleid).

6. Op de pensioendatum van 63 jaar wordt een AOW-vervangende uitkering toegekend, het Tijdelijk Overbruggingspensioen (TOP). Dit TOP bedraagt 80% van de franchise en wordt opgebouwd in 40 dienstjaren.

7. De deelnemersbijdrage is 7,2% van de pensioengrondslag (=12,96 maal het bruto maandsalaris minus de franchise).

3. Tevens gelden de volgende overgangsmaatregelen:

Voor alle werknemers van Enna die op 1 januari 2002 23 jaar of ouder zijn, die op het moment van invoering in dienst zijn en onafgebroken in dienst blijven tot de pensioenleeftijd van 63 jaar, geldt dat zij een volledig TOP zullen opbouwen en dat zij gecompenseerd worden voor het feit dat zij 2 opbouwjaren voor pensioen missen.

Deze overgangsmaatregelen worden door de werkgever gefinancierd uit de opgebrachte VUT-reserveringen.

1.6. Vorenstaande geïntegreerde pensioenregeling is ook opgenomen in de -beweerdelijke- CAO met de looptijd van 1 april 2003 tot 1 april 2004.

1.7. Over de -beweerdelijke- CAO's is namens Enna Aerosols onder meer onderhandeld door de heer [R.], gevolmachtigd bestuurder. [R.] is sinds 4 augustus 2003 geen gevolmachtigd bestuurder meer. Ook is de heer [T.], bestuurder van moedermaatschappij [T.] Group International, wel eens bij de onderhandelingen geweest. De plantmanager van Enna Aerosols, de heer [de R.], heeft de -beweerdelijke- CAO's geaccordeerd.

1.8. In het jaar 1996 is er een regeling vrijwillig vervroegd uittreden in de CAO opgenomen, in artikel 17B jo. Bijlage V CAO. Deze regeling diende te worden uitgevoerd door het VUT-fonds Enna Aerosols. De premie bedroeg 2% van het maandinkomen inclusief vakantietoeslag en extra uitkering. De werknemersbijdrage bedroeg 50% (van voormelde 2%) en werd in maandelijkse termijnen op het salaris ingehouden. De werkgever was op grond van artikel 8 bijlage V CAO degene die de werknemersbijdrage inhield op de salarissen en samen met de werkgeversbijdrage zou moeten afdragen aan het VUT-fonds Enna Aerosols.

1.9. Enna Aerosols heeft vanaf 1996 geld opzijgezet voor de VUT-aanspraken van haar werknemers. Hiermee werden de VUT-gerechtigden voldaan en nam de verplichting jegens toekomstige VUT-gerechtigden toe. De betaling van de VUT-uitkeringen kwam in mindering op de door Enna Aerosols getroffen voorziening.

Het door Enna Aerosols voor de VUT-aanspraken opzijgezette bedrag is echter niet -zoals de CAO voorschreef- op een rekening van het VUT-fonds terechtgekomen, maar op een depositorekening van Enna Aerosols bij de ABN AMRO Bank, met rekeningnummer 45.57.29.336. Enna Aerosols heeft het geld op vorenstaande rekening in 2003 gebruikt om een deel van de kosten van de in dat jaar binnen de onderneming doorgevoerde reorganisatie te betalen.

Het geschil en de beoordeling daarvan

De gevorderde nakoming van de CAO's over de periodes 1 april 2002-1 april 2003 en 1 april 2003-1 april 2004

2.1. De bonden hebben gesteld dat zij op 24 juni 2002 een akkoord met Enna Aerosols hebben bereikt over een CAO met de looptijd van 1 april 2002 tot 1 april 2003, en op 23 augustus 2003 een akkoord over een CAO met de looptijd van 1 april 2003 tot 1 april 2004. In deze beide CAO's is eerdergenoemd artikel 17C over een geïntegreerde pensioenregeling opgenomen. De overeengekomen pensioenregeling wordt door Enna Aerosols echter niet nagekomen.

2.2. Voor zover er in casu niet voldaan is aan de door artikel 3 van de WCAO gestelde eis van het neerleggen van de CAO in een authentieke of onderhandse akte, wijzen de bonden erop dat er dan nog altijd een mondelinge overeenkomst tussen partijen geldt, die door Enna Aerosols moet worden nagekomen. Voorts achten de bonden het waarschijnlijk dat voormelde directie van het Ministerie van SZW over een ondertekend exemplaar van de beide CAO's beschikt. De bonden hebben deze zelf niet.

2.3. Enna Aerosols stelt zich volgens CNV c.s. ten onrechte op het standpunt dat (voormalig) gevolmachtigd bestuurder [R.] niet bevoegd zou zijn geweest om CAO-afspraken te maken. [R.] deed dergelijke onderhandelingen altijd -hij was voor de bonden op het punt van arbeidsvoorwaarden de aanspreekpartner bij Enna Aerosols- en Enna Aerosols heeft tijdens de onderhandelingen op geen enkele wijze laten blijken dat [R.] niet bevoegd was om deze namens haar te voeren. De heer [T.], bestuurder van moedermaatschappij [T.] Group International is ook -deels- bij de onderhandelingen aanwezig geweest. Hem is de inhoud van de geïntegreerde pensioenregeling medegedeeld. Bovendien is de eerste CAO door plantmanager [de R.] en de tweede CAO door [T.] Group International bij de directie Uitvoeringstaken Arbeidsvoorwaardenwetgeving van het Ministerie van SZW aangemeld. Ook dat wijst op de totstandkoming van de twee CAO's.

3.1. Enna Aerosols stelt zich op het standpunt dat de -beweerdelijke- CAO's 2002/2003 en 2003/2004 niet op een rechtsgeldige wijze tot stand zijn gekomen.

Primair stelt Enna Aerosols daartoe dat deze CAO's niet, zoals artikel 3 WCAO vereist, in een authentieke dan wel onderhandse akte zijn neergelegd. Reeds om die reden zijn de bonden niet-ontvankelijk in hun vorderingen. Daarnaast geldt dat, als er sprake is van een mondelinge overeenkomst, de bonden eveneens niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen, nu zij op grond van de WCAO slechts nakoming van een CAO kunnen vorderen ten behoeve van hun leden.

3.2. Subsidiair stelt Enna Aerosols dat [R.] niet bevoegd was om Enna Aerosols te vertegenwoordigen. De bonden wisten dat en [T.] of Enna Aerosols heeft niet de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid gecreëerd. Er is geen verklaring of gedraging van [T.] of Enna Aerosols geweest op grond waarvan de bonden redelijkerwijze mochten aannemen dat een toereikende volmacht was verleend. Op essentiële momenten in de onderhandelingen heeft [R.], net als andere onderhandelaars aan de zijde van Enna Aerosols, aangegeven dat de definitieve beslissingsbevoegdheid bij de bestuurder, de heer [T.], lag. Voorts hebben de bonden niet eerder dan in maart 2004 aangegeven dat er een nieuwe pensioenregeling zou zijn. In de tussen partijen gevoerde gesprekken over de reorganisatie in 2003 is dit punt in het geheel niet aan de orde gekomen. Het reorganisatieplan en het bijbehorende Sociaal Plan -uit 2003- zijn bovendien gebaseerd op de CAO 2001-2002.

3.3. Voor zover er wel een overeenkomst tot stand is gekomen, doet Enna Aerosols een beroep op dwaling nu de kosten van de overeengekomen pensioenregeling veel hoger zijn dan het uitgangspunt van Enna Aerosols, namelijk een besparing op langere termijn en kostenneutraliteit op de korte termijn. De door de bonden gestelde pensioenregeling is voor Enna Aerosols onbetaalbaar.

4.1. Het spoedeisend belang bij de onderhavige vordering acht de voorzieningenrechter voldoende aanwezig.

4.2. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Artikel 3 van de WCAO eist als bestaansvereiste voor een collectieve arbeidsovereenkomst een authentieke of onderhandse akte, waarin die overeenkomst is neergelegd. In dit kort geding is niet gebleken van het bestaan van een dergelijke authentieke of onderhandse akte. De bonden hebben te dezer zake slechts stukken overgelegd, waarin wel de namen van partijen vermeld staan maar die niet ondertekend zijn. Hiermee wordt niet voldaan aan het vereiste van artikel 3 WCAO.

Voor zover de bonden hebben aangevoerd dat de directie Uitvoering Arbeidsvoorwaardenwetgeving van het Ministerie van SZW waarschijnlijk wel over een ondertekend exemplaar van de beide -pretense- CAO's beschikt nu deze aldaar zijn aangemeld, merkt de voorzieningenrechter op dat deze stelling door de bonden onvoldoende is onderbouwd. Het had op de weg van de bonden gelegen om in dat geval voorafgaand aan de zitting de -ondertekende- CAO's bij het Ministerie van SZW op te vragen en deze in het geding te brengen. De voorzieningenrechter vindt het overigens merkwaardig dat professionele CAO-(onderhandelings)partijen als CNV en FNV beide niet over een ondertekend exemplaar van volgens hen totstandgekomen CAO's beschikken.

Gezien het vorenstaande is het bestaan van de door de bonden gestelde CAO's in dit geding niet aannemelijk geworden, zodat de bonden ook geen vordering tot nakoming daarvan toekomt.

4.3. De bonden hebben voorts aangevoerd dat Enna Aerosols, zo er geen CAO tussen partijen tot stand is gekomen, in ieder geval gehouden is om de mondeling tussen partijen gemaakte afspraken na te komen. Enna Aerosols heeft hiertegen ingebracht dat de bonden in dat geval op grond van de WCAO geen nakomingsvordering toekomt.

Dat laatste is naar het oordeel van de voorzieningenrechter juist, maar neemt niet weg dat de bonden -als er geen CAO is afgesloten- in ieder geval op grond van artikel 3:305a BW namens werknemers kunnen optreden. Immers, op grond van voormeld artikel kan een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid -als CNV en FNV- een rechtsvordering instellen ter bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt, hetgeen blijkens de statuten van zowel CNV als FNV het geval is. Voor zover de bonden derhalve nakoming vorderen van mondelinge afspraken tussen partijen, kunnen zij in hun vordering worden ontvangen.

4.4. Vervolgens komt de vraag aan de orde of de gevorderde nakoming van de gestelde mondelinge afspraken omtrent de geïntegreerde pensioenregeling kan worden toegewezen. Deze vraag moet naar het oordeel van de voorzieningenrechter ontkennend worden beantwoord, nu er -gelet op de uitdrukkelijke en gemotiveerde betwisting van de zijde van Enna Aerosols op dit punt- in dit kort geding onvoldoende duidelijkheid bestaat omtrent het bestaan van een overeenkomst tussen partijen over een geïntegreerde pensioenregeling, nog daargelaten de vragen of, zo er al een overeenkomst zou zijn, deze wel door een daartoe bevoegde persoon is gesloten en of deze al dan niet onder invloed van dwaling aan de zijde van Enna Aerosols tot stand is gekomen. Het is onder die omstandigheden onzeker of de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat er tussen partijen een rechtsgeldige overeenkomst is gesloten over een geïntegreerde pensioenregeling, zodat de gevorderde nakoming hiervan zal worden afgewezen.

De gevorderde overlegging van het rekeningnummer waarop de VUT-premies zijn gestort c.a.

5.1. CNV c.s. hebben gesteld dat volgens ex-werknemers op de afdeling boekhouding te Dokkum in ieder geval tot januari 2003 de premies door de afdeling boekhouding werden overgemaakt naar een uitsluitend daarvoor geopend rekeningnummer bij ABN AMRO Bank. Omstreeks juli/augustus 2003 werd de afdeling boekhouding in Dokkum opgeheven en werd de boekhouding overgeheveld naar Amsterdam. Vanaf dat moment is volgens CNV c.s. het nummer van de rekening met daarop de VUT-premies zoek. Navraag bij de ABN AMRO Bank heeft opgeleverd dat men daar niet bekend is met een dergelijke rekening. Enna Aerosols is bovendien weigerachtig gebleven om aan CNV c.s. het rekeningnummer en een specificatie van de afdracht van de VUT-premies te verstrekken. CNV c.s. kunnen hierdoor niet controleren of er daadwerkelijk VUT-premies zijn afgedragen. CNV c.s. eisen daarom opgave van het rekeningnummer waarop de VUT-premies zijn gestort en de specificaties van de gedane afdrachten. Het zou bij de gedane afdrachten volgens verklaringen van diverse personen gaan om een bedrag van ? 367.000,00.

5.2. Mocht uit de over te leggen specificaties blijken dat de VUT-premies niet zijn afgedragen, dan verzoeken CNV c.s. om Enna Aerosols te veroordelen tot betaling van een voorschot van 367.000,00 euro aan de stichting VUT.

6.1. Enna Aerosols stelt dat zij nooit geld heeft overgemaakt naar een bankrekening van de VUT-stichting. Wel heeft zij vanaf 1996 maandelijks een voorziening getroffen voor de verplichtingen op grond van de VUT-regeling. De betalingen aan VUT-gerechtigden die Enna Aerosols diende te verrichten, kwamen in mindering op de door Enna Aerosols getroffen voorziening. Het geld is opzijgezet op bankrekeningnummer 45.57.29.336 bij de ABN AMRO Bank. Het tegoed op voormelde rekening is gebruikt voor een deel van de kosten van de reorganisatie bij Enna Aerosols. Enna Aerosols zal haar verplichtingen jegens VUT-gerechtigden nochtans (blijven) respecteren.

6.2. Er is nooit door iemand bezwaar gemaakt tegen bovengenoemde wijze van uitvoering van de VUT-regeling door Enna Aerosols. Het is volgens Enna Aerosols dan ook naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat CNV c.s. nu opeens de koers wijzigen en betaling van een niet nader gemotiveerd bedrag eisen. Het gevorderde bedrag wordt overigens door Enna Aerosols betwist. Enna Aerosols merkt voorts op dat in ieder geval een deel van de aanspraken van CNV c.s. is verjaard, en wel de aanspraken die verder zijn gelegen dan 5 jaar voor datum dagvaarding.

7.1. Het spoedeisend belang bij deze vordering wordt voldoende aanwezig geacht.

7.2. Ter zitting is gebleken dat Enna Aerosols de verschuldigde VUT-premies niet, zoals de CAO voorschreef, op een rekening van het VUT-fonds heeft afgedragen, maar de VUT-premies onder zich heeft gehouden middels storting hiervan op een depositorekening van Enna Aerosols zelf.

7.3. Nu er geen afdracht van VUT-premies heeft plaatsgevonden, zijn de vorderingen van CNV c.s., strekkende tot het overleggen van het nummer van de rekening waarop de afdrachten hebben plaatsgevonden en tot het overleggen van specificaties van de gedane afdrachten, niet toewijsbaar.

7.4. CNV c.s. vorderen, voor het geval de VUT-premies niet blijken te zijn afgedragen, betaling van een voorschot van ? 367.000,00 aan de stichting VUT.

Voor zover Enna Aerosols daartegen heeft ingebracht dat hiermee sprake is van een koerswijziging die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is omdat CNV c.s. -kort gezegd- jarenlang geen bezwaren tegen deze gang van zaken hebben geuit, deelt de voorzieningenrechter deze zienswijze niet. Van Enna Aerosols had verwacht mogen worden dat zij voor het geld dat op een rekening van het VUT-fonds gestort had moeten worden -doch dat zij onder zich heeft gehouden-, intern een zodanige voorziening zou hebben getroffen, dat zij de VUT-vorderingen van haar (ex-)werknemers kan voldoen en de VUT-regeling aldus kan uitvoeren conform de daartoe gemaakte afspraken.

7.5. CNV c.s. hebben wat betreft de hoogte van de vordering gemotiveerd een bedrag van

367.000,00 euro genoemd. Enna Aerosols heeft daartegenover volstaan met een blote betwisting van dit bedrag. De voorzieningenrechter merkt deze betwisting als onvoldoende aan. Van Enna Aerosols had verwacht mogen worden dat zij in staat is om het door haar -in haar eigen visie- verschuldigde bedrag aan VUT-premies nauwkeurig te berekenen, nu zij zelf de inhoudingen van de VUT-premies heeft verricht en uitkeringen aan VUT-gerechtigden heeft gedaan. Aan de betwisting van de hoogte van de vordering zal derhalve voorbij worden gegaan.

7.6. Het door Enna Aerosols gedane beroep op verjaring van een gedeelte van de vordering zal als onvoldoende onderbouwd worden gepasseerd. Zo er al een gedeelte van de vordering verjaard is, dan had het op de weg van Enna Aerosols gelegen om precies aan te geven welk gedeelte van de vordering verjaard is. Dat heeft zij echter nagelaten.

7.7. De vordering tot betaling van een voorschot van 367.000,00 euro aan de stichting VUT zal derhalve worden toegewezen.

De gevorderde betaling van ten onrechte ingehouden VUT-premies vanaf 1 januari 2003

8.1. De bonden hebben gesteld dat Enna Aerosols vanaf 1 januari 2003 ten onrechte 1% VUT-premie ten laste van haar werknemers inhoudt. Artikel 17C van de CAO 2002/2003 bepaalt namelijk dat de geïntegreerde pensioenregeling met ingang van 1 januari 2003 van kracht wordt. Hierdoor is de grond voor inhouding van VUT-premies op het salaris van de werknemers komen te vervallen.

8.2. Enna Aerosols verwijst te dezer zake naar haar standpunt omtrent het niet overeen gekomen zijn van de geïntegreerde pensioenregeling, en concludeert op die grond tot afwijzing van de onderhavige vordering.

8.3. Het spoedeisend belang wordt ook hier voldoende aanwezig geacht.

8.4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat nu de onderhavige vordering gebaseerd is op het bestaan van een geïntegreerde pensioenregeling vanaf 1 januari 2003, en -zie hiervoor onder rechtsoverweging 4.4.- het bestaan van deze geïntegreerde pensioenregeling vooralsnog niet aannemelijk is geworden, waardoor met betrekking tot de pensioenregeling nog immer de regeling uit de CAO 2001/2002 geldt met daarin opgenomen de inhoudingsplicht van 1% VUT-premie op het salaris van de werknemer, deze vordering dient te worden afgewezen.

De gevorderde werkgeversbijdrage op grond van artikel 2 lid 12 CAO

9.1. CNV c.s. stellen dat Enna Aerosols zich op grond van artikel 2 lid 12 van de CAO 2002/2003 bereid heeft verklaard tot het verstrekken van een bijdrage overeenkomstig de tussen AWVN en FNV Bondgenoten/CNV Bedrijvenbond/De Unie gesloten overeenkomst met betrekking tot de bijdrageregeling aan vakverenigingen. Enna Aerosols komt volgens de bonden haar verplichting dienaangaande niet na.

9.2. Enna Aerosols heeft gesteld dat het gevorderde dient te worden afgewezen, nu dit is gebaseerd op een CAO waarvan de rechtsgeldigheid door Enna Aerosols wordt betwist.

9.3. Deze vordering van de bonden is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet spoedeisend en dient derhalve al om die reden te worden afgewezen.

Ook overigens komt de vordering niet voor toewijzing in aanmerking, nu deze is gebaseerd op door CNV c.s. gestelde afspraken waarvan de rechtsgeldigheid -zie wederom hiervoor onder rechtsoverweging 4.4.- vooralsnog niet is komen vast te staan.

De overige vorderingen van CNV c.s.

10.1. De bonden hebben gesteld dat zij door de niet naleving van de CAO schade hebben geleden, hieruit bestaande dat zij bij hun leden vertrouwen en prestige hebben verloren, nu zij ondanks hun inspanningen niet hebben kunnen bewerkstelligen dat Enna Aerosols zich aan de CAO houdt. De bonden boeten hierdoor aan werfkracht in. Zij stellen daarom dat zij recht en belang hebben bij een redelijk voorschot op de geleden schade. Een bedrag van 5000,00 euro als voorschot op de vergoeding van de schade op grond van artikel 16 WCAO achten de bonden een redelijk bedrag.

10.2. Voorts stellen de bonden dat hun bestuurders er erg veel tijd in hebben gestoken om aan Enna Aerosols duidelijk te maken dat zij haar CAO-verplichtingen dient na te komen. De bestuurders van de bonden hebben hier samen 100 uren aan besteed, tegen een uurloon van 140,00 euro. Een bedrag van 14.000,00 euro als voorschot op de vergoeding van de schade op grond van artikel 15 WCAO achten de bonden een redelijk bedrag.

11. Enna Aerosols stelt dat het gevorderde voorschot op schadevergoeding exorbitant hoog is. Gezichtsverlies lijden de bonden volgens haar door een pensioenregeling af te dwingen die onbetaalbaar is en tot een verregaande reorganisatie van de onderneming zal noodzaken. Daarnaast is het in rekening brengen van liefst 100 bestuurdersuren buitensporig.

12. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er door de bonden geen feiten en omstandigheden zijn aangevoerd, en ook niet anderszins zijn gebleken, op grond waarvan CNV c.s. een spoedeisend belang hebben bij de toewijzing van de gevorderde schadevergoeding. Deze vordering zal dan ook worden afgewezen.

Proceskosten

13. Nu partijen over en weer in het (on)gelijk zijn gesteld, acht de voorzieningenrechter termen aanwezig om de kosten van de procedure te compenseren, als hierna in het dictum te melden.

BESLISSING

De voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding:

veroordeelt Enna Aerosols om aan de stichting VUT te betalen -ten titel van voorschot- een bedrag van 367.000,00 euro (zegge: driehonderdzevenenzestigduizend euro);

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van deze procedure aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.G. Leijten, voorzieningenrechter, en in aanwezigheid van de griffier bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 oktober 2004.