Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2004:AO5144

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
03-03-2004
Datum publicatie
11-03-2004
Zaaknummer
59310 HA ZA 03-522
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser stelt geluidsoverlast te ondervinden door bewoners van "De Kaap", een instelling die aan lichamelijke gehandicapten 24-uurs zorg verleent en welke instelling gevestigd is in een flatgebouw op korte afstand van het flatgebouw waarin eiser woonachtig is. De overlast zou worden veroorzaakt op een terrein dat tussen voornoemde flatgebouwen in gelegen is. De rechtbank heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat geluiden van stemmen, afkomstig van zich op bedoeld terrein bevindende bewoners van "De Kaap", alsmede geluiden van stoelen en tafels die door hen op dat terrein geplaatst of verschoven worden en geluiden van door bedoelde bewoners aldaar gebruikt serviesgoed, doordringen in de woning van eiser en dat deze geluiden hinderlijk zijn. Omdat het hier volgens de rechtbank gaat om "buitenactiviteiten" van zeer lange duur en met grote frequentie, kan eiser er volgens de rechtbank aanspraak op maken dat de betreffende bewoners minder vaak en minder lang achtereen op het terrein recreeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Leeuwarden

Sector civiel recht

afdeling handelsrecht

Uitspraak: 3 maart 2004

Zaak-/Rolnummer: 59310/HA ZA 03-522

VONNIS

van de enkelvoudige handelskamer in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser, hierna te noemen: [eiser],

procureur: mr. R.W. de Casseres,

tegen

1. de stichting STICHTING CORPORATIEHOLDING FRIESLAND ,

gevestigd te Grou,

gedaagde sub 1., hierna te noemen: BWL,

procureur: mr. R.C.M. Kamsma,

2. de stichting STICHTING NOORDERBRUG,

gevestigd te Groningen,

gedaagde sub 2., hierna te noemen: Noorderbrug,

procureur: mr. V.M.J. Both,

advocaat: mr. M.R. Gans te Groningen.

PROCESGANG

De zaak is bij dagvaarding van 3 juli 2003 aanhangig gemaakt. BWL en Noorderbrug hebben vervolgens elk een conclusie van antwoord genomen. Bij vonnis van 24 september 2003 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie -waarvan proces-verbaal is opgemaakt- heeft plaatsgevonden op 8 december 2003. [eiser] en BWL hebben producties overgelegd. Uitspraak is bepaald op heden.

RECHTSOVERWEGINGEN

1. De vaststaande feiten

In dit geding kan worden uitgegaan van de volgende feiten:

a) [eiser] huurt sinds 28 april 1992 van BWL de woning [adres]. Die woning bevindt zich op de eerste etage van een flatgebouw.

b) Op korte afstand van dat flatgebouw bevindt zich een ander (flat-)gebouw, genummerd [adres], dat sinds 1 januari 1992 door Noorderbrug wordt gehuurd van BWL. In het huurreglement dat behoort bij -in ieder geval- de huurovereenkomst van BWL met Noorderbrug zijn in artikel 1.6 onder meer de volgende verplichtingen van de huurder vermeld:

" 4. De huurder noch bij hem inwonende of verblijvende personen zullen omwonenden hinder of overlast

bezorgen. (....)

8. De huurder gedraagt zich ten opzichte van een onroerende zaak die direct aan het door hem gehuurde

grenst overeenkomstig de bepalingen van het burenrecht, zoals deze zijn te vinden in de artikelen 5:37

tot en met 69 van het Burgerlijk Wetboek (...) ".

c) Noorderbrug is een instelling, die aan lichamelijke gehandicapten 24-uurs zorg verleent en aan dezen in voormeld gehuurde -onder de naam "de Kaap"- een vorm van zelfstandig wonen biedt. Het betreffende gebouw is onderverdeeld in 25 appartementen en heeft voorts ruimtes voor algemene voorzieningen, zoals recreatie, eten en (thee- en koffie)drinken.

In "de Kaap" wonen thans 25 lichamelijk gehandicapten in de leeftijd van 18 tot 28 jaar, die in redelijke mate zelfstandig in de maatschappij (kunnen) functioneren.

d) Grotendeels ingesloten tussen het complex waarin [eiser] woont en het gebouw waarin

"de Kaap" is gevestigd, bevindt zich een terrein, dat geen eigendom is van BWL en door BWL ook niet aan [eiser] of Noorderbrug in huur is gegeven. Bedoeld terrein, dat eigendom is van de gemeente Leeuwarden en een openbare bestemming heeft, is vanuit het gebouw van "de Kaap" bereikbaar via zich in de centrale afdeling bevindende schuifdeuren, maar is ook via andere wegen -voor derden- vrij toegankelijk.

[eiser] heeft zich meermalen bij Noorderbrug en BWL beklaagd over door bewoners van "de Kaap" veroorzaakte geluidsoverlast wanneer dezen zich bevinden op het betreffende terrein.

e) Op verzoek van [eiser] heeft bij de sector kanton van deze rechtbank een voorlopig getuigenverhoor plaatsgevonden in verband met de door [eiser] gestelde (geluids)overlast.

Bij die gelegenheid zijn op 3 oktober 2002 als getuigen gehoord [eiser] zelf, diens partner R. [P.], alsmede E.J. [H.] en Ch. [H.], huurders van de appartementen [adres].

In tegenverhoor (aan de zijde van BWL, die gerekwestreerde was) zijn op 28 november 2002 als getuigen gehoord M.R. [B.], manager bij BWL, alsmede J.H.M. [H.] en

J.T. [D.], respectievelijk locatiemanager en coördinerend begeleider bij "de Kaap".

Voornoemde getuigen hebben onder meer en voorzoveel hier van belang het volgende verklaard:

Getuige [eiser]:

"De overlast waarover ik klaag wordt veroorzaakt door bewoners en begeleiders van De Kaap. Het aantal mensen varieert van 3 á 4 tot groepen rond de 10 en de 17 personen. Mijn woning bevindt zich op de 1e etage en steekt ten opzichte van de benedenverdieping uit en onder het uitstekende deel van mijn woning en ook terzijde daarvan bevinden zich groepjes mensen die het betreft. Van die buitenruimte wordt gebruik gemaakt in de periode van mei tot en met september maar in hoofdzaak wordt er van 's ochtends vroeg vanaf een uur of 10 van de buitenruimte gebruik gemaakt. Bij de overlast gaat het in hoofdzaak om roepen, schreeuwen en lachen en het op luide toon converseren. Ook is er geklepper van servies en geschuif met tafels en stoelen te horen. Door de geluiden die van buiten naar binnen dringen is het onmogelijk om geconcentreerd te werken, is het ondoenlijk om met bezoek te converseren en voel ik mij genoodzaakt om de ramen dicht te houden maar ook dan ondervind ik ernstige overlast van het geluid en stijgt de temperatuur in de kamer tot ondraaglijke hoogten. Telefoneren is ook lastig en televisie en radio moeten harder dan normaal. Soms komt het voor dat ik mijn huis ontvlucht en elders onderdak zoek. Dat is deze zomer een keer of 6 á 8 voorgekomen denk ik.

(...) Ik woon sinds 1992 in deze woning en van 1992 tot 1996 heb ik geen enkele overlast ondervonden omdat de bewoners van De Kaap en hun begeleiders in die tijd van een andere buitenruimte gebruik maakten. Die andere buitenruimte ligt aan de andere kant van het gebouw en kon bereikt worden vanuit dezelfde centrale hal. Sinds begin juli van dit jaar is de overlast een stuk minder en ik vind dat opvallend omdat ik omstreeks die tijd het verzoekschrift voor het getuigenverhoor heb ingediend terwijl ik vanaf 1996 zonder resultaat in gesprek ben geweest met De Kaap en BWL."

Getuige [P.]:

" De overlast waar het om gaat is afkomstig van de bewoners van De Kaap als zij gebruik maken van het terras en het gras gelegen onder de woning van [eiser]. De geluidsoverlast bestaat uit praten, roepen, schreeuwen, lachen, geluid van servies en bestek en geschuif met de stoelen en tafels. Deze geluiden worden veroorzaakt door veel mensen, 10 á 12, soms meer soms minder, zijn hard en geven je het gevoel dat je op een terras zit.

(...) Die overlast ondervind ik wel als ik bij de heer [eiser] op bezoek ben en ik ben daar erg veel. Bijna ieder weekend drie dagen en ook door de weeks enkele avonden. De overlast vindt plaats tijdens het seizoen waarin mensen buiten kunnen verblijven, vanaf de lente tot het najaar, iedere dag van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Zelf heb ik nooit iemand aangesproken over deze overlast. (...) Ik kom nu sinds een jaar of 5 bij [eiser] en al die tijd heb ik de overlast ervaren. Dit jaar is de overlast begin juli afgenomen en dat is vroeger dan normaal. Over de oorzaak kan ik niks zeggen. Ik constateer alleen dat het afnemen van de overlast plaatsvond in de tijd dat ook het verzoek tot dit getuigenverhoor werd ingediend. Sinds begin juli zijn er niet minder gebruikers van het terras maar die er zijn houden zich rustiger."

Getuige [H.]:

"Sinds november 2001 woon ik op [adres], dat is op dezelfde etage naast de woning van [eiser]. Onder mijn raam bevindt zich een grasveld waarvan voornamelijk in de zomermaanden gebruik wordt gemaakt door de mensen van De Kaap. Variërend tussen 10 en 20 mensen zitten er van 8 uur 's ochtends tot

10 uur 's avonds in de periode van ongeveer april tot september als het weer het toelaat. Het betreft gehandicapte mensen die rare geluiden maken en ook harde geluiden. Daar heb ik last van en dat ook zo als ik de ramen dicht doe. Als de televisie aanstaat dan moet ik die harder zetten dan ik normaal gesproken zou doen. Ik studeer ook naast mijn werk en daarbij ondervind ik ook hinder van de geluiden. Als ik visite heb is het lastig om een normaal gesprek te voeren en de mensen die op bezoek zijn geven er ook blijk van het raar te vinden dat er zoveel lawaai gemaakt wordt buiten. (...) Ik heb tot dusver nog niet geklaagd over de overlast."

Getuige [H.]:

"Sinds oktober woon ik op het adres [adres]. Tussen mijn appartement en dat van [eiser] zit 1 appartement. In mijn woning vind ik geluidsoverlast door bewoners die gehuisvest zijn op de begane grond. Vanaf mei zijn die bewoners gezamenlijk gebruik aan het maken van de buitenruimte, die als grasperk rond het gebouw loopt met name onder de appartementen [nummers] en de geluiden die zij maken veroorzaken overlast. Naar ik vermoed door hun handicap maken die bewoners harde geluiden en articuleren zij heftig. Dit betreft een groot deel van de dag en op de momenten waarop ik thuis ben word ik gehinderd door een sterk geluid van stemmen. Het is alsof je in een openbare gelegenheid bent en of je het raam open of dicht hebt maakt geen verschil. Ik heb nog niet geklaagd over de overlast maar wel geïnformeerd bij andere bewoners of zij er ook last van hebben."

Getuige [B.]:

"Vanaf het voorjaar 2000 ben ik in gesprek met de heer [eiser] over klachten o.a. betrekking hebbend op geluidsoverlast veroorzaakt door bewoners van De Kaap. Van [eiser] kreeg ik de indruk dat hij stuk liep op de Kaap d.w.z. dat het hem niet lukte om tot overleg met De Kaap te komen en daarom heb ik na het eerste contact met [eiser] bemiddeld voor een overleg tussen hem en mevrouw [H.], welk overleg heeft plaatsgevonden in juli 2000 waarbij ik ook zelf aanwezig ben geweest. Er is tijdens dat overleg ondermeer gesproken over de geluidsoverlast waar dit getuigenverhoor over gaat. Besproken is tijdens dat overleg dat wij onze bemiddeling tussen de gemeente en De Kaap om te komen tot een ander terras voor de bewoners van De Kaap zouden intensiveren. Vervolgens heeft een van mijn medewerkers contact gezocht met de gemeente, de dienst beheer openbare ruimten. Dit heeft uiteindelijk tot niets geleid omdat er grondtransacties voor nodig waren terwijl het voor De Kaap logistieke problemen gaf om het terras op een andere plek te situeren. Uit mijn dossier heb ik begrepen dat de klachten van [eiser] over de geluidsoverlast dateren van 1997. Tijdens het overleg waarover ik sprak stond niet ter discussie dat [eiser] van de bewoners van De Kaap geluidsoverlast ondervond als die zich op het buitenterrein bevonden. (...) Toen duidelijk werd dat er in deze zaak getuigen zouden worden gehoord heb ik in de periode juni t/m augustus dit jaar wanneer ik in de wijk was een aantal keren langs het gebouw en het terras gelopen om te kijken waar we het nu eigenlijk over hadden. Ik heb dat in totaal vier keer gedaan. Bij redelijk tot mooi weer en twee keer daarvan heb ik bewoners met begeleiders op het terras aangetroffen. Mijn waarneming was dat er gepraat werd op het terras en koffie of fris werd gedronken vergelijkbaar met situaties waarin dat in de achtertuin van een woning gebeurt, maar van geschreeuw of een bende heb ik niets gemerkt.

Ook heb ik niet gehoord dat er een muziekapparaat, een radio of iets dergelijks, aanstond. In de periode juni t/m augustus van dit jaar heb ik telefonisch contact opgenomen met bewoners van het [adres] met de vraag of zij overlast ondervonden van het terras van De Kaap. In alle gevallen werd ontkend dat er overlast werd ondervonden."

Getuige [H.]:

"Sinds ongeveer twee jaar, wanneer het is begonnen weet ik niet precies, maar het was voor de zomer, heb ik contact met de heer [eiser] over de geluidsoverlast uit de woonvorm zelf, waaronder overlast vanaf het terras.

(...) Ik heb die overlast toen zelf niet nader onderzocht omdat ik mij wel kon voorstellen dat er vanaf het terras geluid zou komen. (...) Als ik mijn raam open heb hoor ik de geluiden van het terras waar [eiser] over klaagt. Ik heb de geluiden niet als overlast ervaren maar dat is subjectief. Er zullen ook wel momenten zijn waarop de geluiden harder zijn dan normaal waarop door de begeleiding wordt ingegrepen. Dit gebeurt zeker en ook nu nog na de gesprekken die ik met [eiser] over de overlast heb gevoerd. (...) Van andere bewoners heb ik geen klachten ontvangen behalve dan van de bewoner van de woonruimte naast de heer [eiser], op nummer [nummer], de partner van mevr. Olde, die klachten had over geluid uit de hal. Nadat daar wat aan gedaan was heeft die bewoner gemeld dat de klachten waren verholpen en dat hij ook overigens geen klachten had. Ik heb na de klachten van [eiser] initiatieven genomen om te komen tot een andere buitenruimte voor de bewoners. Daartoe heb ik contact opgenomen met BWL en de gemeente. Dat heeft allemaal erg lang geduurd en uiteindelijk ben ik daarmee gestopt omdat een alternatieve locatie te veel geld zou gaan kosten (...)."

Getuige [D.]:

"Van mevrouw [H.] heb ik een aantal malen gedurende meerdere jaren gehoord dat er klachten van de heer [eiser] zijn over het geluid van de bewoners vanaf het terras en dat we daar rekening mee moesten houden. Zulke zaken worden dan ook besproken in de bewonersgroep en ook op de momenten waarop de bewoners buiten zijn, houd ik er voortdurend rekening mee dat er ook nog andere mensen wonen en zonodig zeg ik de bewoners ook rustiger aan te doen. Zelf vind ik niet dat de bewoners zoveel lawaai maken dat je daarover zou kunnen klagen. Het is het het lawaai van jonge mensen die met elkaar praten als ze uit hun werk komen zoals dat in een groot gezin gebeurt. Met de buurman van [eiser] op nr. [nummer] heb ik onlangs nog door het open raam gesproken en hij vertelde mij dat hij over de situatie geen klachten had."

2. De beoordeling

2.1. Stellende dat hij in zijn woning ernstige geluidsoverlast ondervindt van bewoners van "de Kaap" wanneer dezen zich bevinden op het hiervoor bedoelde terrein tussen de beide, ten processe bedoelde gebouwen, vordert [eiser] in dit geding zowel een veroordeling van BWL om van Noorderbrug te vorderen dat deze zodanige maatregelen treft dat de bewoners van "de Kaap" zich niet meer zullen bevinden op bedoeld terrein en dat de deuren die vanuit "de Kaap" toegang geven tot dat terrein gesloten blijven, alsook een veroordeling ten laste van Noorderbrug om voormelde maatregelen te treffen, een en ander op straffe van een door BWL c.q. Noorderbrug te verbeuren dwangsom van € 1.000,-- per dag.

2.2. Aan de tegen BWL gerichte vordering heeft [eiser] ten grondslag gelegd dat BWL op grond van de huurovereenkomst gehouden is hem het rustig genot van het gehuurde te verstrekken, maar dat BWL tekort schiet in de nakoming van die verplichting en aldus jegens hem wanprestatie pleegt.

De vordering tegen Noorderbrug heeft [eiser] gegrond op de stelling dat Noorderbrug jegens hem onrechtmatig handelt door er niet voor te zorgen dat haar bewoners (van "de Kaap") aan omwonenden, zoals hij, [eiser], geen hinder of overlast bezorgen.

2.3. Nu er aldus sprake is van afzonderlijke vorderingen tegen de -twee- gedaagde partijen, dient ten aanzien van elke vordering beoordeeld te worden welke sector van de rechtbank bevoegd is te achten. Voor wat betreft de vordering van [eiser] jegens BWL geldt dat die vordering rechtstreeks is gebaseerd op de tussen die partijen bestaande huurovereenkomst en derhalve behoort tot de competentie van de sector kanton van deze rechtbank.

Gelet daarop, alsmede op de omstandigheid dat partijen bij gelegenheid van de comparitie desverzocht ook niet hebben kunnen aangeven op basis waarvan de rechtbank wel bevoegd zou zijn, is de rechtbank voorshands van oordeel dat de zaak voor dat gedeelte op de voet van artikel 71 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ambtshalve dient te worden doorverwezen naar de sector kanton. Afhankelijk van de verdere ontwikkelingen in deze zaak, zoals hierna te vermelden, zal de rechtbank pas in een later stadium ten aanzien van het voorgaande definitief beslissen.

De rechtbank is zonder meer bevoegd van de vordering van [eiser] tegen Noorderbrug kennis te nemen en die vordering te beoordelen, nu die vordering is gebaseerd op -beweerde-lijk- onrechtmatig handelen van Noorderbrug jegens [eiser].

2.4. Noorderbrug heeft zich tegen de vordering van [eiser] verweerd door aan te voeren dat van de door deze gestelde ernstige geluidsoverlast geen sprake is, althans dat er geen sprake is van geluidshinder die als onrechtmatig kan worden aangemerkt. Volgens Noorderbrug maken de bewoners niet dagelijks gebruik van het betreffende terrein en in ieder geval niet van

's ochtends vroeg tot 's avonds laat. De aanwezigheid van de bewoners op het terrein is slechts van beperkte duur (alleen tijdens het drinken van koffie of thee) en alsdan praten zij op normale toon met elkaar, met dien verstande dat bepaalde bewoners vanwege hun lichamelijke handicap wel een wat luider (of ander) stemgeluid produceren.

Voorzover aangenomen moet worden dat bewoners van "de Kaap" wel geluidsoverlast aan [eiser] veroorzaken, geldt volgens Noorderbrug dat zij voor die gedragingen niet aansprakelijk gehouden kan worden. Noch op grond van de met bedoelde bewoners afgesloten dienstverleningsovereenkomsten, noch anderszins kan zij, Noorderbrug, verhinderen dat de bewoners van "de Kaap" zich bevinden op een openbaar, voor een ieder toegankelijk terrein en evenmin kan zij van haar bewoners eisen dat dezen zich onthouden van onrechtmatig gedrag ten opzichte van derden. De mogelijkheden van Noorderbrug zijn beperkt tot het aanspreken van bewoners op bepaald gedrag en voorzover nodig doet zij dat ook. Gelet daarop kan volgens Noorderbrug dan ook niet gezegd worden dat zij -zelf- jegens [eiser] onrechtmatig handelt.

2.5. Gelet op de bij gelegenheid van het voorlopig getuigenverhoor afgelegde en hiervoor gememoreerde verklaringen van [eiser], [P.], [H.] en [H.] acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat geluiden van stemmen, afkomstig van zich op meergenoemd terrein bevindende bewoners van "de Kaap", alsmede geluiden van stoelen en tafels die door dezen op dat terrein geplaatst of verschoven worden en geluiden van door bedoelde bewoners aldaar gebruikt serviesgoed, doordringen in -onder meer- de woning van [eiser], en acht de rechtbank evenzeer aannemelijk dat die van buitenaf afkomstige geluiden als -behoorlijk- hinderlijk zijn te kenschetsen, niet alleen voor [eiser] zelf maar ook voor anderen die zich in zijn woning of een naastgelegen woning bevinden. Uit voormelde verklaringen komt voldoende duidelijk naar voren dat de sterkte van bedoelde geluiden dusdanig hoog is dat daardoor het geconcentreerd werken, het voeren van (telefoon-)gesprekken, het kijken naar de televisie of het luisteren naar muziek in de woning in aanmerkelijke mate wordt bemoeilijkt en dat daarvan ook sprake is wanneer de ramen van de woning gesloten blijven.

Voormelde, in die opzichten overeenstemmende verklaringen worden niet dan wel onvoldoende ontzenuwd door de verklaringen van de getuigen [B.], [H.] en [D.].

2.6. Voorgaande vaststellingen brengen echter -nog- niet mee dat de op zich -gedurende bepaalde periodes- aanwezig te achten "geluidshinder" van bewoners van "de Kaap", wanneer dezen zich op het ten processe bedoelde terrein bevinden, zonder meer als onrechtmatig moet worden aangemerkt.

Het zich op "mooie dagen" met anderen verpozen in de buitenlucht (in een tuin of op een terras o.i.d.) en het daarbij voeren van gesprekken, drinken of nuttigen van het een of ander, en het (ver-)schuiven van stoelen en tafels zijn immers als zodanig geen maatschappelijk onaanvaardbare of onrechtmatige activiteiten en het doordringen van de daarvan afkomstige geluiden in zijn woonomgeving heeft [eiser] in beginsel dan ook toe te staan, althans te dulden.

2.7. Dat is naar het oordeel van de rechtbank anders wanneer vastgesteld moet worden dat de gesprekken niet op min of meer normale toon -met nu en dan een lach of een gil- worden gevoerd maar dat er in hoofdzaak of voornamelijk sprake is van roepen, schreeuwen of op zeer luide toon voeren van gesprekken en de overige geluiden ook als (zeer) hard moeten worden aangemerkt. Onvoldoende aannemelijk is echter geworden dat daarvan sprake is.

De verklaringen van [eiser] zelf en diens partner [P.], dat er sprake is van (louter) roepen en schreeuwen, worden onvoldoende ondersteund door de overige getuigenverklaringen, dan wel door -een aantal van- die verklaringen juist ontzenuwd. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat, zoals Noorderbrug onbestreden heeft aangevoerd, enkele bewoners van "de Kaap" vanwege hun handicap luider en anders articuleren, hetgeen ook door enkele getuigen is onderkend. Het behoeft geen betoog dat ten aanzien van die bewoners bezwaarlijk kan worden gesproken van onrechtmatig "roepen of schreeuwen", ook al is hun stemgeluid harder dan normaal.

2.8. Het hiervoor onder 2.6 overwogene -erop neerkomende dat [eiser] in beginsel geluidshinder van normale "buitenactiviteiten" heeft te aanvaarden- kan naar het oordeel van de rechtbank evenzeer anders zijn indien de betreffende "buitenactiviteiten" van (zeer) lange duur zijn en met grote frequentie plaatsvinden. In dat geval kan de daarmee gepaard gaande geluidshinder, vanwege het welhaast continue karakter ervan en als zijnde afkomstig van groepen van meerdere personen, niet langer als maatschappelijk aanvaardbaar worden beschouwd en dient de hinder in die vorm als onrechtmatig aangemerkt te worden.

Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan ten deze sprake. Uit de verklaringen van [eiser] zelf en van de getuigen [P.], [H.] en [H.] kan in voldoende mate worden afgeleid dat de huidige bewoners van "de Kaap" in de maanden mei tot en met september van het jaar met grote regelmaat en gedurende vele uren achtereen in wisselende samenstellingen, maar meer dan eens met 10 tot 12 personen, op het betreffende terrein recreëren en daarbij voormelde geluiden produceren. Weliswaar heeft Noorderbrug een en ander in dit geding ontkend, maar aan die -nauwelijks gemotiveerde- ontkenning komt in het licht van voormelde, expliciete verklaringen onvoldoende betekenis toe. Teminder nu voormelde verklaringen ook onvoldoende weerlegging vinden in de verklaringen van de getuigen [B.], [H.] en [D.]. Uit laatstgenoemde verklaringen blijkt ook dat het betreffende terrein door de bewoners van "de Kaap' in de zomermaanden als "terras" wordt gebruikt waar zij -met elkaar in wisselende groepen- met regelmaat recreëren, eten en drinken.

Het gedurende een langere periode grote delen van de dag veroorzaken van geluidshinder door groepen van personen gaat naar het oordeel van de rechtbank de grenzen van hetgeen maatschappelijk betamelijk is te buiten en is jegens [eiser] onrechtmatig te achten.

2.9. Zulks betekent echter niet dat [eiser] kan verlangen dat de bewoners van "de Kaap" in het geheel geen gebruik meer maken van het betreffende terrein. Een dergelijke eis is in het licht van hetgeen hiervoor onder 2.6 is overwogen (veel) te verstrekkend.

2.10. Wèl kan [eiser] er aanspraak op maken dat de betreffende bewoners minder vaak en minder lang achtereen op het terrein recreëren.

Die aanspraak kan [eiser] ook doen gelden tegenover Noorderbrug, in die zin dat hij van Noorderbrug kan verlangen dat deze daarop gerichte maatregelen treft.

De rechtbank passeert in dat verband het verweer van Noorderbrug dat zij niet gehouden is en/of mogelijkheden heeft tot het treffen van maatregelen die de overlast door de bewoners van "de Kaap" (kunnen) doen verminderen.

Ingevolge de met BWL gesloten huurovereenkomst en het in het daarbij behorende huurreglement vermelde artikel 1.6, zoals hiervoor onder 1b gememoreerd, is Noorderbrug als huurder verplicht aan omwonenden geen hinder of overlast te bezorgen en die verplichting strekt zich mede uit tot de bij Noorderbrug "inwonende of verblijvende personen".

Verder geldt dat de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer is vereist meebrengt dat een instelling als Noorderbrug, die "24-uurs-zorg" over de bewoners van "de Kaap" heeft aanvaard, gehouden is zo veel als redelijkerwijs mogelijk erop toe te zien dat die bewoners aan derden geen schade toebrengen, en dat zij uit hoofde van dat toezicht naar redelijkheid voorzorgsmaatregelen neemt ter vermijding van schade.

Een en ander strekt zich naar het oordeel van de rechtbank mede -en in ieder geval ook- uit tot het ten processe bedoelde -openbare- terrein, dat tot de directe woonomgeving van "de Kaap" gerekend kan worden en door de bewoners van "de Kaap" ook min of meer (en in ieder geval feitelijk) als verlengstuk van het gehuurde wordt gebruikt.

Aldus is het voor Noorderbrug mogelijk en is zij ook gehouden om maatregelen te treffen die verder gaan dan het -enkele- (en voorshands niet voldoende gebleken) aanspreken van bewoners van "de Kaap" op hun overlast veroorzakend gedrag. Het achterwege blijven (of laten) van verdergaande maatregelen van de zijde van Noorderbrug is in beginsel onrechtmatig te achten tegenover [eiser].

2.11. In het licht van het voorgaande acht de rechtbank het gewenst alvorens verder te beslissen, dat [eiser] en Noorderbrug nader met elkaar in overleg treden om te trachten afspraken te maken over een in de tijd beperkter gebruik van het betreffende terrein door de bewoners van "de Kaap", bijvoorbeeld op "doordeweekse dagen" gedurende 1 á 1,5 uur in de ochtend en enkele uren aan het einde van de middag en in de avond ( bijv. vanaf 17.00 uur tot 21.00 uur), en in de weekenden een wat ruimere periode, en dat partijen de rechtbank terzake nader bij aktes informeren, een en ander als hierna vermeld.

In afwachting daarvan wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

BESLISSING

De rechtbank

Voor wat betreft de vordering van [eiser] tegen Noorderbrug

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 7 april 2004 voor het nemen van aktes aan de zijde van [eiser] en van Noorderbrug ter fine als hiervoor onder 2.11 vermeld;

houdt iedere verdere beslissing aan;

Voor wat betreft de vordering van [eiser] tegen BWL

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. J. de Vroome en in het openbaar uitgesproken door de rolrechter op 3 maart 2004.

fn 367