Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2004:AO1934

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
19-01-2004
Datum publicatie
20-01-2004
Zaaknummer
03/1232 AW
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2005:AT5572
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Strafontslag van politieambtenaar. Door bevoegd gezag op zes onderdelen plichtsverzuim aangenomen. Rechtbank neemt hiervan slechts drie over. Ontslag onevenredig zware straf. Besluit op bezwaar vernietigd en primaire ontslagbesluit geschorst.

Uitspraak vernietigd in hoger beroep; LJN AT5572.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2004/67

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 03/1232 AW

Inzake het geding tussen

[A], wonende te [B], eiser,

gemachtigde: mr. A.G. Sol, werkzaam bij de stichting Univé Rechtshulp te Assen,

en

de korpsbeheerder van de politieregio Fryslân, verweerder,

gemachtigde: mr. J.T. Zwart, werkzaam in dienst van de politie Fryslân.

Procesverloop

Bij brief van 13 oktober 2003 heeft verweerder eiser mededeling gedaan van haar besluit om de bezwaren van eiser tegen het besluit van 13 mei 2003, waarbij aan eiser strafontslag is verleend, ongegrond te verklaren en voormeld besluit te handhaven.

Tegen dit besluit heeft eiser op 6 november 2003 beroep ingesteld; voorts heeft hij bij brief van gelijke datum een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek is geregistreerd onder nummer 03/1231 AW. Het verzoek is, gelet op de versnelde behandeling van de hoofdzaak, vervolgens door eiser ingetrokken.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, meervoudige kamer, gehouden op 6 januari 2004. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Motivering

In of omstreeks april 2002 heeft de korpsleiding van de regiopolitie Fryslân aan het Bureau Interne Veiligheid (hierna verder het BIV) opdracht gegeven om een onderzoek in te stellen naar gedragingen van eiser.

Bij besluit van 24 oktober 2002 heeft verweerder eiser geschorst en hem de toegang tot de gebouwen en terreinen van de politie Fryslân ontzegd. Namens eiser is tegen dit besluit op 2 december 2002 bezwaar aangetekend.

Bij brief van 25 maart 2003 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van het voornemen hem de disciplinaire straf van ontslag op te leggen, omdat verweerder op grond van de resultaten van het onderzoek van het BIV, zoals neergelegd in het rapport van 20 februari 2003, tot de conclusie is gekomen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ernstig plichtsverzuim. Eiser heeft zijn zienswijze gegeven ten aanzien van dit voorgenomen besluit.

Bij brief van 13 mei 2003 heeft verweerder eiser in kennis gesteld van haar besluit om hem met ingang van 20 mei 2003 de disciplinaire straf van ontslag op te leggen. Namens eiser is op 3 juni 2003 bezwaar aangetekend tegen dit besluit.

De Interregionale adviescommissie voor de bezwaarschriften (hierna: de commissie) heeft op 10 september 2003 verweerder geadviseerd om de bezwaren tegen het ontslagbesluit van 13 mei 2003 deels gegrond te verklaren en eiser in plaats van een onvoorwaardelijk strafontslag een voorwaardelijk strafontslag met een proeftijd van twee jaar op te leggen.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder, in afwijking van voormeld advies, eisers bezwaren tegen het besluit van 13 mei 2003 ongegrond verklaard en dit besluit gehandhaafd.

Conform het advies van de commissie heeft verweerder in hetzelfde besluit eisers bezwaren tegen het schorsingsbesluit van 24 oktober 2002 ongegrond verklaard en dit besluit gehandhaafd. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat het beroep zich uitsluitend richt tegen het besluit van 13 oktober 2003, voor zover dit ziet op het gegeven strafontslag.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van art. 76 lid 1 van het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) kan de ambtenaar die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, disciplinair worden gestraft. In art. 76 lid 2 Barp is bepaald dat plichtsverzuim zowel het overtreden van een voorschrift omvat als het doen of nalaten van iets dat een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen. Ingevolge art. 77 lid 1 aanhef en onder j Barp kan de straf van ontslag worden opgelegd.

Naar vaste jurisprudentie dient de bestuursrechter die moet beslissen over een besluit tot oplegging van een disciplinaire straf, vast te stellen of de betrokken ambtenaar zich heeft schuldig gemaakt aan het plichtsverzuim ter zake waarvan het bestuursorgaan hem de straf heeft opgelegd. De overtuiging dat sprake is van plichtsverzuim zal de rechter moeten ontlenen aan deugdelijk vastgestelde gegevens die aan het bestuursorgaan ter beschikking hebben gestaan bij het nemen van het strafbesluit.

Verweerder heeft eiser naar aanleiding van het rapport van het BIV van 20 februari 2003 bij besluit van 13 mei 2003 bij wijze van disciplinaire maatregel met onmiddellijke ingang ontslagen, welk besluit in heroverweging is gehandhaafd. Het ontslagbesluit is op een zestal voorvallen gebaseerd waarin eiser zich volgens verweerder schuldig heeft gemaakt aan (ernstig) plichtsverzuim. De rechtbank zal deze voorvallen en de daaruit door verweerder getrokken conclusies hierna beoordelen en wel in dezelfde volgorde als in het ontslagbesluit is aangehouden.

1. De aanhouding van [C] op 15 februari 1998

Uit het rapport van het BIV en in het bijzonder de getuigenverklaringen van [C] van 26 augustus 2002, van [collega D] van 21 oktober 2002 en de verklaring van eiser van 12 december 2002 over dit voorval blijkt dat eiser op de bewuste datum, een zondagochtend, met zijn collega [collega D] voornoemde [C] heeft staande gehouden toen deze in zijn auto, een witte Volvo, over de [straatnaam I] te [B] reed. Eiser besloot hiertoe naar eigen zeggen omdat de uitlaat van [C]'s auto defect zou zijn en hij heeft [C] daarvoor vervolgens een bekeuring gegeven. Uit de verklaring van zijn collega [collega D] blijkt dat deze niet heeft gehoord dat de uitlaat lek was; zij verklaart dat eiser voordat hij het stopteken gaf, zei: "Die moet ik even hebben". Uit de verklaringen blijkt verder dat [C] erg kwaad was over deze bekeuring. [collega D] verklaart dat zij en eiser daarna verder zijn gegaan met hun surveillance en dat eiser haar toen vertelde van een vervelende privé-kwestie die de vorige dag had plaatsgevonden en waar volgens eiser [C] bij betrokken was geweest. Hierbij had een aantal mannen vanuit de kantine van een plaatselijke voetbalclub via de telefoon zijn vriendin beledigd. Hij wilde daarover volgens getuige [collega D] nog iets van [C] weten en verwachtte dat deze naar aanleiding van de bekeuring wel naar het bureau zou komen. [collega D] verklaart dat zij eiser toen heeft gezegd dat hij privé-zaken niet moest vermengen met politiezaken.

Vervolgens is [C] inderdaad aan het politiebureau verschenen op een moment dat eiser en [collega D] daar al waren aangekomen. Daar heeft een gesprek tussen [C] en eiser plaatsgevonden waar [collega D] niet bij aanwezig is geweest. Eiser verklaart hierover dat hij de bekeuring toen heeft verscheurd om niet de indruk te wekken dat hij [C] had bekeurd vanwege de privé-kwestie van de vorige dag. Verder verklaart hij nog tegen [C] te hebben gezegd dat iedereen die daarbij betrokken was geweest van hem een proces-verbaal zou krijgen.

[C] verklaart over dit gesprek dat hij kwaad was over die bekeuring en dat hij daarom enige tijd later naar het politiebureau is gegaan waar hij met eiser heeft gesproken. Hierbij begon eiser over het voorval van de vorige dag en zei dat [C] daarbij was geweest en dat hij alles had gehoord. Hij zou iedereen die daarbij was geweest terugpakken. [C] verklaart hierover verder nog dat eiser hem vroeg of hij een schriftelijke verklaring wilde opstellen over hetgeen in die voetbalkantine was gebeurd en dat hij, toen [C] zich daartoe bereid verklaarde, de bekeuring heeft verscheurd. [C] verklaart tenslotte nog dat uit onderzoek van zijn garage de volgende dag is gebleken dat de uitlaat niet lek was.

De rechtbank is op grond van deze verklaringen, in hun onderlinge verband en samenhang bezien, van oordeel dat verweerder hieruit terecht heeft geconcludeerd dat eiser [C] slechts heeft aangehouden om hem te kunnen spreken over de kwestie van de telefonische belediging van zijn vriendin de vorige dag. Dit is te meer waarschijnlijk aangezien uit de verklaringen over de telefonische belediging van zijn vriendin blijkt dat eiser zich daarover zeer heeft opgewonden en ook anderen daarop heeft aangesproken. De rechtbank acht de verklaring van eiser over de reden van het verscheuren van het proces-verbaal niet geloofwaardig in het licht van de gebeurtenissen en met name de verklaring van [C].

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder op goede gronden heeft geoordeeld dat eiser zijn bevoegdheid van politieambtenaar in dit geval oneigenlijk heeft gebruikt en deelt ook het standpunt van verweerder dat dit als plichtsverzuim moet worden gezien.

2. Het benaderen van getuigen tijdens het onderzoek van het BIV

De rechtbank stelt vast dat uit de verklaringen van de getuigen [C], [E] en [F], alsmede uit de verklaring van eiser over dit punt, zoals neergelegd in het rapport van het BIV, blijkt dat eiser tijdens het BIV-onderzoek, op of omstreeks 23 september 2002, met de getuigen [E], [F] en [C] heeft gesproken en dat daarbij door eiser is gevraagd wat er door hen zou zijn gezegd. Eiser verklaart daarover dat hij toen wilde uitzoeken waar bepaalde negatieve geruchten over hem vandaan kwamen en dat hij daarom met [E], [F] en [C] heeft gesproken, waarbij hij er niet van op de hoogte was dat deze personen als getuigen verklaringen over hem hadden afgelegd in het kader van het onderzoek van het BIV. De rechtbank acht dit verweer echter niet geloofwaardig, omdat eiser er toentertijd heel goed van op de hoogte was dat er een onderzoek van het BIV naar hem liep. Zo hij aanvankelijk al niet geweten zou hebben dat het om het BIV-onderzoek ging, dan moet hem dat toch tijdens het gesprek met [E] duidelijk zijn geworden, omdat deze hem het visitekaartje van onderzoeker [G] heeft laten zien. Desalniettemin is eiser daarna toch nog over deze kwestie gaan praten met [F] en [C]. De rechtbank is van oordeel dat eiser hiermee buiten zijn boekje is gegaan en dat hij zich bemoeide met zaken waar hij zich op dat moment verre van had te houden; eiser had dit dienen te beseffen en had zich ook moeten realiseren dat hij hiermee de desbetreffende personen onder druk kon zetten en aldus het onderzoek belemmerde.

Het verweer van eiser dat hij hierover tevoren met zijn chef commissaris [H] had gesproken, maakt zijn gedragingen niet minder verwijtbaar, aangezien [H] hem geen opdracht heeft gegeven om met de betrokkenen te gaan spreken en zich niet realiseerde dat het hier wel eens om het onderzoek kon gaan van het BIV. Dat eiser ook nog met [F] en [C] is gaan spreken om [H] zo goed mogelijk te kunnen informeren acht de rechtbank een gelegenheidsargument en daarom niet geloofwaardig. De rechtbank wijst er in dit verband op dat uit het rapport van het BIV blijkt dat eiser ook naderhand tenminste nog één keer een getuige heeft benaderd en wel ten aanzien van het voorval dat hierna onder punt 4 aan de orde zal worden gesteld. Immers, uit de verklaring daarover van [J] van 10 februari 2003 blijkt dat deze een maand tevoren daarover was gebeld door eiser. Laatstgenoemde had over dat voorval op 3 januari 2003 tegenover ambtenaren van het BIV een verklaring gelegd en wist dus dat deze kwestie bij het BIV-onderzoek werd betrokken. Volgens [J] heeft eiser toen in de planning opgezocht wie die avond met hem dienst had gehad en heeft hij hem vervolgens over deze kwestie gebeld. Eiser heeft dit onderdeel van de verklaring van [J] niet betwist, zodat het ervoor kan worden gehouden dat eiser ook bij die gelegenheid weer een getuige heeft benaderd, hetgeen in zijn situatie als ongepast dient te worden beschouwd, wat er ook verder tussen hem en [J] is besproken.

Op grond hiervan is de rechtbank met verweerder van oordeel dat eiser zich niet had mogen inlaten met de betrokken getuigen en dat hij door dit wel te doen zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim.

3. Het standpunt van eiser dat [G] niet objectief was

Verweerder is van mening dat in dit geval sprake is van plichtsverzuim, omdat eiser bij brief van 25 september 2002 heeft laten weten hoofdinspecteur [G] (één van de opstellers van het rapport van het BIV) niet objectief te achten en desgevraagd naar het oordeel van verweerder dat standpunt onvoldoende met voorbeelden heeft kunnen onderbouwen. Hierdoor heeft eiser [G] volgens verweerder in zijn integriteit aangetast.

De rechtbank is van oordeel dat deze gang van zaken niet kan worden beschouwd als plichtsverzuim van eiser. Immers, zoals verweerder zelf heeft opgemerkt, staat het iemand in de positie waarin eiser verkeerde, vrij om een bepaalde opvatting te hebben over de objectiviteit van (één van) de onderzoekers van het BIV. In de visie van verweerder is dat standpunt door eiser niet voldoende gemotiveerd, maar dat betekent nog niet dat het innemen van dat standpunt dan als plichtsverzuim kan worden gekwalificeerd. Zou dit anders zijn, dan zouden personen die onderwerp zijn van onderzoek door het BIV en daarmee al in een precaire positie verkeren, zich wel twee keer bedenken om kritiek te uiten op de wijze van onderzoek, omdat zij daardoor het risico zouden lopen zich aan plichtsverzuim schuldig te maken. De rechtbank acht dat bepaald onwenselijk, omdat de objectiviteit van dergelijke onderzoeken, die verstrekkende gevolgen kunnen hebben voor de persoon tegen wie het onderzoek loopt, boven iedere twijfel moet zijn verheven. Daaruit vloeit voort dat die persoon niet alleen het recht moet hebben om kritiek te hebben op de objectiviteit van het onderzoek, maar ook de mogelijkheid om die kritiek kenbaar te maken aan de opdrachtgever van het onderzoek zonder het risico te lopen om zich daardoor schuldig te maken aan plichtsverzuim. Ook als naderhand blijkt dat die kritiek niet voldoende kan worden onderbouwd, doet dat niet af aan het recht van die persoon om die mening te hebben en te uiten op de wijze als hier is gebeurd.

De rechtbank concludeert dat in dit geval geen sprake is van plichtsverzuim van eiser.

4. Het niet laten blazen van een bestuurder in de zomer van 2002

Verweerder is van mening dat eiser op de bewuste avond de bestuurder van een auto, een zekere [K], die door eiser staande was gehouden in de binnenstad van [B], bewust heeft laten doorrijden zonder hem een alcoholtest af te nemen. Verweerder acht het niet geloofwaardig dat eiser bij die gelegenheid niet zou hebben geroken dat de bestuurder alcoholhoudende drank had genuttigd. Uit de getuigenverklaringen van [K] en een medepassagier, een zekere [L], blijkt dat zij tevoren nogal wat bier hadden gedronken en dat [L] tijdens het rijden in bochten een paar keer aan de handrem had getrokken, waardoor de auto op het door regen nat geworden wegdek slipte. Dit zou niet ver van de plaats gebeurd zijn waar eiser en zijn collega [J] zich die avond bevonden. Getuige [K] bevestigt dit relaas. [K] en [L] verklaren verder dat zij het idee hadden dat eiser wel moet hebben geweten dat zij veel gedronken hadden, omdat dit te ruiken was en dat hij hen heeft "gematst", omdat zij elkaar van de autohandel kenden. [K] verklaart daarbij dat hij het normaal had gevonden als eiser hem had laten blazen. Uit de verklaringen van deze twee getuigen, alsmede die van eiser en zijn collega [J] blijkt dat eiser slechts aan [K] heeft gevraagd of er iets was met de handrem. Eiser en [J] verklaren beiden dat zij een piepgeluid uit de richting van de auto van [K] hadden gehoord en geen alcoholgeur hebben geroken. Eiser heeft daarbij nog verklaard dat het om een Japanse auto ging en dat die auto's wel vaker problemen met de handrem vertonen.

De rechtbank is van oordeel dat het minstgenomen opmerkelijk is dat noch eiser noch [J] vanuit het geopende portier van de auto een alcoholgeur heeft geroken en ook dat zij slechts piepgeluiden zeggen te hebben gehoord, terwijl uit de verklaringen van [K] en [L] blijkt dat de auto niet ver van de plaats waar eiser en [J] zich ophielden, enige keren slippend door een bocht is gegaan. Zeker in het geval van een ervaren politieman als eiser moet het feit dat hij onder deze omstandigheden, ook als hij geen alcoholgeur zou hebben geroken, geen blaastest heeft afgenomen, worden gekwalificeerd als een aanzienlijke beoordelingsfout. Daarmee is echter nog niet gezegd dat eiser wel een alcoholgeur heeft geroken en desondanks [K] geen blaastest heeft afgenomen, hetgeen op zichzelf genomen zeker als plichtsverzuim kan worden beschouwd. Hoewel de verklaringen van [K] en [L] daar wel op wijzen, ondersteunt de verklaring van [J] die van eiser. De rechtbank acht het verhaal van eiser over de piepende handrem van de bewuste auto merkwaardig en niet erg geloofwaardig, vooral omdat de auto op relatief nabije afstand meermalen slippende geluiden heeft gemaakt, hetgeen toch niet mis te verstane geluiden zijn. De rechtbank acht evenwel de stelling van verweerder dat eiser wel een alcoholgeur moet hebben geroken onvoldoende ondersteund door de verschillende getuigenverklaringen, waarbij mee in aanmerking wordt genomen dat zowel [K] als [L] slechts vermoeden dat eiser dat wel geroken moet hebben. Hiertegenover staat de ontkenning van eiser en de verklaring van [J] dat ook hij geen alcoholgeur heeft geroken. Daarbij komt nog dat onvoldoende uit het onderzoek van het BIV naar voren komt welke motieven eiser zou hebben gehad om ondanks het ruiken van een alcoholgeur in dat geval bewust af te zien van een alcoholcontrole. Het enkele feit dat eiser de betrokken bestuurder kende is daartoe niet voldoende, al helemaal niet nu eiser al 20 jaar werkte en woonde in een relatief kleine gemeenschap als [B], zodat hij in de uitoefening van zijn functie betrekkelijk vaak te maken zal hebben met hem bekende personen.

Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat eiser op dit punt het voordeel van de twijfel dient te krijgen, zodat slechts kan worden geoordeeld dat in dit geval sprake is van een beoordelingsfout die geen plichtsverzuim oplevert.

5. Het als politieambtenaar opvragen van gegevens voor privé-doeleinden

Verweerder acht bewezen dat eiser tenminste in één geval ten behoeve van zijn nevenfunctie van autohandelaar bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer gegevens heeft opgevraagd in zijn hoedanigheid van politieambtenaar. Het gaat hier om de verkoop van een Fiat Bertona, die in juni 2002 bij garage "[M]" te Drachten te koop stond. Verweerder baseert zich hierbij op de verklaringen van de getuigen [N], [O] en [P] en is van mening dat de ontkennende verklaring van eiser hiertegen niet kan opwegen.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de genoemde getuigenverklaringen, die in het BIV-rapport zijn opgenomen, voldoende aannemelijk is dat eiser in dit geval als politieman gegevens heeft opgevraagd die voor privé-doeleinden bestemd waren en is met verweerder van oordeel dat hij zich daardoor schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de getuige [P] verklaart dat hij die auto in juni 2002 in Drachten zag staan en toen eiser heeft gebeld om de gegevens op te vragen. Eiser zei dat hij daarvoor even naar het bureau moest en belde na 10 minuten terug met de gevraagde gegevens over die auto. Hier komt bij dat de verkoper van "[M]", [N], verklaart dat de persoon die belangstelling voor de bewuste auto had, waarbij het om [P] moet zijn gegaan, hem heeft gezegd dat hij het kenteken wel bij de politie kon opvragen, hetgeen [N] zeer bevreemdde. De getuige [O], de toenmalige eigenaresse van de auto, verklaart dat zij op 16 juni 2002 werd gebeld door een persoon over de auto en dat die had gezegd dat zijn vader bij de politie werkte en dat hij van hem de tenaamstelling van de auto had gekregen. [O] heeft het nummer van de beller genoteerd en later is uit onderzoek gebleken dat dit nummer aan [P] toebehoorde. Eiser heeft verklaard over een Fiat Bertona contact met [P] te hebben gehad, maar hij ontkent daarvan gegevens bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer te hebben opgevraagd. De rechtbank acht dit verweer in het licht van de andere getuigenverklaringen niet geloofwaardig en is met verweerder van oordeel dat eiser zich door deze gedraging schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim.

6. Doorgaand onprofessioneel gedrag

Naar het oordeel van verweerder maakt eiser zich door zijn verklaring van 3 januari 2003 tegenover het BIV schuldig aan plichtsverzuim door zijn houding jegens leidinggevenden, waarbij hij het standpunt inneemt dat normen en waarden door de groep worden bepaald en niet door de leidinggevenden.

De rechtbank overweegt daaromtrent dat eiser zichzelf in zijn verklaring van 3 januari 2003 tegenover ambtenaren van het BIV een "informeel leider" noemt en dat hij van mening is dat de normen en waarden op het bureau door de groep worden bepaald en dat als leidinggevenden daarop invloed willen uitoefenen daarover goed moet worden gesproken. Hierbij noemt eiser als voorbeeld de vraag of foto's van vrouwen op de werkplaats mogen worden opgehangen. Daarover zou hij toch in elk geval met de leiding willen discussiëren indien dit van die kant als onwenselijk zou worden beschouwd.

Zoals verweerder zelf heeft opgemerkt, is dezelfde kwestie eind 2000 uitgebreid aan de orde geweest in gesprekken tussen eiser en zijn leidinggevenden, [Q] en [R]. Daarin is op de bedoelde mening en houding van eiser door deze leidinggevenden kritiek geuit en is eiser te verstaan gegeven dat zijn houding niet werd geaccepteerd. Een en ander is in een brief van de toenmalig districtschef aan eiser van 29 november 2000 nog eens bevestigd. Voor sommige van zijn opmerkingen heeft eiser bij die gelegenheid excuus aangeboden. Niet gesteld of gebleken is dat eiser naderhand dezelfde houding jegens zijn leidinggevenden heeft vertoond of anderszins blijk heeft gegeven van ongewenst gedrag. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde verklaard niet zeker te weten of er in 2001 een functioneringsgesprek met eiser is gevoerd, maar wel dat er in elk geval geen schriftelijk verslag van een dergelijk verslag bestaat. Ook van het zogenaamde functioneringstraject waarin eiser na november 2000 zou zijn geplaatst, is volgens de gemachtigde geen schriftelijk verslag opgemaakt, terwijl eiser betwist dat een dergelijk traject is ingezet.

De rechtbank leidt uit het voorgaande af dat de houding van eiser ten aanzien van zijn leidinggevenden en de gedachten die hij over de organisatie had eind 2000 tussen hem en zijn leidinggevenden afdoende zijn besproken. De rechtbank heeft noch in het dossier noch in hetgeen ter zitting naar voren is gebracht concrete aanknopingspunten kunnen vinden voor de veronderstelling dat eiser nadien in dit gedrag jegens zijn leiding heeft volhard. Ook zijn toen kennelijk geen rechtspositionele maatregelen jegens eiser getroffen en is het aangekondigde functioneringstraject, zo het al zou zijn gevolgd, kennelijk niet belangrijk genoeg gevonden om dat schriftelijk vast te leggen en daarvan verslag op te maken.

In feite heeft verweerder dit ook erkend, maar verweerder is van mening dat hetgeen eiser in het kader van het BIV-onderzoek op 3 januari 2003 heeft verklaard, er toch op wijst dat eiser nog steeds onvoldoende besef heeft van hetgeen in een werkomgeving als die van de politie als norm moet gelden. In het licht van het andere plichtsverzuim van eiser en zijn eerdere uitlatingen over deze kwestie, alsmede de reactie daarop van zijn leidinggevenden eind 2000 meent verweerder dat dit erop wijst dat eiser nog steeds geen correcties van zijn leidinggevenden accepteert, hetgeen als plichtsverzuim moet worden aangemerkt.

De rechtbank kan dit standpunt van verweerder niet volgen. Het feit dat eiser in het kader van het BIV-onderzoek onder meer zijn zienswijze heeft gegeven ten aanzien van aspecten van leiding geven en de wijze waarop normen en waarden op het bureau moeten worden bepaald, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden beschouwd als plichtsverzuim. Weliswaar heeft deze mening eiser in 2000 in conflict gebracht met zijn leidinggevenden vanwege zijn houding en gedrag, maar, zoals eerder overwogen, die kwestie is toen afgedaan en eiser heeft daarna niet meer hetzelfde gedrag vertoond. Het enkele feit dat eiser blijkt nog steeds dezelfde mening te hebben kan niet meebrengen dat op grond van die eerdere gebeurtenissen het aldus uiten van die mening als plichtsverzuim kan worden beschouwd, waarbij de rechtbank er nog op wijst dat het gedachtegoed van eiser ook niet zodanig van aard is dat dit alleen reeds een risico voor zijn functioneren als politieambtenaar zou kunnen betekenen. De relatie die verweerder lijkt te leggen tussen de bewuste verklaring van eiser en de andere voorvallen waarin tot plichtsverzuim is geconcludeerd, is naar het oordeel van de rechtbank niet juist, al was het slechts omdat die voorvallen geheel los staan van hetgeen hier aan de orde is.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder eiser op dit punt ten onrechte plichtsverzuim heeft verweten.

Concluderend stelt de rechtbank vast dat verweerder slechts in de hierboven onder 1, 2 en 5 vermelde voorvallen op juiste gronden tot het oordeel is gekomen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim, zodat verweerder bevoegd was om eiser op die gronden disciplinair te straffen. Dit geldt echter niet voor de andere door verweerder aangevoerde gronden.

Namens eiser is aangevoerd dat de aan eiser opgelegde sanctie, te weten strafontslag, voor zover dit hem al zou kunnen worden verweten, onder de gegeven omstandigheden niet evenredig aan de ernst van het plichtsverzuim kan worden geacht, mede gelet op het lange dienstverband van eiser (22 dienstjaren) en de zeer ingrijpende gevolgen die het ontslag voor eiser zal hebben. Eiser meent dan ook dat verweerder in redelijkheid geen gebruik had mogen maken van zijn bevoegdheid om eiser te ontslaan.

Ten aanzien van de evenredigheid van het gegeven ontslag overweegt de rechtbank in de eerste plaats dat verweerder het gegeven ontslag heeft gestoeld op een zestal gevallen van plichtsverzuim, terwijl de rechtbank hierboven heeft geoordeeld dat daarvan slechts in drie gevallen sprake van is. Daar komt bij dat het eerste hierboven genoemde geval van plichtsverzuim reeds 5 jaar geleden heeft plaatsgevonden. Dit betekent alleen al om die redenen dat het geconstateerde plichtsverzuim minder zwaar kan wegen dan door verweerder is gedaan.

Hoewel de rechtbank het uitgangspunt omschrijft dat gelet op het vertrouwen dat gesteld moet kunnen worden in de integriteit van politieambtenaren hoge eisen aan hun functioneren moeten worden gesteld, kan dit er niet toe leiden dat het plichtsverzuim van eiser waarvan in deze zaak sprake is, als zodanig ernstig moet worden beschouwd dat een strafontslag als reactie daarop passend is te achten. Niet alleen heeft één voorval reeds 5 jaar geleden plaatsgevonden, maar ook zijn de voorvallen individueel noch in gezamenlijkheid als zodanig ernstig aan te merken dat een strafontslag daarmee in een evenredige verhouding staat. Daarbij speelt een rol dat eiser reeds 22 jaar bij verweerder in dienst was en de gevolgen van het gegeven ontslag voor hem zeer ingrijpend zijn.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat tussen de opgelegde straf van ontslag en het hierboven vastgestelde plichtsverzuim geen evenredigheid bestaat en dat verweerder met een minder zware bestraffing had dienen te volstaan. Bijgevolg zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen, zodat verweerder met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, opnieuw op het bezwaar van eiser zal hebben te beslissen.

De vernietiging van het bestreden besluit laat het primaire besluit van 13 mei 2003 echter onverlet, zodat op grond daarvan aan eiser geen salaris zal worden uitbetaald. De rechtbank acht dit onwenselijk in het licht van hetgeen zij in deze uitspraak heeft overwogen. Er is daarom aanleiding om in dit geval gebruik te maken van de in art. 8:72 lid 5 Awb aan de rechtbank gegeven bevoegdheid om een voorlopige voorziening te treffen, daaruit bestaand dat het primaire besluit van 13 mei 2003 wordt geschorst tot twee weken na de bekendmaking van de nieuwe beslissing op bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend, de schorsing doorloopt totdat de voorzieningenrechter op dat verzoek heeft beslist.

Gelet op het vorenstaande en op het bepaalde in art. 8:74 lid 1 Awb dient de politieregio Fryslân het door eiser betaalde griffierecht van € 116,= te vergoeden.

Op grond van art. 8:75 Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van eiser € 644,= ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (beroepschrift 1 punt; verschijnen ter zitting 1 punt; gewicht van de zaak: gemiddeld; waarde per punt € 322,=). De rechtbank wijst de politieregio Fryslân aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 13 oktober 2003;

- schorst het primaire besluit van 13 mei 2003 tot twee weken na de bekendmaking van de nieuwe beslissing op bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend, de schorsing doorloopt totdat de voorzieningenrechter op dat verzoek heeft beslist;

- bepaalt dat de politieregio Fryslân het betaalde griffierecht van € 116,= aan eiser vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644,=, aan eiser te vergoeden door de politieregio Fryslân.

Aldus gegeven door mr. D.J. Keur, voorzitter, en mrs. A.J. Rietveld en E.M. Visser, rechters, en door voornoemde voorzitter in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2004 in tegenwoordigheid van mr. F.P. Dillingh als griffier.

w.g. F.P. Dillingh

w.g. D.J. Keur

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: 19 januari 2004