Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2003:AN9461

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
03-12-2003
Datum publicatie
04-12-2003
Zaaknummer
51581 HA ZA 02-226
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verbod op betalende praktijk Buro voor Rechtshulp. In navolging van de bestuursrechter wordt geoordeeld dat het door een stichting rechtsbijstand (lees: het Buro voor Rechtshulp) mede uitoefenen van een betalende rechtspraktijk niet in overeenstemming is te achten met de Wet op de rechtsbijstand en de in die wet neergelegde publieke taakstelling. Bovendien doet het Buro voor Rechtshulp advocaten zoals eisers, die in hetzelfde arrondissement ook een betalende praktijk voeren, op oneerlijke wijze concurrentie aan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2004, 191
NJF 2004, 89

Uitspraak

Rechtbank Leeuwarden

Sector civiel recht

afdeling handelsrecht

Uitspraak: 3 december 2003

Zaak-/Rolnummer: 51581 HA/ZA 02-226

VONNIS

van de meervoudige handelskamer in de zaak van:

1. de publieke rechtspersoon DE ORDE VAN ADVOCATEN IN HET ARRONDISSEMENT LEEUWARDEN,

gevestigd te Leeuwarden,

2. de maatschap [..],

gevestigd te Leeuwarden,

[eisers sub 3 tot en met 12]

procureur: mr. V.M.J. Both,

tegen

1. de stichting STICHTING RECHTSBIJSTAND FRIESLAND,

gevestigd te Leeuwarden,

2. de stichting STICHTING JURIDISCHE DIENSTVERLENING FRIESLAND,

gevestigd te Leeuwarden,

gedaagden,

procureur: mr. J. de Goede.

PROCESGANG

Bij op dagvaarding geformuleerde gronden hebben eisers gevorderd dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis gedaagde sub 1 (verder ook te noemen: SRF) zal verbieden de betalende rechtspraktijk uit te oefenen of te doen uitoefenen door bij haar in dienst zijnde personen en/of aan haar gelieerde stichtingen of andere (rechts)personen, en gedaagde sub 2 (verder ook te noemen: SJD) eveneens zal verbieden de betalende rechtspraktijk uit te oefenen of te doen uitoefenen door bij haar in dienst zijnde personen en/of aan haar gelieerde stichtingen of andere (rechts)personen, zolang niet ten genoege van de Raad voor Rechtsbijstand Friesland volledig is voldaan aan de voorwaarden die genoemde Raad in zijn subsidiebeschikking heeft gesteld en in toekomstige subsidiebeschikkingen zal stellen met betrekking tot de algehele ontvlechting van gedaagden, een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 50.000,-- voor iedere overtreding, des dat de dwangsom zal zijn verbeurd ten laste van elk van beide gedaagden, ook bij overtreding door één van hen, en met veroordeling van gedaagden in de kosten van de procedure.

Gedaagden hebben voor antwoord geconcludeerd tot afwijzing van de vordering van eisers, met veroordeling van eisers in de kosten van de procedure.

Daarna hebben eisers gerepliceerd en gedaagden gedupliceerd. Partijen hebben daarbij over en weer producties overgelegd.

Op verzoek van gedaagden heeft op 9 januari 2003 pleidooi plaatsgevonden. Bij die gelegenheid hebben partijen ieder voorgedragen pleitaantekeningen overgelegd.

Vervolgens is vonnis gevraagd. De rechtbank wijst vonnis op het griffiedossier, waarvan de inhoud als hier herhaald moet gelden. De rechtbank tekent daarbij nog aan dat vonniswijzing zo lang op zich heeft laten wachten vanwege langdurige afwezigheid van één van de rechters.

RECHTSOVERWEGINGEN

1. Vaststaande feiten

Tussen partijen staat als gesteld en niet of onvoldoende betwist, alsmede op grond van de niet-betwiste inhoud van de overgelegde producties onder meer het volgende vast:

a) Op 1 januari 1994 is in werking getreden de Wet van 23 december 1993, houdende regelen omtrent de door de overheid gefinancierde rechtsbijstand, beter bekend als de Wet op de rechtsbijstand (verder: Wrb). Voornoemde wet heeft onder meer de Wet rechtsbijstand aan on- en minvermogenden (WROM), die in 1958 in werking was getreden, vervangen.

b) In de memorie van toelichting bij -het wetsontwerp van- de Wrb is met betrekking tot de hoofdlijnen c.q. doelstellingen van die wet, voorzoveel hier van belang, het volgende vermeld:

" In de eerste plaats strekt het voorstel ertoe om degenen die zelf over onvoldoende financiële middelen beschikken om te voorzien in de verlening van rechtsbijstand een aanspraak te bieden op door de overheid betaalde rechtsbijstand. Met het vastleggen van deze aanspraak wordt voldaan aan de grondwettelijke opdracht om wettelijke regels te stellen omtrent het verlenen van rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen.

(.....)

De tweede doelstelling betreft het voorzien in een voldoende aanbod van door de overheid gefinancierde rechtsbijstand. Daartoe is in het wetsvoorstel bepaald, dit in aansluiting op hetgeen in de praktijk reeds enkele decennia geldt, dat de verlening van rechtsbijstand geschiedt door de advocatuur en door de bureaus voor rechtshulp.

(.....)

De derde doelstelling betreft de budgettaire beheersing van het voorziene stelsel van door de overheid gefinancierde rechtsbijstand. Dit wetsvoorstel beoogt niet een bezuiniging aan te brengen in de kosten van gefinancierde rechtsbijstand, maar beoogt wel enige instrumenten te bieden om die kosten beter beheersbaar te doen zijn. Twee instrumenten komen ook reeds in de bestaande wetgeving voor: het stellen van een inkomensgrens tot waar een rechtzoekende nog recht heeft op van overheidswege gefinancierde rechtsbijstand en het betalen door de rechtzoekende van een eigen bijdrage.

(.....)

Als vierde hoofdlijn, ten slotte, kan genoemd worden een modernisering van de bestuurlijke organisatie (.....)".

c) In de Wrb is onder meer en voorzoveel hier van belang het volgende bepaald:

" HOOFDSTUK I. BEGRIPSBEPALINGEN

Artikel 1.

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Justitie;

b. raad: de raad voor de rechtsbijstand, bedoeld in Hoofdstuk II;

(.....)

d. stichting: de door de raad gefinancierde stichting rechtsbijstand;

(.....)

f. rechtzoekende: degene die op grond van onvoldoende financiële draagkracht

aanspraak kan maken op rechtsbijstand, voorzover in deze wet en

de daarop berustende bepalingen geregeld;

(.....)

HOOFDSTUK II. DE RAAD VOOR RECHTSBIJSTAND

(.....)

Artikel 2

1. Er is in elke hoofdplaats van het ressort van een gerechtshof een raad gevestigd.

(.....)

4. De raad financiert in elk arrondissement binnen zijn ressort een stichting

rechtsbijstand.

(.....)

Artikel 7

1. De raad is belast met de organisatie van de verlening van rechtsbijstand in het

ressort en met het toezicht op de uitvoering daarvan. De raad draagt zorgt voor een

zo doelmatig mogelijke besteding van de hem ter beschikking staande middelen.

(.....)

HOOFDSTUK III. DE VERLENING VAN RECHTSBIJSTAND

(.....)

Artikel 12

1. Rechtsbijstand wordt uitsluitend verleend ter zake van in de Nederlandse

rechtssfeer liggende natuurlijke en rechtspersonen wier financiële draagkracht de in

artikel 34 genoemde bedragen niet overschrijdt.

(.....)

Artikel 13

1. Rechtsbijstand wordt verleend door:

a. door de raad ingeschreven advocaten;

b. medewerkers van de stichtingen;

(.....)

Artikel 18

1. Er is in elk arrondissement een stichting rechtsbijstand, waarvan de statuten de

goedkeuring van de raad behoeven.

(.....)

3. Aan de stichting is een bureau verbonden.

Artikel 19.

1. De stichting heeft tot taak:

a. het verzorgen van spreekuren;

b. het gedurende ten hoogste twee uur verzorgen van verdergaande rechtsbijstand

ten vervolge op een spreekuur;

c. het verlenen van verdergaande rechtsbijstand op basis van een toevoeging.

(.....)

Artikel 21

Op voorstel van de raden stelt Onze Minister voor elke stichting de

personeelsformatie vast voor de medewerkers in vaste dienst die met de verlening

van rechtsbijstand zijn belast. Voor alle arrondissementen gezamenlijk kan dit aantal

niet meer bedragen dan tien ten honderd van het aantal door de raden ingeschre-

ven advocaten.

(.....)

Artikel 23

1. De stichting stelt een werkplan vergezeld van een begroting op, dat de

goedkeuring behoeft van de raad.

(.....)

2. In het werkplan wordt aangegeven welk beleid de stichting zal voeren met

betrekking tot de toegankelijkheid voor de rechtzoekende van het aan de stichting

verbonden bureau (.....).

(.....)

Artikel 38

1. De rechtzoekende is de hem opgelegde eigen bijdrage van rechtswege

verschuldigd aan degene die hem rechtsbijstand verleent. Voor het overige is hij

geen vergoeding verschuldigd (.....)

(.....) " .

d) De SRF is een stichting rechtsbijstand als bedoeld in artikel 18 Wrb.

Als zodanig houdt de SRF zich in het arrondissement Leeuwarden bezig met de uitvoering van de (haar) in artikel 19 Wrb vermelde wettelijke taken, waaronder het verlenen van kosteloze rechtsbijstand -behoudens een eigen bijdrage- aan de rechtzoekenden als bedoeld in artikel 1, lid 1 onder f van de Wrb. De Raad voor Rechtbijstand Leeuwarden financiert ingevolge artikel 2 lid 4 Wrb de SRF en neemt daartoe telkenjare een subsidiebeschikking.

e) Naast het verlenen van de hiervoor gememoreerde kosteloze rechtsbijstand aan onder het bereik van de Wrb vallende rechtzoekenden, heeft de SRF in 1994 en 1995 ook rechtstreeks en tegen betaling (van een honorarium) rechtskundige bijstand verleend aan andere rechtzoekenden. In het bijzonder ging het daarbij om rechtzoekenden met middeninkomens, die onder de WROM recht hadden op gefinancierde rechtshulp, maar daarvan onder de Wrb verstoken waren geraakt.

f) Laatstgenoemde activiteit -d.i. het tegen betaling verlenen van rechtsbijstand- is in 1995/1996 ondergebracht in een aparte stichting, de SJD.

g) De SRF en de SJD onderhouden sedertdien een samenwerkingsrelatie, welke is vastgelegd in een schriftelijke (concept-)samenwerkingsovereenkomst.

De SRF en de SJD presenteren zich naar buiten toe beide onder de naam Buro voor Rechtshulp Leeuwarden, zijn gehuisvest op hetzelfde adres in Leeuwarden en maken gebruik van dezelfde -juridische- medewerkers en dezelfde faciliteiten. Tot voor kort waren de besturen en directies van de SRF en de SJD ook samengesteld uit dezelfde personen.

De SJD is in januari 2002 gefuseerd met de Stichting Juridische Dienstverlening Drenthe tot de Stichting Juridische Dienstverlening Noord-Nederland.

h) In de periode 1995 - 1999 heeft de Staatssecretaris van Justitie meermalen in -onder meer- tot het bestuur van de Landelijke organisatie buro's voor rechtshulp, de Tweede kamer der Staten-Generaal, de Vaste Commissie voor Justitie van de Tweede Kamer en de Raden voor Rechtsbijstand gerichte correspondentie kenbaar gemaakt afwijzend te staan tegenover het voeren van een betalende praktijk door een (de) stichting(en) rechtsbijstand en aangedrongen op afbouw en beëindiging van die praktijk.

Bij brief van 29 april 1999 heeft de Staatssecretaris voornoemd in dat verband aan de voorzitter van de Raad voor Rechtsbijstand Leeuwarden onder meer als volgt bericht:

"Met mijn ambtsvoorgangster ben ik van mening dat het voeren van een betalende praktijk door een stichting rechtsbijstand niet in overeenstemming is met de Wet op de rechtsbijstand (Wrb). (....) De Wrb kent de stichtingen een bijzondere wettelijke status toe. Deze bijzondere status leidt ertoe dat de stichtingen een centrale positie in het stelsel innemen. Het uitoefenen van betalende nevenactiviteiten door stichtingen rechtsbijstand is niet in overeenstemming te brengen met deze bijzondere publieke opdracht.

De Tweede Kamer der Staten-Generaal heeft op 16 april 1998 een motie aanvaard waarin de regering verzocht wordt de geleidelijke afbouw van de betalende praktijk op zodanige wijze te laten geschieden dat er ruimte is voor het opzetten van acceptabele nieuwe varianten van de betalende praktijk. Zowel de Wrb alsook de resultaten van de Task-Force geven mij echter geen aanleiding het voortbestaan van een verband tussen de wettelijke en betalende activiteiten van een stichting rechtsbijstand noodzakelijk te achten. Ik heb evenmin indicaties dat de rechtsbijstandvoorziening door de afbouw van de betalende praktijk in onvoldoende mate gewaarborgd is. (.....)

Ik acht het noodzakelijk dat thans spoedig daadwerkelijk een aanvang wordt gemaakt met de volledige ontvlechting van de publieke en betalende activiteiten van de stichtingen. (.....)

In zijn advies geeft de Landsadvocaat aan een termijn tot 1 januari 2000 redelijk te achten. Een reële en verantwoorde afbouw van de betalende praktijk is in dit tijdsbestek haalbaar. Mede gezien de (langdurige) voorgeschiedenis ben ik van mening dat deze termijn alleszins aanvaardbaar is. Ik deel het standpunt van de Landsadvocaat dat op voorhand tevens duidelijk dient te zijn dat indien de ontvlechting op 1 januari 2000 niet gerealiseerd is, dit zal leiden tot een beëindiging c.q. vermindering van de subsidiëring van betreffende stichtingen (.....)".

i) De Raad voor Rechtsbijstand Leeuwarden (verder: de Raad) heeft bij brief van 28 april 1999 aan de SRF onder meer meegedeeld dat op -uiterlijk- 1 januari 2000 een volledige ontvlechting dient te hebben plaatsgevonden van de SRF en de SJD.

In de nadien bij brief van 14 maart 2000 aan de SRF gestuurde subsidiebeschikking voor het begrotingsjaar 2000 heeft de Raad aangegeven dat met ingang van 1 september 2000 overgegaan moet zijn tot voormelde ontvlechting en dat het niet voldoen aan dat voorschrift zal leiden tot een korting op de subsidie voor een bedrag van fl. 50.000,-- per maand.

Bij brief van 2 februari 2001 heeft de Raad de subsidiebeschikking over het begrotingsjaar 2001 aan de SRF gezonden. In die beschikking heeft de Raad in het kader van de afbouw van de betalende praktijk het volgende overwogen:

" Zoals is opgenomen in het raadsbesluit d.d. 18 februari 2000, alsmede in de subsidiebeschikking 2000 d.d. 14 maart 2000 diende uw stichting met ingang van 1 september 2000 te zijn overgegaan tot ontvlechting van de betalende praktijk buiten bureauverband. Ik verwijs hiervoor naar het in deze beschikking gestelde.

De Raad verstaat in dit kader onder ontvlechting:

- het bestuur van de Stichting Juridische Dienstverlening dient geheel uit andere personen te zijn samengesteld dan het bestuur van de Stichting Rechtsbijstand;

- de Stichting Juridische Dienstverlening dient te beschikken over een eigen directie, die in personeel opzicht feitelijk los staat van de directie van de Stichting Rechtsbijstand;

- de Stichting Juridische Dienstverlening en uw Stichting Rechtsbijstand dienen elk over eigen huisvesting en een eigen ontvangstbalie te beschikken;

- medewerkers van de Stichting Rechtsbijstand mogen niet tevens namens de Stichting Juridische Dienstverlening juridische diensten aan betalende cliënten verlenen;

- de formatie van uw Stichting dient zowel qua personeel als qua voorzieningen in overeenstemming te zijn met de omvang van de verstrekte subsidie.

Het voorschrift inhoudende de verplichting tot volledige ontvlechting dan wel de volledige plaatsing van de betalende praktijk buiten bureauverband is gebaseerd op art. 11 van de Subsidieregeling jo. art. 42b lid 2 en art. 7 lid 1 Wrb.

Inmiddels is gebleken dat uw Stichting niet aan het gestelde in de beschikking heeft voldaan met ingang van 1 september 2000. De Raad heeft de aangezegde korting tot dusver nog niet geëffectueerd in afwachting van de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden. Inmiddels heeft deze rechtbank op 19 januari 2001 uitspraak gedaan, welke u bekend is. In deze uitspraak wordt door de rechtbank niet een uitspraak ten gronde gegeven.

De Raad acht het niet opportuun nog langer met de effectuering van de korting te wachten. Bij de aanzegging van de korting is de Raad uitgegaan van een bedrag van fl. 50.000,-- per maand. De Raad zal de korting over het jaar 2000 (fl. 200.000,--) verrekenen met de definitieve vaststelling van de subsidie over 2000. U dient derhalve met de reservering van dit bedrag rekening te houden. Hetzelfde geldt voor de korting over januari 2001. (.....)".

j) De SRF heeft tegen voormeld (subsidie)besluit een bezwaarschrift ingediend bij de Raad en tevens een verzoek om voorlopige voorziening, strekkende tot, onder meer, schorsing van dat besluit, ingediend bij de sector bestuursrecht van deze rechtbank.

k) Bij uitspraak van 14 juni 2001 heeft de (fungerend) president van deze rechtbank als voorzieningenrechter voormeld verzoek toegewezen en het bestreden subsidiebesluit 2001 geschorst tot twee weken nadat de beslissing op bezwaar op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

In dat kader heeft de president onder meer en voorzoveel hier van belang het volgende overwogen:

" (.....) Op grond van het hiervoor vermelde stelsel van wettelijke bepalingen van de Wrb is de president voorshands van oordeel dat een stichting rechtsbijstand, zoals verzoekster, tot het specifieke instrumentarium van de gefinancierde rechtsbijstand behoort en daarom bij de uitoefening van haar taken in beginsel de daaraan door of krachtens de Wrb gesteld grenzen dient te respecteren, alsmede de aan haar door de raad in het kader van de toepassing van de Wrb gestelde verplichtingen behoort te volgen.

(.....) Gelet op de bijzondere positie van de stichtingen rechtsbijstand kan van hen worden verlangd dat zij uitsluitend werkzaamheden verrichten in het kader van het stelsel van de gefinancierde rechtsbijstand, zoals neergelegd in de Wrb en de daarop gebaseerde wettelijke regelingen. In dat verband staat het verweerder vrij om aan haar subsidieverlening aan verzoekster de voorwaarde te verbinden dat zij zich zal onthouden van werkzaamheden, die dat kader te buiten gaan, zoals het voeren van een betalende praktijk. De president is van oordeel dat in een dergelijk geval kan worden gesproken van een verplichting die redelijkerwijs noodzakelijk en geschikt kan worden geacht om het met de subsidie nagestreefde doel te bereiken, zoals ook is bedoeld in art. 4: 38 Awb. Hierbij is van belang dat de stichtingen rechtsbijstand thans hun bestaansrecht ontlenen aan het wettelijk stelsel van de Wrb, waarbij een door de overheid gefinancierd stelsel van rechtsbijstand is opgezet dat blijkens de wetsgeschiedenis als aanvullend is bedoeld op het reeds bestaande systeem van particuliere rechtsbijstand. Dit brengt mee dat het verweerder in het kader van zijn toezichthoudende taak vrij staat om de stichtingen rechtsbijstand slechts subsidie te verlenen op voorwaarde dat geen betalende praktijk wordt gevoerd, nu het voeren van een dergelijke praktijk in strijd moet worden geacht met de wettelijke taak van de stichtingen rechtsbijstand.

(.....) Op grond van het voorgaande is verweerder niet alleen gerechtigd om aan verzoekster te verbieden om zelf direct een betalende praktijk uit te oefenen, maar ook om daaraan deel te nemen op de wijze waarop verzoekster thans samenwerkt met de SJD. Op grond van de thans voorliggende stukken is de president voorshands van oordeel dat er op personeel gebied een zodanige vervlechting bestaat tussen verzoekster en de SJD dat redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat verzoekster in feite een betalende praktijk uitoefent, ook al is de betalende praktijk formeel in een andere rechtspersoon ondergebracht. Dat hiermee niet in materiële zin een scheiding is beoogd, blijkt uit de zeer sterke vervlechting van het personeel in alle geledingen, die in feite neerkomt op een personele unie tussen beide rechtspersonen. De president wijst er in dat verband op dat in het kader van dit geding voldoende is komen vast te staan dat de samenstelling van de besturen van beide stichtingen nagenoeg identiek is, dat de directies van beide stichtingen dezelfde zijn en dat de medewerkers van verzoekster in feite de juridische dienstverlening door de SJD voor hun rekening nemen. Daarbij komt nog dat zowel verzoekster als de SJD opereert onder de naam Buro voor Rechtshulp en dat beide organisaties in hetzelfde gebouw zijn gevestigd en van dezelfde faciliteiten gebruik maken.

(.....) Al het voorgaande brengt de president tot de conclusie dat verweerder bevoegd kan worden geacht om aan de subsidieverlening voor 2001 de eis van ontvlechting te verbinden. Nu verzoekster aan die voorwaarden niet heeft voldaan en ook niet bereid is daaraan te voldoen, kan verweerder in het licht van art. 4: 46 lid 2 Awb in beginsel eveneens bevoegd worden geacht om op de toegezegde subsidie een korting toe te passen.

De vraag die dan nog moet worden beantwoord is de vraag of verweerder in redelijkheid gebruik heeft gemaakt van deze bevoegdheid door aan verzoekster een korting van fl. 50.000,-- per maand op te leggen, zolang niet is voldaan aan de eisen met betrekking tot de ontvlechting.

De president is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. (.....)".

l) Het hiervoor onder 2j vermelde bezwaarschrift is door de Raad ongegrond verklaard, onder -onverkorte- handhaving van meergenoemde subsidiebeschikking 2001 (inclusief het daarin opgenomen "kortingsbesluit").

Van die beslissing op bezwaar, welke aan de SRF is bekend gemaakt bij brief van 21 decem-ber 2001, is de SRF in beroep gekomen bij de bestuurssector van deze rechtbank.

m) Naar de rechtbank ambtshalve bekend is, is voormeld beroep bij uitspraak van 5 juni 2003 gedeeltelijk niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond verklaard.

In die uitspraak is onder meer en voorzoveel hier van belang het volgende overwogen:

"(....) Met inachtneming van het voorgaande is de rechtbank evenals de president van oordeel dat een stichting rechtsbijstand, zoals eiseres (d.i. de SRF, rb), onderdeel uitmaakt van het specifiek wettelijk instrumentarium van de gefinancierde rechtsbijstand. Bij de uitoefening van haar taken dient eiseres derhalve de daaraan door of krachtens de Wrb gestelde grenzen te respecteren. (....) Gelet op de bijzondere positie van de stichtingen rechtsbijstand kan naar het oordeel van de rechtbank van hen worden verlangd dat zij uitsluitend werkzaamheden verrichten in het kader van het stelsel van de gefinancierde rechtsbijstand, zoals neergelegd in de Wrb en de daarop gebaseerde wettelijke regelingen. In dat verband kan aan verweerder (d.i. de Raad voor Rechtsbijstand Leeuwarden, rb) niet de bevoegdheid worden ontzegd om aan de subsidieverlening de verplichting te verbinden dat eiseres zich zal dienen te onthouden van werkzaamheden, die dat kader en daarmee de wettelijke taak van eiseres te buiten gaan, zoals het voeren van een betalende praktijk.

(...) De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid eiseres kan verbieden deel te nemen aan een betalende praktijk op de wijze waarop eiseres thans samenwerkt met de SJD. Zo blijkt genoegzaam uit de stukken dat er op personeel gebied een zodanige vervlechting bestaat tussen eiseres en de SJD dat redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat eiseres in feite een betalende praktijk uitoefent, ook al is de betalende praktijk formeel in een andere rechtspersoon ondergebracht. Dat hiermee niet in materiële zin een scheiding is beoogd, blijkt uit de zeer sterke vervlechting van het personeel in alle geledingen, die in feite neerkomt op een personele unie tussen beide rechtspersonen.

In dit verband staat voor de rechtbank voldoende vast dat de samenstelling van de besturen van beide stichtingen nagenoeg identiek is, dat de directies van beide stichtingen dezelfde zijn en dat de medewerkers van eiseres in feite de juridische dienstverlening door de SJD voor hun rekening nemen. Daarbij komt dat zowel eiseres als de SJD opereert onder de naam Buro voor Rechtshulp, dat beide organisaties in hetzelfde gebouw zijn gevestigd en dat zij van dezelfde faciliteiten gebruik maken. (...)".

n) Bij brief van 4 januari 2002 hebben eisers de SRF en de SJD gesommeerd op de kortst mogelijke termijn te voldoen aan de door de Raad gestelde eisen van ontvlechting. Bij brief van 30 november 1998 had de Raad van Toezicht van de Orde van Advocaten in het arrondissement Leeuwarden de SRF en SJD ook al verzocht maatregelen te treffen om de betalende rechtshulpverlening door medewerkers van het Buro voor Rechtshulp en/of de SJD te beëindigen.

De SRF en SJD hebben niet op voormelde sommatie c.q. op voormeld verzoek gereageerd.

o) Eiseres sub 2 is een in het arrondissement Leeuwarden gevestigde maatschap van advocaten, terwijl eiser sub 3 tot en met sub 12 in voornoemd arrondissement als advocaat en procureur zijn ingeschreven.

2. De standpunten van partijen

Het standpunt van eisers

2.1. Gelet op de -vrijwel volledige- personele en materiële vervlechting van de SRF en de SJD is er sprake is van het gezamenlijk door die stichtingen voeren van een betalende rechtspraktijk

Het aldus voeren van een betalende rechtspraktijk is in strijd met de Wrb en derhalve onrechtmatig.

Die onrechtmatigheid geldt ook ten opzichte van eisers, want de in de Wrb neergelegde, beperkte taakstelling van de SRF heeft mede de strekking de economische belangen van de advocatuur te beschermen. Dat laatste blijkt in het bijzonder (ook) uit het bepaalde in en de parlementaire toelichting op artikel 21 Wrb. Voornoemde bepaling, waarin het aantal medewerkers van een stichting als de SRF aan een maximum wordt gebonden, is in de Wrb opgenomen omdat het niet wenselijk werd geacht de gesubsidieerde sector een steeds grotere plaats te laten innemen ten opzichte van de marktsector en omdat de advocatuur de mogelijke groei van bedoelde stichtingen als een bedreiging zou (kunnen) ervaren.

2.2. Voorts is het door de SRF en de SJD (blijven) volharden in het voeren van een betalende rechtspraktijk en het weigeren over te gaan tot algehele ontvlechting zoals door de Raad is voorgeschreven, in strijd te achten met de maatschappelijke zorgvuldigheid die de SRF en SJD betaamt en ook uit dien hoofde handelen die stichtingen onrechtmatig jegens eisers.

Voormelde gedragingen van de SRF en de SJD druisen immers in tegen de maatschappelijke en politieke opvattingen over de rol en taak van de Buro's voor Rechtshulp en zijn daarenboven als oneerlijke concurrentie jegens eisers aan te merken. Door de SRF en de SJD wordt gebruik gemaakt van faciliteiten, die met aan de SRF verleende subsidie in stand worden gehouden waardoor de SRF en de SJD minder kosten als eisers hoeven te maken en een lager (declaratie-)tarief kunnen hanteren, terwijl de stichtingen tevens profiteren van het laagdrempelige imago van en de toestroom van (betalende) cliënten naar het Buro voor Rechtshulp die niet (meer) worden doorverwezen naar de -commerciële- advocatuur.

2.3. Als gevolg van een en ander leiden zij, eisers, nadeel te leiden in de vorm van -met name- omzetverlies en komt een gezonde bedrijfsvoering in gevaar. Gelet daarop is toewijzing van de gevorderde verboden gerechtvaardigd.

Uit hoofde van haar uit artikel 26 van de Advocatenwet voortvloeiende taak om een behoorlijke uitoefening van de advocatenpraktijk te bevorderen en op te komen voor de rechten en belangen van de advocatuur in het arrondissement Friesland, is eiseres sub 1

- zijnde de Orde van Advocaten in voornoemd arrondissement - ook bevoegd tot en heeft zij mede belang bij het vorderen van bedoelde verboden.

Het verweer van de SRF en de SJD

2.4. Van strijd met de Wrb is geen sprake, omdat de SRF geen betalende praktijk voert.

De betalende rechtspraktijk wordt -alleen- uitgeoefend door de SJD en die stichting wordt daarvoor door de belastingdienst als zelfstandige onderneming aangeslagen.

Met de SJD onderhoudt de SRF weliswaar een samenwerkingsverband, maar daaruit volgt niet dat de SRF mede een betalende praktijk voert. Door de oprichting van de SJD is juist een (af)scheiding tussen de door de SRF verzorgde gefinancierde rechtshulp en de door de SJD uitgeoefende betalende rechtsbijstandverlening beoogd en bewerkstelligd..

Er is in 1994 voor het (ook) tegen betaling verlenen van rechtskundige bijstand gekozen, omdat een categorie van rechtzoekenden, die door de invoering van de Wrb niet meer als voorheen onder de WROM gebruik kon maken van gefinancierde rechtshuilp, tussen wal en schip dreigde te vallen.

2.5. Voorzover wel sprake is van strijd met een uit de Wrb voortvloeiende rechtsnorm levert zulks geen onrechtmatige daad jegens eisers op, omdat uit de doelstellingen van de Wrb niet afgeleid kan worden dat die wet (mede) beoogt de commerciële belangen van de advocaten veilig te stellen en/of te beschermen. Gelet daarop is aan de relativiteitseis als onderdeel van de criteria voor het aannemen van een onrechtmatige daad van de SRF en SJD jegens eisers niet voldaan.

2.6. Evenmin is er sprake van schending van -ongeschreven- zorgvuldigheidsnormen, en voorzover daarvan wel sprake is, strekken die normen evenmin tot bescherming van de belangen waarin eisers getroffen (zeggen te) zijn. De door Raad geformuleerde subsidie-voorwaarden zijn doelgebonden en richten zich niet tot eisers, terwijl de concurrentie van de SJD met de advocatuur niet oneerlijk of onrechtmatig is te noemen.

De -commerciële- praktijkuitoefening door de SJD is kostendekkend en daarbij wordt geen gebruik gemaakt van aan de SRF toegekende en toekomende subsidiegelden. Met de medewerkers die de betalende rechtshulp verlenen is de SJD afzonderlijke arbeidsovereenkomsten aangegaan.

2.7. Van onrechtmatig handelen jegens eisers is dan ook geen sprake, zodat de gevorderde verboden niet voor toewijzing in aanmerking komen. Eisers hebben voorts nagelaten de schade, de schadeoorzaak en het causale verband daartussen te onderbouwen en/of te bewijzen, zodat ook om die reden(en) geen toewijzing kan volgen.

Verder dient eiseres sub 1 in ieder geval niet-ontvankelijk verklaard te worden, omdat deze niet heeft voldaan aan het in artikel 3: 305a lid 1 Burgerlijk Wetboek bedoelde overlegvereiste en aan haar voorts geen zelfstandig vorderingsrecht toekomt.

2.8. Voorzover de verboden wel toewijsbaar worden geacht, dient de mede-gevorderde dwangsom op een (veel) lager bedrag vastgesteld te worden en dient deze niet per overtreding afdwingbaar te zijn.

3. De beoordeling

3.1. De rechtbank stelt voorop dat met de Wrb een door de overheid gefinancierd stelsel van rechtsbijstand is opgezet en dat ter verlening van die gesubsidieerde rechtsbijstand de stichtingen rechtsbijstand, waaronder de SRF, in het leven zijn geroepen.

In artikel 19 van de Wrb zijn de taken van de stichting rechtsbijstand expliciet en, naar het oordeel van de rechtbank, op limitatieve wijze omschreven: het verzorgen van spreekuren, het gedurende ten hoogste twee uur verzorgen van verdergaande rechtsbijstand ten vervolge op een spreekuur en het verlenen van verdergaande rechtsbijstand op basis van een toevoeging.

Voorts is in artikel 12 van de Wrb uitdrukkelijk bepaald dat die rechtsbijstand uitsluitend wordt verleend aan, kort gezegd, natuurlijke en rechtspersonen wier financiële draagkracht de in de Wrb vermelde grenzen niet overschrijdt, terwijl in artikel 38 van de Wrb is vastgelegd dat vorenbedoelde natuurlijke en/of rechtspersonen terzake van de verleende rechtshulp geen vergoeding verschuldigd zijn, behoudens een aan hun opgelegde eigen bijdrage.

Blijkens de wetsgeschiedenis is voormeld stelsel van gefinancierde rechtshulp als aanvullend bedoeld op het bestaande systeem van particuliere (betalende) rechtsbijstand.

3.2. Met het voorgaande verdraagt zich niet dat een stichting rechtsbijstand, zoals de SRF, die haar bestaan(srecht) -louter en alleen- ontleent aan de Wrb, zich ook mede begeeft op laatstgenoemd terrein van de particuliere, betalende rechtsbijstandverlening. De rechtbank onderschrijft in dat verband en neemt over de in de hierboven onder 2k en 2m vermelde uitspraken van de voorzieningenrechter en van de bestuursrechter besloten liggende oordelen, dat een stichting rechtsbijstand zoals de SRF onderdeel uitmaakt van het specifiek wettelijk instrumentarium van de gefinancierde rechtsbijstand, dat een stichting als de SRF in verband daarmee bij de uitoefening van haar taken de daaraan door of krachtens de Wrb gestelde grenzen dient te respecteren en dat van een stichting als de SRF, gelet op de bijzondere positie van de stichtingen rechtsbijstand, kan worden verlangd dat zij uitsluitend werkzaamheden verricht in het kader van het stelsel van gefinancierde rechtsbijstand en zich dus onthoudt van werkzaamheden die dat kader en daarmee haar wettelijke taak te buiten gaan.

In navolging van de voorzieningrechter en de bestuursrechter in dit gerecht, is de rechtbank dan ook van oordeel dat het door een stichting rechtsbijstand (mede) uitoefenen van een betalende rechtspraktijk niet in overeenstemming is te achten met de Wrb en de in die wet neergelegde -publieke- taakstelling van een dergelijke stichting.

3.3. In dat licht bezien behoeft het geen betoog dat het rechtstreeks door de SRF aanbieden van betalende rechtshulp, zoals in de jaren 1994 en 1995 het geval is geweest, in strijd was met de Wrb.

Zulks geldt naar het oordeel van de rechtbank evenzeer voor de wijze waarop de SRF nadien die -niet onder haar taakomschrijving vallende- vorm van rechtshulp heeft georganiseerd in samenwerking met danwel door middel van de SJD. Niet valt in te zien dat de Wrb wel ruimte zou laten (c.q. laat) voor het op indirecte wijze, dat wil zeggen via (een samenwerking met) een -aparte- stichting als de SJD, verlenen van betalende rechtsbijstand.

3.4. De rechtbank acht genoegzaam aannemelijk geworden dat van dat laatste sprake is.

Vaststaat immers dat de SJD vanuit de -gelederen van- de SRF speciaal is opgericht om vorenbedoelde, betalende rechtshulp te -kunnen- blijven aanbieden, dat de zeggenschap over de SJD volledig in handen is, althans tot voor kort: was, van dezelfde personen die het bestuur en de directie vorm(d)en van en de leiding hebben in de SRF, en dat de daadwerkelijke juridische dienstverlening plaatsvindt door de dezelfde juridische medewerkers die ook met de rechtshulpverlening van de SRF zijn belast. Dat de SRF en de SJD zeer nauw met elkaar verbonden of vervlochten zijn en in feite vanuit één en dezelfde achtergrond aangestuurd worden en opereren, blijkt ook uit de eveneens vaststaande feiten dat onder één naam, Buro voor Rechtshulp Leeuwarden, en vanuit één pand met gebruikmaking van dezelfde faciliteiten de onderscheiden diensten worden aangeboden, terwijl gesteld noch gebleken is dat in concreto gewerkt wordt vanuit verschillende loketten danwel dat vorenbedoelde juridische medewerkers vanachter verschillende bureau's hun werkzaamheden voor de SRF, respectievelijk de SJD verrichten.

3.5. Het vorenstaande wettigt naar het oordeel van de rechtbank de conclusies dat de SRF zich -nog steeds- (mede) bezig houdt met, althans in verregaande mate betrokken is bij het voeren en overeind houden van een betalende rechtspraktijk en dat die handelwijze in strijd is te achten met de Wrb.

Daaraan kan onvoldoende afdoen dat, zoals de SRF en de SJD hebben aangevoerd, de SJD door de belastingdienst als een afzonderlijke onderneming wordt beschouwd, de SJD niet (direct) wordt gefinancierd door de SRF en de juridische medewerkers van de SRF een aparte arbeidsovereenkomst met de SJD hebben getekend. Voor het antwoord op de vraag of de SRF in strijd handelt met de Wrb is naar het oordeel van de rechtbank niet beslissend of de SRF en de SJD al dan niet in formele zin van elkaar zijn gescheiden en evenmin of de aan de SRF toegekende subsidiegelden al dan niet rechtstreeks (mede) ten behoeve van de activiteiten van de SJD worden aangewend danwel of de revenuen van de betalende praktijk al dan niet rechtstreeks (mede) aan de SRF ten goede komen.

3.6. De omstandigheid dat vorenbedoelde handelwijze van de SRF in strijd is te achten met de Wrb, betekent niet, zoals de SRF en de SJD terecht hebben aangevoerd, dat die daad (reeds) uit dien hoofde jegens eisers als onrechtmatig is aan te merken.

Met de voorschriften van de Wrb wordt blijkens de considerans van die wet immers uitsluitend beoogd regels te stellen omtrent het aanbieden en verlenen van door de overheid gefinancierde rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen en de organisatie en budgettaire beheersing van dat stelsel. Uit geen van die voorschriften noch uit de hiervoor onder 1b gememoreerde doelstellingen van de Wrb kan afgeleid worden dat deze (ook of mede) geschreven zijn ter bescherming van de (economische) belangen van de advocatuur op het terrein van de rechtsbijstand aan draagkrachtigen. Dat geldt ook niet voor het door eisers genoemde artikel 21 Wrb. In die bepaling wordt weliswaar een verband gelegd tussen het aantal juridische medewerkers van een stichting rechtsbijstand en het aantal door de raden voor rechtsbijstand ingeschreven advocaten, maar dat verband beperkt zich -evenzeer- tot de gefinancierde rechtshulp.

3.7. Het voorgaande laat echter onverlet dat de met de Wrb strijdige handelwijze van de SRF én de handelwijze van de SJD naar het oordeel van de rechtbank wel uit andere hoofde jegens eisers als onrechtmatig dienen te worden aangemerkt. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat de SRF en de SJD door het in -nauwe- samenwerking voeren van een betalende rechtspraktijk, waartoe de Wrb de SRF geen ruimte biedt, advocaten zoals eisers, die in hetzelfde arrondissement ook een betalende praktijk voeren, op oneerlijke wijze concurrentie aandoen en aldus handelen de SRF en de SJD in strijd met de maatschappelijke betamelijkheid die zij volgens het ongeschreven recht jegens eisers in acht hebben te nemen.

Die oneerlijke concurrentie is naar het oordeel van de rechtbank onder meer (en met name) hierin gelegen dat de voorzieningen en faciliteiten, waarover de SRF beschikt en die mede in de samenwerking met de SJD worden aangewend en waarvan de SJD derhalve mee-profiteert bij en voor het voeren van de betalende (markt-)praktijk, in stand worden gehouden door vanwege de overheid verstrekte subsidiegelden. Voldoende aannemelijk is geworden dat zulks de SRF en de SJD vanuit kostenoogpunt een ongeoorloofde voorsprong geeft op eisers, die bedoelde voorzieningen en faciliteiten immers uit eigen middelen moeten financieren. De SRF en de SJD hebben ook niet, althans niet gemotiveerd en gedocumenteerd, betwist dat zij in verband met hun lage(re) kosten betalende rechtshulp (kunnen) verlenen tegen een -beduidend- lager tarief dan eisers.

Daar komt bij dat, zoals de SRF en SJD ook niet, althans onvoldoende hebben betwist, de SRF en de SJD profijt trekken van de sterke naam en positie, die de SRF als Buro voor Rechtshulp op grond van de Wrb heeft verkregen op het terrein van de gefinancierde rechtshulp en welke positie -eveneens- is opgebouwd met publieke middelen. Op de "markt" voor betalende rechtsbijstand treden, naar vaststaat, de SRF en de SJD ook naar buiten toe op onder de naam Buro voor Rechtshulp, terwijl uit de gezamenlijke huisvesting afgeleid kan worden dat gestreefd wordt naar het -zoveel mogelijk- in huis houden van alle zich aandienende rechtzoekenden. In dat verband is door de de SRF en de SJD ook niet bestreden dat de SJD een voorkeurspositie inneemt voor wat betreft het door de SRF doorverwijzen van cliënten.

3.8. Bij het voorgaande neemt de rechtbank tevens in aanmerking dat de ongeschreven betamelijkheidsnorm, die eisers beschermt tegen oneerlijke concurrentie van de zijde van "marktpartijen" als de SRF en de SJD, mede ten grondslag ligt aan de duidelijke en herhaalde afwijzing van de Staatssecretaris van Justitie en de Raad voor de Rechtsbijstand Leeuwarden van de door de SRF en de SJD gezamenlijk gevoerde betalende praktijk. Zowel de Staatssecretaris als de Raad hebben een en andermaal gewezen op de ongewenste en oneerlijke concurrentie die daarvan het gevolg kan zijn c.q. is en, zoals uit de hierboven vermelde vaststaande feiten ook blijkt, jegens de SRF en de SJD aangedrongen op algehele ontvlechting van de publieke en private (rechtshulp-)activiteiten, zulks op straffe van korting en/of intrekking van de aan SRF verleende subsidie. Ook hieruit kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat de gezamenlijke activiteiten van de SRF en de SJD als maatschappelijk ongewenst handelen moet worden aangemerkt, waarvan de SRF en de SJD zich hebben te onthouden.

3.9. Het voorgaande brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat toewijzing van de gevorderde verboden gerechtvaardigd is te achten. Voldoende aannemelijk is dat eisers, met uitzondering van eiseres sub 1, als gevolg van de gedragingen van de SRF en de SJD nadeel leiden in de vorm van -met name- omzet verlies en dat hierdoor een gezonde bedrijfsvoering in gevaar kan komen. Aan de betwisting door de SRF en de SJD dat eisers schade leiden en dat causaal verband ontbreekt, gaat de rechtbank voorbij, omdat de SRF en de SJD ook zelf hebben toegegeven dat -in ieder geval- de SJD eisers daadwerkelijk beconcurreert en ook wil beconcurreren en, voorts dat met het voeren van die betalende praktijk een substantiële omzet wordt behaald, zelfs zodanig dat met het wegvallen van die omzet gevreesd moet worden voor het nog overeind kunnen houden van de nevenvestiging van de SRF in de provincie Friesland.

Ook eiseres sub 1 als publiekrechtelijke rechtspersoon heeft een voldoende eigen belang bij toewijzing van het gevorderde uit hoofde van haar uit artikel 26 van de Advocatenwet voortvloeiende taak om een behoorlijke uitoefening van de advocatenpraktijk te bevorderen en in dat kader op te komen voor de rechten en belangen van de advocatuur in het arrondissement Friesland. Anders dan de SRF en de SJD hebben aangevoerd kan niet gezegd worden dat eiseres sub 1 onvoldoende heeft getracht het gevorderde door het voeren van overleg met de SRF en de SJD te bereiken. Eiseres sub 1 heeft, zoals hiervoor onder 1n ook is gememoreerd, in 1998 de SRF en de SJD al benaderd om te komen tot afbouw en beëindiging van de betalende activiteiten, maar daarop hebben de SRF en de SJD niet gereageerd. Ook nadien hebben de SRF en de SJD niet gereageerd op zijdens eiseres sub 1 gezonden sommatiebrieven.

Gelet op houding van de SRF en de SJD behoefde eiseres sub 1 naar het oordeel van de rechtbank in de gegeven omstandigheden niet aan te sturen op het voeren van verder overleg.

3.10. De rechtbank acht wel termen aanwezig de SRF en de SJD een periode van twee maanden te gunnen om hun betalende activiteiten af te bouwen en hun organisaties te ontvlechten op de wijze als door de Raad voorgeschreven, zodat aan het intreden van de op te leggen verboden voormelde termijn zal worden verbonden.

De mede-gevorderde dwangsom zal de rechtbank nader vaststellen op een bedrag van 10.000,--euro per overtreding en de rechtbank zal tevens bepalen dat het bedrag van de te verbeuren dwangsommen maximaal 500.000,-- euro zal zijn.

De door eisers gevorderde dwangsom komt de rechtbank bovenmatig voor.

3.11. De SRF en de SJD worden als de voor het merendeel in het ongelijk gestelde partijen veroordeeld in de kosten van deze procedure.

Een en ander leidt tot de volgende beslissingen.

BESLISSING

De rechtbank:

1. verbiedt de SRF om de betalende rechtspraktijk uit te oefenen of te doen uitoefenen door bij haar in dienst zijnde personen en/of aan haar gelieerde stichtingen of andere (rechts)personen;

2. verbiedt de SJD om de betalende rechtspraktijk uit te oefenen of te doen uitoefenen door bij haar in dienst zijnde personen en/of aan haar gelieerde stichtingen of andere (rechts)personen, zolang niet ten genoege van de Raad voor de Rechtsbijstand Friesland volledig is voldaan aan de voorwaarden die voornoemde Raad in zijn subsidiebeschikking(en) heeft gesteld en in toekomstige subsidiebeschikkingen zal stellen met betrekking tot de algehele ontvlechting van de SJD en de SRF;

3. bepaalt dat de hiervoor vermelde verboden niet eerder ingaan dan twee maanden na de betekening van dit vonnis;

4. bepaalt dat de SRF en de SJD bij overtreding van voormelde verboden, of één van die verboden, een dwangsom verbeuren van 10.000,-- euro per overtreding en dat het totaal van de verbeurde dwangsommen niet meer zal bedragen dan 500.000,-- euro;

5. veroordeelt de SRF en de SJD in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van eisers begroot op 258,18 euro aan verschotten en op 1.560,--euro aan salaris procureur;

6. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door de rechters mr. J. de Vroome, voorzitter, mr. M.G. Dijkstra-de Vries en mr. J.J. Beswerda en in het openbaar uitgesproken door de rolrechter op 3 december 2003.

fn 367