Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2004:AO6070

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
17-03-2004
Datum publicatie
31-03-2004
Zaaknummer
59029 HA ZA 03-483
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Busje brandt uit op de vluchtstrook. Is de eigenaar van het busje aansprakelijk voor de schade aan het wegdek? Geen sprake van een verkeersongeval in de zin van artikel 185 WVW. Toerekening krachtens verkeersopvattingen met als conclusie dat (de verzekeraar van) de eigenaar van het busje de schade moet betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Leeuwarden

Sector civiel recht

afdeling handelsrecht

Uitspraak: 17 maart 2004

Zaak-/Rolnummer: 59029 / HAZA 03-483

VONNIS

van de enkelvoudige handelskamer in de zaak van:

de STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Verkeer en Waterstaat),

gevestigd te Den Haag,

eiser, verder te noemen de Staat,

procureur: mr. V.M.J. Both,

advocaat: mr. J.J. van der Helm te Den Haag,

tegen

de naamloze vennootschap ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Leeuwarden,

gedaagde, verder te noemen Achmea,

procureur: mr. G. Kaaij.

advocaat: mr. T. Albers.

PROCESGANG

De zaak is bij dagvaarding van 11 juni 2003 aanhangig gemaakt. In de procedure zijn de volgende stukken gewisseld:

* de conclusie van antwoord van de zijde van Achmea;

* de conclusie van repliek van de zijde van de Staat;

* de conclusie van dupliek van de zijde van Achmea.

Partijen hebben producties overgelegd. Op 12 februari 2004 hebben partijen hun standpunten nader uiteengezet middels een pleidooi, ter gelegenheid waarvan Achmea nog een productie in het geding heeft gebracht. Ten slotte is door partijen vonnis gevraagd.

RECHTSOVERWEGINGEN

1. De vordering

De vordering van de Staat strekt er toe dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, Achmea veroordeelt om aan hem tegen finale kwijting te betalen een bedrag van € 8.529,55, te vermeerderen met de wettelijke rente over 7.719,43 euro vanaf 1 februari 2003 en over

491,83 euro vanaf de dag der dagvaarding, met veroordeling van Achmea in de kosten van deze procedure.

Achmea heeft tegen de vordering verweer gevoerd met conclusie tot afwijzing daarvan, met uitvoerbaar bij voorraad verklaarde veroordeling van de Staat in de proceskosten waaronder alsmede voorwaardelijk, in het geval de Staat desgevraagd niet binnen 14 dagen aan het in deze te wijzen vonnis zal hebben voldaan, bij wijze van nasalaris een bedrag ter hoogte van een punt van het geldend liquidatietarief - te vermeerderen met de betekeningskosten na betekening van de executoriale titel.

2. Vaststaande feiten

Op 28 november 2001 ontstond brand in een busje, dat op dat moment op de Rijksweg 15 reed. Het busje was eigendom van hoveniersbedrijf [B.], verzekerde van Achmea. Nadat het begin van de brand was ontdekt is het busje stilgezet op de vluchtstrook en is de bestuurder uitgestapt. Vervolgens is het busje uitgebrand. Daardoor is schade aan het wegdek ontstaan. De Staat is beheerder van deze weg. De door de Staat gemaakte herstelkosten bedragen 7.208,14 euro.

Volgens het door de Staat ingeschakelde expertisebureau RDM is de brand waarschijnlijk veroorzaakt door kortsluiting in de kachelmotor onder het dashboard en heeft de eigenaar zelf het onderhoud aan de auto uitgevoerd en grote reparaties op verschillende adressen en zeer willekeurig laten uitvoeren.

De APK van het busje gold tot 24 augustus 2002.

3. Het standpunt van de Staat

Achmea is aansprakelijk op grond van artikel 185 Wegenverkeerswet 1994 (verder: WVW) juncto artikel 6 Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen. Immers, met het busje werd deelgenomen aan het verkeer, en een brand is te beschouwen als een ongeval in de zin van artikel 185 WVW. Achmea komt geen beroep op overmacht toe, want het gaat om een eigen gebrek aan de auto.

Daarnaast is er aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). In de eerste plaats is er sprake van schuld, doordat aangenomen moet worden (bij gebrek aan een andere gebleken oorzaak) dat gebrekkig onderhoud als oorzaak van de brand geldt. Deelnemen aan het verkeer met een niet of gebrekkig onderhouden auto is verwijtbaar onzorgvuldig.

Voor zover er geen sprake zou zijn van schuld dient de oorzaak van de brand op grond van de verkeersopvattingen aan Achmea te worden toegerekend. Als de auto wel goed onderhouden zou zijn dan is er sprake van een verborgen gebrek, hetgeen een beroep op overmacht uitsluit. Door deel te nemen aan het verkeer met een auto met een verborgen gebrek is het risico in het leven geroepen dat aan derden nadeel wordt toegebracht.

Auto's ontbranden, zodat automobilisten er rekening mee moeten houden dat zij, met het gebruik van de auto, het risico in het leven roepen dat hun auto in brand vliegt en zij daarmee schade aan een derde toebrengen. De ratio van artikel 185 WVW is het beschermen van derden tegen gevaren die van motorrijtuigen uitgaan.

4. Het standpunt van Achmea

Artikel 185 WVW is niet van toepassing, omdat brand niet als een in dat artikel bedoelde gebeurtenis heeft te gelden. Daarnaast nam het busje geen deel aan het verkeer toen het uitbrandde.

Een automobilist die aan het verkeer deelneemt aanvaardt daarmee nog geen risico-aansprakelijkheid.

De auto was goed en regelmatig onderhouden. De eigenaar heeft zelf geen noemenswaardig onderhoud gepleegd. Daarnaast is nooit gebleken dat de kachel onderhoud behoefde.

De eigenaar noch de chauffeur heeft daarom schuld aan de spontane ontbranding.

Beoordeling van het geschil

1. De eerste vraag die voorligt is die naar de toepasselijkheid van artikel 185 WVW.

Voor toepasselijkheid is vereist dat er sprake is van een verkeersongeval. Nog in 1991, bij de behandeling van de WVW, heeft de regering uitgesproken dat (thans) artikel 185 WVW, waarin de term "verkeersongeval" wordt gehanteerd, geen inhoudelijke wijziging betreft ten opzichte van het oude artikel 31 WVW, waarin werd gesproken van "botsing, aan- of overrijding". Bij de behandeling van artikel 185 WVW heeft de regering voorts opgemerkt dat van een verdergaande aanpassing afgezien zou moeten worden.

De rechtbank merkt op dat, blijkens de parlementaire behandeling, de regering met de keuze voor de term "verkeersongeval" beoogde aansluiting te zoeken bij (thans) de artikelen 6 en 7 WVW. Laatstgenoemde artikelen betreffen strafrechtelijk te handhaven verbodsbepalingen, ten aanzien waarvan een eenvoudiger redactie gewenst was. Deze wens werd vervuld door de oude term "botsing, aan- of overrijding" te vervangen door het eenvoudiger "ongeval". Daarbij merkte de regering (ook hier) op dat een inhoudelijke wijziging niet werd beoogd.

De kennelijke bedoeling van de wetgever is dus deze, dat er voor toepasselijkheid van artikel 185 WVW (nog steeds) sprake moet zijn van een botsing, aan- of overrijding.

Naar het oordeel van de rechtbank valt een brand niet onder deze omschrijving. Evenmin is deze daar, op legistisch verantwoorde wijze, onder te brengen.

Dit brengt mee dat de Wegenverkeerswet niet van toepassing is.

2. Door de brand is een zaak, toebehorend aan een ander, beschadigd, hetgeen als onrechtmatig kan worden beschouwd. De vraag die thans voorligt is of deze onrechtmatige daad aan [B.], hetzij krachtens schuld hetzij krachtens verkeersopvattingen, kan worden toegerekend.

3. Dat er sprake is van schuld aan de zijde van [B.] is niet gebleken. De suggestie dat de auto dan wel het verwarmingssysteem niet goed onderhouden zou zijn is niet onderbouwd, wel voldoende weerlegd. Evenmin is gebleken dat het risico van brand zodanig evident was dat [B.], door desondanks (een werknemer) met de auto de weg op te (laten) gaan, verwijtbaar heeft gehandeld.

4. Ten aanzien van de door de Staat beoogde toerekening krachtens verkeersopvattingen geldt dat deze slechts in een beperkt aantal gevallen kan plaatsvinden. De aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad is en blijft immers primair een schuldaansprakelijkheid. Dat brengt mee dat er, voor een dergelijke toerekening, sprake moet zijn van zodanige omstandigheden dat de gevolgen van de daad in redelijkheid niet voor rekening van de benadeelde gebracht kunnen worden.

Dit zal zich voordoen indien een automobilist deelneemt aan het verkeer terwijl het niet denkbeeldige risico bestaat dat zich een gebrek in de auto manifesteert, waardoor schade kan worden toegebracht. Een dergelijk risico, ook indien dit gelegen is in een plotseling optredend en zelfs voordien verborgen gebrek, dient voor rekening van de eigenaar te komen. Dit is slechts anders indien dit gebrek dermate onwaarschijnlijk is dat daar in redelijkheid geen rekening mee gehouden hoeft te worden. Kortsluiting in een elektrisch systeem, hoezeer ook ongewenst en onverwacht, valt niet onder dergelijke onwaarschijnlijke gebeurtenissen.

5. Het voorgaande brengt mee dat Achmea, als verzekeraar van de eigenaar van de auto, aansprakelijk is voor de ten processe bedoelde schade. De vordering zal worden toegewezen, waarbij Achmea zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

BESLISSING

De rechtbank

veroordeelt Achmea om aan de Staat tegen finale kwijting te betalen een bedrag van 8.529,55 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente over 7.719,43 euro vanaf 1 februari 2003 en over 491,83 euro vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der voldoening,

veroordeelt Achmea in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op 326,16 euro aan verschotten en 1.320,00 euro aan salaris procureur;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. J.E. Biesma en in het openbaar uitgesproken door de rolrechter op 17 maart 2004.

fn 342