Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2003:AN9442

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
04-12-2003
Datum publicatie
04-12-2003
Zaaknummer
17/085000-03vev
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf van drie maanden voorwaardelijk wegens bedrieglijke bankbreuk door eigenaar/bestuurder van failliete bedrijven; bekorting van de straf in verband met overschrijding redelijke termijn voor vervolging.

Namens verdachte is aangevoerd dat de dagvaarding partieel nietig moet worden verklaard wegens innerlijke tegenstrijdigheid. Dit verweer is door de rechtbank verworpen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 343, geldigheid: 2003-12-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Leeuwarden

Sector strafrecht

VERKORT VONNIS

Uitspraak: 4 december 2003

Parketnummer: 17/085000-03

VONNIS van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres]

De rechtbank heeft gelet op het ter terechtzitting gehouden onderzoek van 21 november 2003.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden.

TELASTELEGGING

Aan dit vonnis is een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van de telastelegging gehecht, zoals deze na wijziging ter terechtzitting luidt. De inhoud daarvan moet geacht worden hier te zijn overgenomen.

In de telastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Op schriftelijke vordering van de officier van justitie ter terechtzitting is de telastelegging gewijzigd, zoals in die vordering staat omschreven. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van die vordering is aan dit vonnis gehecht. De inhoud daarvan moet als hier ingevoegd worden beschouwd.

VERWEER MET BETREKKING TOT DE GELDIGHEID VAN DE DAGVAARDING

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de telastelegging in deze zaak op bepaalde punten innerlijk tegenstrijdig zou zijn. In de telastelegging worden de dieselheftruck (type SF250D), de verrijdbare brandspuit en de magneetgrijper c.q. electro-hefmagneet namelijk twee maal genoemd als zijnde onttrokken aan de boedel, terwijl van elk van deze apparaten maar één aanwezig was. Vanwege deze innerlijke tegenstrijdigheid van de telastelegging zou de partiële nietigheid van de dagvaarding moeten worden uitgesproken.

Naar het oordeel van de rechtbank leidt deze dubbele vermelding van de apparaten niet tot innerlijke tegenstrijdigheid van de telastelegging, omdat het goed mogelijk is dat meerdere van deze apparaten tot de boedels van de in de telastelegging genoemde bedrijven behoorden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de telastelegging voldoende duidelijk is voor een behoorlijke verdediging alsmede voor een behoorlijk onderzoek ter terechtzitting en verwerpt derhalve het beroep op de nietigheid van de dagvaarding.

VERWEER MET BETREKKING TOT DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET OPENBAAR MINISTERIE

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, omdat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), is overschreden.

Nu na het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem terzake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld inmiddels meer dan 37 maanden zijn verstreken en niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die voormeld tijdsverloop zouden kunnen rechtvaardigen, is de rechtbank van oordeel dat de behandeling van de onderhavige zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Na afweging van aan de ene kant het belang van de verdachte om, wanneer er sprake is van onredelijke vertraging in de vervolging, niet meer te worden vervolgd en aan de andere kant het belang van de gemeenschap bij normhandhaving door berechting, ook nadat de redelijke termijn is overschreden, is de rechtbank van oordeel, dat weliswaar het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging, doch dat bij een eventuele strafoplegging rekening moet worden gehouden met genoemd tijdsverloop.

BEWEZENVERKLARING

De rechtbank acht het telastegelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij, als bestuurder van Metaalinrichting [naam] B.V. en van Sorteerinrichting [naam] B.V., in de periode van 1 januari 2000 tot en met 4 augustus 2000, in Nederland, terwijl Metaalinrichting [naam] B.V. en Sorteerinrichting [naam] B.V. bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden van 13 juli 2000 in staat van faillissement zijn verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van voormelde B.V.'s, de navolgende goederen aan de boedel van Metaalinrichting [naam] B.V. en/of van Sorteerinrichting [naam] B.V. heeft onttrokken, immers heeft hij die goederen overgebracht naar een perceel en aldus buiten bereik en beheer van de (te benoemen) curator gebracht en gehouden.

Het betreft de onder a genoemde goederen

a. een Samsung dieselheftruck (type SF250D) en een verrijdbare brandspuit en een electrische hydraulische schrootschaar (Fluica 86 H1H) en een tweewielige laskar met twee blauwe langwerpige flessen en een kleine grijze fles en twee oprijplaten en drie vaten en twee electrische poliepgrijpers en een electro-hefmagneet.

De verdachte zal van het meer of anders telastegelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

KWALIFICATIE

Het bewezene levert op het misdrijf:

- Als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon enig goed aan de boedel onttrekken.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

STRAFMOTIVERING

De rechtbank neemt bij de bepaling van de hierna te vermelden strafsoort en strafmaat in aanmerking:

- de aard en de ernst van het gepleegde feit;

- de omstandigheden waaronder dit is begaan;

- de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken en deze naar voren komt uit het uittreksel uit het algemeen documentatieregister en het voorlichtingsrapport;

- het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht;

- de vordering van de officier van justitie tot veroordeling van verdachte terzake het telastegelegde tot een taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van twee jaar.

Bewezen is verklaard dat verdachte goederen aan failliete boedels heeft onttrokken.

De rechtbank acht dit een zeer kwalijke zaak nu verdachte daardoor de verhaalsmogelijkheid van de schuldeisers heeft gefrustreerd.

Daar staat tegenover dat verdachte zijn bedrijven met weinig scholing van af de grond af aan heeft opgebouwd. Door het faillissement van verdachte en zijn twee bedrijven is een einde gekomen aan zijn onafhankelijkheid en aan zijn levenswerk. Gezegd kan worden dat verdachte door de faillissementen en de omstandigheden er omheen al ernstig is getroffen. Daarnaast heeft de rechtbank slechts een deel van de telastegelegde feiten bewezen verklaard.

Met betrekking tot de op te leggen straf is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden een passende sanctie is. Gezien de persoon van verdachte zou hiervan drie maanden voorwaardelijk kunnen worden opgelegd. In verband met de overschrijding van de redelijke termijn, zoals hiervoor is overwogen, zal de rechtbank echter volstaan met oplegging van alleen deze drie maanden voorwaardelijke gevangenisstraf.

TOEPASSING VAN WETSARTIKELEN

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 343 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT

RECHTDOENDE:

Verklaart de dagvaarding geldig.

Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.

Verklaart het telastegelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar in voege als voormeld en verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte te dier zake tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden.

Bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Fuhler, voorzitter, mr. G. Bracht en mr. G.A.M. Peper, rechters, bijgestaan door mr. R.T. Wietzes, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 december 2003.

w.g. Fuhler VOOR EENSLUIDEND AFSCHRIFT

Bracht de griffier van de rechtbank

Peper te Leeuwarden,

Wietzes