Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2004:AO5642

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
12-03-2004
Datum publicatie
16-03-2004
Zaaknummer
135848 /CV EXPL 03-4720
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burengeschil. Gedaagde zaagt zonder toestemming van eiser een boom (deels) om, die overigens te dicht bij de erfgrens stond. Hiermee handelt gedaagde onrechtmatig jegens eiser en moet hij de daardoor ontstane schade vergoeden. Gezien de slechte toestand van de boom is de vordering tot schadevergoeding maar voor een deel toewijsbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Leeuwarden

Sector Kanton

Locatie Leeuwarden

VONNIS

(Uitspraak: 12 maart 2004)

135848 /CV EXPL 03-4720

in de zaak van

[a] en

[b],

beiden wonende te [x],

eisers,

gemachtigde: mevr. mr. J.C.W. ter Heijden,

tegen

[c],

wonende te [x],

gedaagde,

gemachtigde: mevr. mr. S.C. Bosch.

OVERWEGINGEN

Procesverloop

1. Op de bij dagvaarding vermelde gronden heeft eisende partij, hierna zowel tezamen als in enkelvoud te noemen [eiser], gevorderd om gedaagde partij, hierna te noemen [gedaagde], te veroordelen tot betaling van € 2.079,24 met rente en kosten.

[gedaagde] heeft bij antwoord de vordering betwist.

Na repliek en dupliek is vonnis bepaald op de stukken, waarvan de inhoud als hier ingelast geldt.

De feiten

2. Als gesteld en erkend, dan wel als niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud der overgelegde producties staat het volgende vast.

[eiser] en [gedaagde] zijn buren. Op het erf van [eiser] bevond zich een krulwilg (Salix matsudana Tortuosa). De linkerstam van deze krulwilg is op 20 april 2002 door [gedaagde] omgezaagd tot een hoogte van circa 1,25 meter. [gedaagde] beschikte niet over een kapvergunning. Eerder had [gedaagde] reeds de rechterstam van de wilg verwijderd.

Het standpunt van [eiser]

3.1. [eiser] heeft gesteld dat [gedaagde] zonder verkregen toestemming (de rechterstam van) de wilg heeft omgezaagd. [gedaagde] beschikte ook niet over een kapvergunning. [eiser] heeft tegen [gedaagde] aangifte van vernieling gedaan. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] te zijnen aanzien onrechtmatig gehandeld. [gedaagde] heeft immers inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [eiser]. De schade beloopt volgens de door [eiser] ingeschakelde (beëdigde) taxateur € 1.331,00 (exclusief de taxatiekosten ad € 181,50 (exclusief BTW) en de rooikosten van de stobbe ad € 175,00 (exclusief BTW)).

3.2. In reactie op het na te melden verweer van [gedaagde] heeft [eiser] betwist dat er sprake was van het toebrengen van hinder aan [gedaagde] door het wegnemen van zonlicht. Ook heeft [eiser] betwist dat [gedaagde] toestemming had om de wilg te verwijderen. [eiser] heeft [gedaagde] laten weten dat de wilg onder geen beding mocht worden omgezaagd. Volgens [eiser] is er geen sprake van een heester; de krulwilg dient als een boom te worden aangemerkt. Ofschoon de wilg op korte afstand van de erfgrens stond, heeft [gedaagde] toch onrechtmatig gehandeld door de boom om te zagen. De (eventuele) vordering van [gedaagde] tot opheffing van de onrechtmatige toestand is verjaard. [gedaagde] heeft ook nooit opheffing van de vermeende onrechtmatige toestand gevorderd.

Het standpunt van [gedaagde]

4.1. [gedaagde] heeft primair aangevoerd dat er geen sprake is van een door hem gepleegde inbreuk op het eigendomsrecht van [eiser]. [gedaagde] heeft [eiser] meermalen meegedeeld dat hij hinder ondervond van de wilg. [gedaagde] heeft mondeling toestemming gekregen om de wilg te verwijderen.

4.2. De wilg moet volgens een gemeenteambtenaar niet als boom, maar als heester worden aangemerkt. Een heester dient zich volgens de wet op tenminste een halve meter van de grenslijn te bevinden. Gebleken is dat het hout van de stamvoet zich op 40 centimeter van de kadastrale grens bevindt. Er is derhalve sprake van een onrechtmatige toestand waarvan verwijdering had kunnen worden gevorderd. [gedaagde] heeft [eiser] meermalen verzocht die onrechtmatige situatie op te heffen door verwijdering van de heester. De onrechtmatige toestand is nog niet verjaard, omdat de heester in 1986 is geplant en derhalve 16 jaar oud is. Omdat er geen sprake is van een boom, was een kapvergunning niet nodig.

4.3. Voorts heeft [gedaagde] gesteld dat hij onrechtmatige hinder ondervond als gevolg van de wilg. De wilg onthield hem zonlicht.

4.4. Ten slotte heeft [gedaagde] de waarde van de wilg betwist. Er was geen sprake van een mooie, bloeiende krulwilg maar van een ingerotte en sterk in conditie verslechterde wilg. Volgens een door [gedaagde] geraadpleegde boomkweker bedraagt de waarde van de wilg niet meer dan de houtopbrengst. Van schade aan de zijde van [eiser] is geen sprake.

De beoordeling van het geschil

5.1. Partijen verschillen in de eerste plaats van mening over de vraag of de krulwilg als boom, dan wel als heester moet worden beschouwd. De kantonrechter is van oordeel dat, gezien de opvatting van de door [eiser] ingeroepen deskundige alsmede uit de overgelegde foto's van de boom, de wilg als boom moet worden aangemerkt. De verklaring van de gemeenteambtenaar doet daar niet aan af, nu niet gebleken is waarop de gemeenteambtenaar zijn conclusie heeft doen steunen en of deze ambtenaar ter zake deskundig was. Voorts staat, als door [eiser] onvoldoende weersproken, vast dat de wilg zich op circa 40 centimeter van de erfgrens bevond. Op grond van artikel 5:42 lid 1 in verbinding met lid 2 van het Burgerlijk Wetboek moet de afstand tussen de voet van de boom en de grenslijn van beide erven (behoudens een hier niet ter zake doende uitzondering) twee meter bedragen. Dat betekent dat de wilg op een onjuiste plaats, namelijk te dicht bij de grenslijn, is geplant, hetgeen een onrechtmatige situatie oplevert.

5.2. Vast staat dat [gedaagde] de wilg, althans de rechterstam daarvan, heeft omgezaagd. Naar het oordeel van de kantonrechter is niet (voldoende) gebleken dat [eiser] toestemming heeft verleend voor het omzagen van de wilg. Dat die toestemming is gegeven, is ook niet aannemelijk omdat [eiser] aangifte heeft gedaan tegen [gedaagde] ter zake van vernieling. Dat er sprake was van hinder, acht de kantonrechter evenmin aannemelijk. Vast staat dat de wilg reeds gedurende enkele jaren op het erf van [eiser] heeft gestaan. Niet gebleken is dat [gedaagde] gedurende die periode heeft geklaagd omtrent hinder als gevolg van de wilg. Voor zover aangenomen moet worden dat [gedaagde] toch bij [eiser] heeft geklaagd, had het op zijn weg gelegen om (indien [eiser] weigerachtig bleef de wilg te verwijderen) maatregelen te nemen zoals het instellen van een vordering tot verwijdering. Nu [gedaagde] dit kennelijk heeft nagelaten acht de kantonrechter niet aannemelijk dat de ernst van de door [gedaagde] ondervonden hinder dermate ernstig was dat het [gedaagde] vrijstond de wilg om te zagen.

5.3. Nu niet gebleken is dat [gedaagde] bij [eiser] heeft geklaagd omtrent de wilg en ook niet gebleken is dat [gedaagde] toestemming had om de wilg om te zagen, moet er van uit worden gegaan dat er sprake is geweest van eigenrichting aan de zijde van [gedaagde]. Deze eigenrichting was ongeoorloofd omdat [gedaagde] andere middelen ten dienste stonden om van de door hem gestelde hinder te worden verlost. Het vorenstaande betekent dat [gedaagde] toerekenbaar en zonder gegronde reden inbreuk heeft gemaakt op het eigendomsrecht van [eiser]. [gedaagde] is dan ook gehouden de door zijn onrechtmatig handelen veroorzaakte schade te vergoeden.

5.4. Ten aanzien van de omvang van de schade overweegt de kantonrechter als volgt.

De kantonrechter acht niet de volledige, door [eiser] gevorderde, schade toewijsbaar. Weliswaar bedraagt de schade volgens de taxatie, aan de juistheid waarvan de kantonrechter niet twijfelt, € 1.331,00 maar dit betreft niet de schade die [eiser] zelf heeft geleden. Gesteld noch gebleken is immers dat [eiser] zelf schade (bijvoorbeeld minder beschutting of privacy) heeft geleden als gevolg van het omzagen van de wilg. Daarnaast blijkt uit de overgelegde foto's van de wilg dat deze zich niet meer in een erg florissante conditie bevond. De kantonrechter zal de schade dan ook ex aequo et bono begroten op € 500,00. Dit bedrag acht de kantonrechter het meest met de aard van de schade in overeenstemming. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat [gedaagde] ook aansprakelijk moet worden geacht voor de rooikosten van de stobbe. De hoogte van deze kosten is door [gedaagde] niet (voldoende) gemotiveerd betwist.

5.5. De taxatiekosten zal de kantonrechter afwijzen. Het is immers de keuze van [eiser] geweest om de deskundige in te schakelen. [gedaagde] heeft daarop geen invloed kunnen uitoefenen. De kosten ten aanzien van het inschakelen van de deskundige dienen dan ook in redelijkheid ten laste van [eiser] te blijven.

5.6. Tegen de verschuldigdheid van de incassokosten is door [gedaagde] geen zelfstandig verweer gevoerd, zodat deze vordering als zijnde onweersproken zal worden toegewezen. De incassokosten zullen worden gerelateerd aan het toe te wijzen bedrag en aldus worden gematigd tot een bedrag van € 161,84 (inclusief BTW).

5.7. Ten slotte zal [gedaagde] als de (grotendeels) in het ongelijk te stellen partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een bedrag groot € 870,09 (zegge: acht honderd zeventig euro en negen eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 708,25 vanaf 10 oktober 2002 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 270,00 wegens salaris en op € 243,16 wegens verschotten;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. A. van der Meer, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 maart 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 145