Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2003:AR6475

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
10-11-2003
Datum publicatie
26-11-2004
Zaaknummer
02/1341 WET
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kavelruil. Landinrichtingswet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 02/1341 WET

Inzake het geding tussen

P.W. Janssens Friesche Stichting, gevestigd te Amsterdam, en

[A], wonende te [B], eisers,

gemachtigde: mr. V.E.W.M. van Wijmen, advocaat te Breda,

en

de minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (thans: de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit), verweerder,

gemachtigde: mr. M. Nagel, werkzaam bij de Directie Juridische Zaken van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Procesverloop

Bij brief van 28 oktober 2002 heeft verweerder eisers mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Landinrichtingswet (hierna: de wet).

Tegen dit besluit is namens eisers op 6 december 2002 beroep ingesteld. [A] heeft zijn woonplaats in het arrondissement van deze rechtbank, zodat de rechtbank bevoegd is zijn beroep te behandelen. De rechtbank heeft zich voorts bevoegd geacht ten aanzien van het beroep van P.W. Janssens Friesche Stichting, aangezien door de P.W. Janssens Friesche Stichting niet vóór of gelijktijdig met dit beroep beroep is ingesteld bij de rechtbank Amsterdam.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 15 oktober 2003. [A] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld door jhr. mr. T.A.J. van Eysinga, rentmeester. Verweerder is bij gemachtigde verschenen.

Motivering

De P.W. Janssen’s Friesche Stichting en de heer [A] hebben respectievelijk als bloot eigenaar en als erfpachter van een aantal percelen gelegen in de kadastrale gemeente Langweer deelgenomen aan een overeenkomst door deelnemende partijen betiteld als ruilverkavelingsovereenkomst als bedoeld in art. 119 van de wet. Aan deze overeenkomst hebben voorts negen andere partijen deelgenomen. Bij deze overeenkomst zijn de bovengenoemde percelen verkocht aan het Bureau Beheer Landbouwgronden (BBL) en hebben de P.W. Janssen’s Friesche Stichting en [A] percelen en opstallen in de kadastrale gemeente Wommels gekocht van de heer [C]. De heer [C] heeft deze percelen in het kader van bedrijfsbeëindiging verkocht.

Deze ruilverkavelingsovereenkomst is ter instemming als bedoeld in art. 122 van de wet voorgelegd aan verweerder. Verweerder heeft bij besluit van 11 juni 2002 ingestemd met deze overeenkomst met uitzondering van een tweetal transactieketens, waaronder de transactieketen waar eisers toebehoren. Verweerder heeft daartoe overwogen dat deze transactieketen de overdracht van gehele bedrijven betreft, waarbij derhalve geen sprake is van samenvoegen van onroerende zaken om de aldus verkregen massa te herverkavelen. Voorts heeft verweerder gesteld dat niet gesproken kan worden van samenvoegen en opnieuw verkavelen nu de betreffende onroerende zaken zijn gelegen in de verschillende delen van de provincie Fryslân. Bij brief van 19 juni 2002 is het besluit bekend gemaakt.

Namens eisers is op 19 juli 2002 bezwaar gemaakt tegen de weigering de onderhavige kavelruil goed te keuren en de weigering voor deze kavelruil op grond van de Regeling kavelruil een rijksbijdrage te verlenen.

Nadat eisers op 7 oktober 2002 zijn gehoord, heeft verweerder bij het thans bestreden besluit het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Namens eisers wordt gesteld dat wel sprake is van ruilverkaveling als bedoeld in art. 17 van de wet. Ten minste drie partijen hebben onroerende zaken ingebracht en de bedrijfsoverdracht van eisers aan het BBL heeft plaatsgevonden om gronden vrij te maken ten behoeve van natuur en landschap en in verband met de op het BBL rustende taakstelling in het kader van de ruilverkaveling “Doniawerstal”. Deze doelstellingen passen in de verbetering van de inrichting van het landelijk gebied en deze kavelruil heeft geleid tot een objectieve verbetering van het landelijk gebied. De koop-verkooptransacties kunnen niet los gezien worden van het ruilproces. Zonder die transacties zou het niet tot kavelruil zijn gekomen.

Verweerder stelt dat uit de definitie van ruilverkaveling bij overeenkomst, zoals weergegeven in art. 17 van de wet, volgt dat voldaan moet zijn aan een aantal cumulatief gestelde eisen, te weten: drie of meer eigenaren, samenvoeging van hun toebehorende zaken, verkaveling van de aldus verkregen massa op een bepaalde wijze en verdeling onder elkaar bij notariële akte. In de onderhavige situatie wordt daar niet aan voldaan, nu sprake is van het vervreemden van een bedrijf en het verkrijgen van een bedrijf. Voorts volgt uit de ligging in de verschillende delen van de provincie dat niet voldaan wordt aan de eis van samenvoeging en herverkaveling. Ook is geen sprake van een verdeling onder elkaar, nu een ieder een ander bedrijf verkrijgt dan hij had. Dit is geen transactie die verbetering van de inrichting van het landelijk gebied bewerkstelligt. Voorts stelt verweerder dat per transactie moet worden bezien of wordt voldaan aan de eisen en dat het beleid van verweerder is vastgelegd in de “CLC-instructie kavelruil”. Art. 121 van de wet biedt weliswaar aan niet ruilende, maar kopende of verkopende partijen de mogelijkheid aan een ruilverkavelingsovereenkomst toe te treden, maar dit impliceert wel dat die overeenkomst op dat moment al bestaat en deze overeenkomst wordt uitgebreid met een dergelijke partij.

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Ingevolge art. 4 van de wet strekt landinrichting tot verbetering van de inrichting van het landelijk gebied overeenkomstig de functies van dat gebied, zoals deze in het kader van de ruimtelijke ordening zijn aangegeven.

Ingevolge art. 5 van de wet kan landinrichting maatregelen en voorzieningen omvatten ten behoeve van onder meer:

a. de land-, tuin- en bosbouw;

b. de natuur en het landschap;

c. de infrastructuur;

d. de openluchtrecreatie, en

e. de cultuurhistorie.

Ingevolge art. 13 van de wet kan landinrichting op de voet van het bij of krachtens deze wet bepaalde plaatsvinden in de vorm van:

a. herinrichting;

b. ruilverkaveling;

c. aanpassingsinrichting, dan wet

d. ruilverkaveling bij overeenkomst.

Ingevolge ar. 15 lid 1 van de wet komen voor ruilverkaveling in aanmerking gebieden, die ruimtelijk een overwegend agrarische functie, doch niet in belangrijke mate een niet-agrarische functie vervullen of moeten vervullen.

Ingevolge art. 17 van de wet is ruilverkaveling bij overeenkomst de vorm van landinrichting, waarbij drie of meer eigenaren zich verbinden bepaalde, hun toebehorende onroerende zaken samen te voegen, de verkregen massa op bepaalde wijze te verkavelen en onder elkaar bij notariële akte te verdelen. Ingevolge art. 119 lid 1 van de wet wordt een ruilverkavelingovereenkomst schriftelijk aangegaan en in de openbare registers ingeschreven. Op grond van art. 121 van de wet kan men mede tot een ruilverkavelingovereenkomst toetreden, ten einde tegen inbreng van geld kavels of tegen inbreng van onroerende zake een geldsom te bedingen. Art. 122 lid 1 van de wet bepaalt dat een beding in de overeenkomst, waarbij bepalingen van Hoofdstuk VI, VII en VIII toepasselijk worden verklaard, slechts in werking treedt, indien en voor zover verweerder, de centrale commissie gehoord, daarmee heeft ingestemd. Aan de instemming kunnen voorwaarden worden verbonden.

Ingevolge artikel 1 lid 1 van de Regeling kavelruil wordt met inachtneming van het in het tweede lid bepaalde instemming verleend aan een beding in de ruilverkavelingovereenkomst bedoeld in artikel 119 van de wet, voor zover in dat beding geen andere bepalingen van die wet toepasselijk worden verklaard dan de in dit lid genoemde. Ingevolge het tweede lid wordt de in het eerste lid genoemde instemming verleend onder de voorwaarde, dat de directeur van de Dienst Landelijk Gebied van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij schriftelijk heeft verklaard met die overeenkomst in te stemmen. Ingevolge artikel 2 lid 1 kan de minister op aanvraag een subsidie verstrekken aan de eigenaren die een ruilovereenkomst hebben gesloten, ter zake waarvan de in artikel 1 lid 2 bedoelde schriftelijke verklaring is verkregen. Ingevolge het derde lid van artikel 2 bedraagt de subsidie 100% van de notariële kosten die ten behoeve van de kavelruil worden gemaakt.

Bij het nemen van beslissingen inzake de goedkeuring en het verlenen van subsidie in de notariskosten hanteert de minister de zogeheten "CLC-instructie kavelruil".

Blijkens deze instructie, die is gegeven aan de inspecteurs landinrichting in de provincies, dient een verkaveling in het belang te zijn van landbouw, natuur en/of landschap. Het is niet de bedoeling om bij koop-verkooptransacties de notariskosten zonder meer te subsidiëren. Bij een kavelruilovereenkomst, waarin koop- en verkooptransacties zijn opgenomen die los staan van het ruilproces en die even goed plaats kunnen vinden buiten kavelruil, zullen deze transacties niet gesubsidieerd worden, aldus de instructie. De instructie past binnen het kader van de wet en de rechtbank ziet geen grond haar daarmee in strijd dan wel kennelijk onredelijk te achten.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet in strijd met de wet heeft gehandeld door per transactie te toetsen of wordt voldaan aan het doel en de strekking van de van de wet, teneinde te voorkomen dat ook in de overeenkomst opgenomen transacties worden gesubsidieerd die los staan van het ruilproces. Voor het oordeel dat verweerder per transactie kan toetsen vindt de rechtbank steun in de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State (AbRS) van 26 mei 2000, nr. 199901651/1, en van 29 oktober 2003, nr. 200301156/1 (rechtspraak.nl, LJN-nummer AM 5489) waar ook de onderscheidende transacties zijn beoordeeld aan de doel en strekking van de wet.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder op juiste gronden heeft gesteld dat de transacties ten behoeve van de bedrijfsverplaatsing van [A] niet aan de voorwaarden voor goedkeuring en subsidiëring voldoen. Deze transacties hebben betrekking op gronden die dermate ver van elkaar verwijderd liggen, dat naar het oordeel van de rechtbank niet meer gesproken kan worden van samenvoegen van de onroerende zaken om de aldus verkregen massa op een bepaalde wijze te verkavelen. Het gegeven dat eisers deze transacties hebben ondernomen teneinde gronden vrij te maken voor de ontwikkeling van natuurgebieden en daarmee voldaan wordt aan het doel van de wet, zoals weergegeven in de artikelen 4 en 5 van de wet, laat onverlet dat ook voldaan moet zijn aan de voorwaarden gesteld in art. 17 van de wet. In het onderhavige geval is daarvan geen sprake, nu eisers het volledige bedrijf van [A] en de daarbij behorende gronden hebben overgedragen aan het BBL en vervolgens de gronden en het bedrijf van [C] hebben overgenomen, teneinde [A] in de gelegenheid te stellen zijn bedrijfsvoering op het bedrijf van [C] te kunnen voortzetten. Bovendien hadden deze transacties naar het oordeel van rechtbank even goed buiten de kavelruil kunnen plaatsvinden en zijn derhalve niet onlosmakelijk verbonden met het ruilproces. Mede gelet op hetgeen de AbRS in haar uitspraak van 29 oktober 2003 heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden zijn besluit tot onthouding van de goedkeuring voor zover het de onderhavige transacties betreft heeft kunnen handhaven.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder niet in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld. Er zijn door of namens verweerder dan wel de directeur van de Dienst Landelijk Gebied geen mededelingen gedaan op grond waarvan bij eisers het gerechtvaardigd vertrouwen zou kunnen worden gewekt dat de transacties wel goedgekeurd zouden worden. Ook uit feit dat de accountmanager heeft geadviseerd de ruilverkavelingovereenkomst in zijn geheel goed te keuren, kan niet leiden tot een gerechtvaardigd vertrouwen, nu hij in dezen geen beslissingbevoegdheid heeft. Voorzover verweerder in het verleden in vergelijkbare gevallen wel goedkeuring heeft verleend, heeft verweerder terecht gesteld dat hij niet gehouden is gemaakte fouten te herhalen.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep van eisers ongegrond moet worden verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J. de Gans, rechter, in het openbaar uitgesproken op 10 november 2003, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Jansen als griffier.

w.g. M.A. Jansen

w.g. J. de Gans

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden: 10 november 2003