Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2003:AN9787

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
09-12-2003
Datum publicatie
10-12-2003
Zaaknummer
02/1335 AAW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Leefvervoersvoorziening op grond van de wet REA ontoereikend geacht vanwege een te groot verschil met Wvg-praktijk. Het aantal kilometers dat is toegekend voldoet niet aan de richtlijn van de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. In een ten overvloede overweging wordt de opstelling van het UWV, die het gebruik van de in bruikleen gegeven electrische rolstoel mede voor rolstoeldansen, in strijd acht met de 1-loket gedachte zoals die uit de wetsgeschiedenis blijkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr.: 02/1335 AAW

Inzake het geding tussen

[A], wonende te [B], eiseres,

gemachtigde: [C], moeder van eiseres,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: P.J. Langius, medewerker bij verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 25 oktober 2002 heeft verweerder eiseres mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar betreffende de toepassing van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet REA).

Tegen dit besluit heeft eiseres op 3 december 2003 beroep ingesteld.

De zaak is behandeld ter zitting van de rechtbank, enkelvoudige kamer, gehouden op 27 november 2003. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar moeder als gemachtigde. Verweerder is bij gemachtigde verschenen.

Motivering

Eiseres, geboren op 19 januari 1980, is studerende aan de Open Universiteit, vestiging Leeuwarden, en heeft op 22 april 2002 een aanvraag ingediend voor een vervoersvoorziening voor het kunnen volgen van onderwijs (schoolvervoer) en een vervoersvoorziening tot verbetering van de leefomstandigheden (leefvervoersvoorziening). Bij besluit van 2 juli 2002 heeft verweerder eiseres een vergoeding van de kosten van taxivervoer voor het volgen van onderwijs toegekend. Voorts heeft verweerder bij dit besluit aan eiseres een leefvervoersvoorziening toegekend van € 2164,75 per jaar. Bij besluit van 8 juli 2002 heeft verweerder het laatstgenoemde bedrag gewijzigd in € 1525,= per jaar.

Eiseres heeft op 15 augustus 2002 bezwaar gemaakt tegen het verlagen van de leefvervoersvoorziening naar € 1525,=, omdat zij hiermee slechts 977 kilometer met een rolstoeltaxi kan afleggen.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe overwogen dat ingevolge het besluit "Normbedragen REA-voorzieningen 1 juli 2002-31 december 2002" het normbedrag voor een leefvervoersvoorziening als de onderhavige € 1525,= bedraagt. Dit normbedrag is gebaseerd op een vervoersbehoefte van 3500 kilometer per jaar. Voorts is verweerder van mening dat eiseres voor zover haar vervoersbehoefte betrekking heeft op Leeuwarden zij een en ander kan combineren met de vergoeding verstrekt voor het schoolvervoer en dat de kosten in verband met de activiteiten voor het Bosk niet uit de Wet REA behoeven te worden bekostigd. Verweerder stelt dat niet iedere vervoersbehoefte kan worden gehonoreerd en is van mening dat eiseres met de toegekende normvergoeding in staat wordt geacht in voldoende mate deel te kunnen nemen aan het leven van alledag.

Eiseres heeft in eerste instantie bij brief van 27 oktober 2002 verweerder verzocht het bestreden besluit te herzien, omdat zij met de toegekende vergoeding niet de in het besluit genoemde 1944 kilometer kan reizen, maar slechts 977 kilometer. Eiseres dient namelijk € 1,48 per kilometer te betalen in plaats van het in het besluit gehanteerde uitgangspunt van € 0,78 per kilometer. Verweerder heeft hierop bij brief van 4 november 2002 eiseres meegedeeld, dat in de gevallen waarin de rolstoeltaxi eiseres naar de plaats van bestemming brengt en vervolgens leeg terug moet rijden dit inderdaad een verdubbeling van het tarief met zich meebrengt, zijnde € 1,48 per kilometer, maar dat hierin geen aanleiding wordt gezien op het besluit terug te komen. Verweerder blijft op het standpunt staan dat niet iedere vervoersbehoefte kan worden gehonoreerd.

Eiseres heeft op 3 december 2002 beroep ingesteld en nogmaals betoogd dat 977 kilometer per jaar onvoldoende is om haar sociale contacten te kunnen onderhouden. Eiseres heeft daarbij verwezen naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) inzake de in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) verstrekte vervoersvoorzieningen. Op grond van die jurisprudentie moet 1500 tot 2000 kilometer per jaar als ondergrens worden beschouwd. Voorheen was aan eiseres op grond van de Wvg totaal 2368 kilometer per jaar toegekend.

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Hieromtrent wordt het volgende overwogen.

Art. 11 Wet REA bepaalt dat het UWV mede tot taak heeft het bevorderen dat belemmeringen worden weggenomen die een ingezetene, bedoeld in art. 3 Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (WAJONG), vanwege ziekte of gebrek ondervindt bij het volgen van onderwijs.

Art. 22 lid 4 Wet REA bepaalt dat het UWV op aanvraag aan een persoon als bedoeld in art. 11 voorzieningen kan toekennen die hem in staat stellen onderwijs te volgen. Art. 22 lid 5 Wet REA bepaalt dat op aanvraag een vervoersvoorziening kan worden toegekend die strekt tot verbetering van de leefomstandigheden en die deel uitmaken dan wel rechtstreeks samenhangen met voorzieningen als bedoeld in onder meer het vierde lid. Art. 22 lid 7 bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels kunnen worden gesteld.

Bovengenoemde nadere regels zijn gegeven in het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet REA (Stb. 1998,293). In art. 10 van dit besluit is bepaald dat de leefvervoersvoorziening slechts wordt verleend indien daarmee de uit ziekte of gebrek voortvloeiende beperkingen worden opgeheven of verminderd en dat deze voorziening slechts wordt verleend indien op grond van art. 22 lid 1, 3 of 4 van de Wet REA een vervoersvoorziening is verleend.

Verweerder heeft bij besluit van 24 juni 2002 (Stcrt. 2002, 125) de "Beleidsregels van UWV omtrent normbedragen REA-voorzieningen tweede halfjaar 2002" vastgesteld. Het normbedrag voor rolstoeltaxikosten bedraagt € 1525,=.

Partijen verschillen van mening over de vraag in hoeverre de toegekende leefvervoersvoorziening toereikend kan worden geacht.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder gesteld dat het normbedrag is gebaseerd op 3500 kilometer per jaar en derhalve ruimschoots voldoende wordt geacht. Het feit dat eiseres wordt geconfronteerd met een hogere taxiprijs, waardoor het normbedrag niet meer toereikend is, is voor verweerder geen aanleiding af te wijken van de beleidsregels. Verweerder betwist niet dat eiseres met de het toegekende bedrag slechts 977 kilometer per jaar kan reizen. Desgevraagd heeft de gemachtigde van verweerder verklaard de vergoeding van € 1,48 per kilometer niet als uitzonderlijk of afwijkend van het gemiddelde te beschouwen.

De Wet REA is van kracht vanaf 1 juli 1998 en richt zich op de (re)integratie van arbeidsgehandicapten. Tegelijk met het van kracht worden van deze wet is art. 57 Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) ingetrokken. Dit artikel voorzag onder meer in de verstrekking van voorzieningen als de onderhavige. Met het van kracht worden van de Wvg op 1 april 1994 is de omvang van het pakket voorzieningen dat op grond van art. 57 AAW kon worden toegekend reeds sterk geminimaliseerd. Op grond van de Wvg worden vervoersvoorzieningen voor deelname aan het leven van alle dag van gemeentewege verstrekt. Met ingang van 1 juli 1998 is de verstrekking van de resterende voorzieningen overgeheveld van de AAW naar de Wet REA. De verstrekking van leefvervoersvoorzieningen op grond van de Wet REA en de verstrekking van vervoersvoorzieningen op grond van de Wvg vinden derhalve beide hun oorsprong in art. 57 AAW.

De wetgever heeft in de Nota van Toelichting (Stb 1998-293) bij het Reïntegratie-instrumentenbesluit Wet REA aangegeven dat de verantwoordelijkheid voor de verstrekking van leefvoorzieningen met de inwerkingtreding van de Wvg bij de gemeenten is komen te liggen. Om te voorkomen dan een arbeidsgehandicapte (niet-)werknemer, die beperkingen ondervindt bij het verplaatsen buitenhuis, bij twee verschillende loketten een vervoersvoorziening zou moeten aanvragen (te weten: de gemeente voor de leefvervoersvoorziening en het Lisv voor een voorziening ten behoeve van het woon-werk/school-verkeer) is aan het Lisv -thans het UWV- de bevoegdheid gegeven ook leefvervoersvoorzieningen in combinatie met werkvervoersvoorzieningen toe te kennen.

Gelet op de wetsgeschiedenis en de Nota van Toelichting is de rechtbank van oordeel dat bij de beoordeling of de verstrekking van de leefvervoersvoorziening op grond van de Wet REA als een toereikende voorziening kan worden aangemerkt mede de bestaande jurisprudentie met betrekking tot de verstrekking van vervoersvoorzieningen op grond van de Wvg kan worden betrokken. In verband met het vorenbedoelde éénloket-gedachte acht de rechtbank het niet juist dat de burger bij het ene loket (de gemeente) een ruimere voorziening voor dezelfde kostensoort zou ontvangen dan bij het andere loket (het UWV). Aangezien met de betrekking tot de Wvg reeds min of meer uitgekristalliseerde jurisprudentie bestaat ten aanzien van de toereikendheid van (leefvervoers)voorzieningen, ligt het voor de hand om daar zo veel mogelijk bij aan te sluiten bij de toepassing van de Wet REA, voor zover althans sprake is van vergelijkbare kostensoorten. In dat kader acht de rechtbank de overweging van de CRvB in de uitspraak van 12 maart 2002 (USZ 2002,119), waarin wordt gesteld dat een vervoersvoorziening die neerkomt op een aflegbare afstand in de bandbreedte van circa 1500 tot 2000 kilometer per jaar, in beginsel voldoet aan de in 's Raads jurisprudentie tot uitdrukking gebrachte ondergrens, ook in deze zaak van belang.

Verweerder heeft in haar beleidsregels forfaitaire bedragen opgenomen inzake de verstrekking van leefvervoersvoorzieningen en heeft overeenkomstig deze beleidsregels aan eiseres het normbedrag toegekend, zonder een onderzoek in te stellen naar de vervoersbehoefte van eiseres. Nu eiseres met dit normbedrag minder dan de door de CRvB genoemde ondergrens kan reizen, is de rechtbank van oordeel dat de toegekende leefvervoersvoorziening ontoereikend is om eiseres nog in een aanvaardbare mate in staat te stellen deel te nemen aan het leven van alle dag. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de onverkorte toepassing van de beleidsregel in dit geval leidt tot de onaanvaardbare uitkomst dat eiseres nog niet een derde van het aantal leefkilometers dat verweerder als norm hanteert, tot haar beschikking heeft. Verweerder had op grond van 4:84 Algemene wet bestuursrecht (Awb) dienen af te wijken van haar beleidsregel. Nu verweerder dit heeft nagelaten is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit geen stand kan houden wegens strijd met art. 22 lid 5 Wet REA. Het beroep is mitsdien gegrond. Verweerder dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaarschrift te nemen. Gelet op art. 3:2 Awb dient verweerder daarbij een onderzoek naar de vervoersbehoefte van eiseres te verrichten.

Gelet op het vorenstaande en op het bepaalde in art. 8:74 lid 1 Awb dient het UWV het door eiseres gestorte griffierecht van € 29,= te vergoeden.

Op grond van art. 8:75 Awb veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten. Overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht bedragen de proceskosten van eiseres € 25,= ter zake van door eiseres gemaakte reiskosten. De rechtbank wijst het UWV aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

Ten overvloede merkt de rechtbank nog het volgende op. Tijdens de behandeling ter zitting is uit de verklaringen van beide gemachtigden gebleken dat verweerder inmiddels vraagtekens heeft geplaatst bij het gebruik dat eiseres maakt van de electrische rolstoel, zoals verweerder die aan haar heeft verstrekt in het kader van een onderwijsvoorziening ingevolge de Wet REA. Met name is van de zijde van verweerder naar voren gebracht dat deze rolstoel als gevolg van het rolstoeldansen door eiseres te veel zou slijten en daar ook niet voor bedoeld zou zijn. In verband met dit standpunt van verweerder zou eiseres inmiddels bij de gemeente een (nieuwe) aanvraag hebben ingediend voor een electrische rolstoel ingevolge de Wvg ten behoeve van het rolstoeldansen. Mede gelet op de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot het in beroep bestreden besluit, kan de vraag worden opgeworpen of een dergelijke gedragslijn zich wel zou verdragen met een redelijke toepassing van de in artikel 22 van de Wet REA aan verweerder toegekende bevoegdheid om leefvervoersvoorzieningen te verstrekken in samenhang met vervoersvoorzieningen ten behoeve van het volgen van onderwijs. Ter voorkoming van misverstanden, wijst de rechtbank er nog op dat deze ten overvloede gemaakte opmerkingen buiten de omvang van het geschil vallen en partijen niet kunnen binden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat het UWV het betaalde griffierecht van € 29,= aan eiseres vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 25,=, aan eiseres te vergoeden door het UWV.

Aldus gegeven door mr. E. de Witt, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 december 2003 in tegenwoordigheid van mr. M.A. Jansen als griffier.

w.g. M.A. Jansen

w.g. E. de Witt

Tegen deze uitspraak staat voor partijen het rechtsmiddel hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Centrale Raad van Beroep

Postbus 16002

3500 DA Utrecht

In het beroepschrift vermeldt u waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Afschrift verzonden op: 9 december 2003