Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2003:AN8107

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
21-05-2003
Datum publicatie
17-11-2003
Zaaknummer
39956 HA ZA 00-338
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verjaring. Aanvang van de verjaringstermijn op het moment van ontdekking dat het gekochte niet de eigenschappen bezat die de koper mocht verwachten. "Ontdekking": moment waarop twijfel ontstond omtrent die eigenschappen. Geen ne bis in idem; inzet arbitrageprocedure is geheel andere dan inzet onderhavige procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2004, 67

Uitspraak

Rechtbank Leeuwarden

Sector handelsrecht

Uitspraak: 21 mei 2003

Zaak-/rolnummer: 39956 / HA ZA 00-338

VONNIS

van de enkelvoudige handelskamer in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[K.] KUNST B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

eisers,

hierna gezamenlijk te noemen [eisers],

procureur: mr. P.C. Keuning,

advocaat: mr. E.A.P. Engels te Amsterdam

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B.] & ZOON B.V. ,

gevestigd te [plaats],

2. [B.],

wonende te [plaats],

gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen:[gedaagden],

procureur: mr. G. Kaaij,

advocaat: mr. W.O. Russell.

PROCESGANG

Bij vonnis van 23 mei 2001 is een beslissing gegeven in het door [gedaagden] opgeworpen bevoegdheidsincident, waarna de zaak naar de rolzitting van de enkelvoudige handelskamer van deze rechtbank is verwezen voor conclusie van repliek aan de zijde van [eisers] en iedere verdere beslissing is aangehouden.

[eisers] hebben daarop gerepliceerd, waarbij zij twee producties in het geding hebben gebracht. [gedaagden] hebben gedupliceerd onder overlegging van een productie, waarna [eisers] zich bij akte over die productie hebben uitgelaten. Vervolgens hebben partijen vonnis gevraagd. De rechtbank wijst vonnis op het griffiedossier, waarvan de inhoud als hier herhaald moet gelden.

RECHTSOVERWEGINGEN

Feiten

1. Als gesteld en erkend, dan wel als niet of onvoldoende weersproken, mede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud van de producties, staat tussen partijen in deze procedure het volgende vast. Daarbij zal - voor zover van belang - gedaagde sub 1 nader worden aangeduid als [B.] B.V. en gedaagde sub 2 als [B.].

[gedaagden] nemen een vooraanstaande positie in op het gebied van de handel in oude kunst en antiek, in het bijzonder op het gebied van de handel in Nederlands zilver van vóór 1813. [B] is statutair directeur van [B.] B.V..

Eiser sub 2, [eiser sub 2], heeft gedurende langere tijd, meer dan vijftig jaar, een zakelijke relatie met [gedaagden] onderhouden als verzamelaar van antiek.

[B.] fungeerde niet slechts als handelaar in relatie tot [eisers sub 2], maar trad tevens op als taxateur en adviseur. Tussen 1989 en 1993 fungeerde [B.], samen met zijn zoon, als adviseur van de door de [T.D.B.]Groep - waarvan [eiser sub 2] financier en beleidsbepaler is - opgerichte vennootschap [K] Kunst B.V., eiseres sub 1, welke onderneming zich bezighoudt met de expositie, in- en verkoop van kunstvoorwerpen en naar buiten optreedt onder de naam "[V.R.] & Co."

[K] Kunst is opgericht omdat de collectie van [eiser sub 2] een grote omvang aannam. [eiser sub 2] heeft enige tijd de gedachte gehad om zelf handel in kunst en antiek te gaan bedrijven en heeft daarover overleg gevoerd met [B.], waarbij de mogelijkheid van samenwerking is besproken. Tot een samenwerkingsverband onder gemeenschappelijke naam heeft dat niet geleid, maar wel is de afspraak gemaakt dat [B.] samen met zijn zoon zijn kennis ten dienste van de nieuwe activiteiten van [eisers sub 2] zou stellen, waartegenover voor [B.] het voordeel stond dat hij zijn afzetmogelijkheden verruimde.

Voorts heeft [B.] deel uitgemaakt van de Raad van Advies van Maecenas The Portfolio N.V., hierna te noemen Maecenas, een te Amsterdam gevestigde vennootschap, die evenals [K] Kunst, deel uitmaakt van de [T.D.B.] Groep, die zich toelegt op de commerciële exploitatie van kunst- en antiekcollecties. De Raad van Advies adviseert bij het verwerven door Maecenas van kunstcollecties met het oog op de commerciële exploitatie daarvan.

[B.] heeft aan [K] Kunst een groot aantal antieke objecten verkocht, waaronder de zilveren voorwerpen waarop dit geding zich toespitst.

Op 19 maart respectievelijk 15 september 1993 hebben de [T.D.B.]groep en [K] Kunst een aantal van de van [B.] gekochte zilveren voorwerpen door deskundigen laten onderzoeken en taxeren, omdat twijfel was gerezen of de door gedaagden] verkochte en geleverde objecten de eigenschappen en/of waarde hadden die zij op grond van de overeenkomst met [B.] B.V. mochten verwachten.

Uit de taxatierapporten blijkt dat naar het oordeel van de taxateurs de geschatte (vervangings)waarden van de getaxeerde voorwerpen beduidend lager liggen dan de door [K] Kunst aan [B.] B.V. betaalde koopprijzen. (Voor een overzicht van deze taxaties kan thans worden volstaan met een verwijzing naar de door [K] Kunst bij conclusie van eis overgelegde taxatierapporten.) Mede naar aanleiding van deze taxaties heeft overleg tussen partijen plaatsgevonden, in welk overleg [B.] B.V. zich niet bereid toonde om geleverde objecten met een aanzienlijk lagere (taxatie-)waarde dan de door [K] Kunst betaalde koopprijs terug te nemen. Wel was [B.] B.V. bereid om objecten die niet voldeden aan de daaraan door [B.] B.V. toegekende eigenschappen en gegeven omschrijving terug te nemen. Om die reden zijn partijen overeengekomen een aantal zilveren voorwerpen te laten keuren door een aantal Nederlandse deskundigen op het terrein van antiek zilver, het zogenaamde "zilverpanel". Uit het rapport van deze deskundigen blijkt dat een aantal van de gekeurde voorwerpen niet als "authentiek" mag worden aangemerkt.[Gedaagden] hebben de zienswijze van het zilverpanel bestreden en hebben geweigerd de gewraakte voorwerpen terug te nemen.

Van de 35 door het zilverpanel beoordeelde voorwerpen werden er 27 als authentiek bestempeld. De overige 8 voorwerpen kregen deze kwalificatie niet, met name omdat sommige daarvan latere bewerkingen hebben ondergaan.

Naar aanleiding van de bevindingen van het zilverpanel hebben [eisers] een arbitrageprocedure aanhangig gemaakt bij het Scheidsgerecht van de Vereniging van Handelaren in Oude Kunst in Nederland (VHOK). In zijn vonnis van 12 oktober 1999 heeft het scheidsgerecht VHOK de klacht van [eisers] afgewezen op de volgende grond:

"2.2 Naar het oordeel van het Scheidsgerecht kan deze vordering - anders dan bijvoorbeeld een vordering tot ontbinding van een koopovereenkomst betreffende een voorwerp waarvan de authenticiteit in twijfel wordt getrokken - niet althans niet uitsluitend worden gedragen door het bewijs van de niet-authenticiteit van de door [B.] verkochte voorwerpen, maar alleen door het bewijs van de stelling dat [B.] in zijn transacties met Kolthoorn Kunst "op flagrante en toerekenbare wijze" de normen van het Statuut van Gedragsregels heeft geschonden.

2.3. Het Scheidsgerecht was derhalve niet zozeer gehouden te beslissen over de authenticiteit of niet-authenticiteit van bepaalde - door [B.] aan [K] Kunst geleverde zilveren voorwerpen, maar over de vraag of [B.] al dan niet verweten kan worden dat hij in strijd met de voor hem als lid van de VHOK geldende gedragsregels heeft gehandeld, en zo ja, of zijn handelswijze naar het oordeel van het Scheidsgerecht de toepassing rechtvaardigt van een van de maatregelen genoemd in artikel 28a lid 16 sub 2 onder b t/m f van de Statuten van de VHOK."

Standpunten van partijen

2. [eisers] stellen hun vorderingen in op grond van de volgens hen bij het Scheidsgerecht VHOK niet aan de orde gekomen grondslag, dat [B.] B.V. objecten aan hen heeft verkocht en geleverd, die niet aan de overeenkomst beantwoordden, omdat zij niet de eigenschappen bezaten die zij op grond van informatie van [B.] B.V. mochten verwachten en/of een zeer aanzienlijk lagere waarde hebben dan de door hen betaalde koopprijs en zij de koopovereenkomsten niet zouden zijn aangegaan indien een juiste voorstelling van zaken zou zijn gegeven door [gedaagden]. Zij beroepen zich daarbij op voormelde vaststaande feiten. Volgens [eisers] volgt de verplichting tot terugname van deze objecten van [gedaagden] ook uit het vaste gebruik in de branche, dat een handelaar dient in te staan voor de door hem aan een object toegeschreven eigenschappen en geen prijzen in rekening dient te brengen die niet passend zijn. Dit gebruik heeft inmiddels zijn weerslag gevonden in het Statuut van Gedragregels VHOK en de Algemene Voorwaarden voor verkopen en diensten VHOK. Verder wijzen [eisers] er op dat [B.] B.V. in overeenstemming met het gebruik in de branche meermalen in circulaires heeft aangegeven dat bij twijfel altijd overleg mogelijk is en zij zonodig het verkochte terugneemt.

Waar [B.] statutair directeur van [B.] B.V. is, die alle contacten met [eisers] namens [B.] B.V. onderhield en mede gelet op zijn hoedanigheid van adviseur van [eisers], achten [eisers] [B.] naast [B.] B.V. aansprakelijk voor de schade die zij hebben geleden en nog zullen lijden.

3. [gedaagden] hebben de vorderingen gemotiveerd betwist. Zij voeren in de eerste plaats aan dat [eisers] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen, nu het Scheidsgerecht VHOK al bij (een) in kracht van gewijsde gega(a)n(e) vonnis(sen) heeft beslist over de rechtsverhouding van partijen. Daarnaast stellen zij dat de vorderingen zijn verjaard. Verder betwisten zij (subsidiair) dat er sprake is van non-conformiteit en/of dat er sprake is van dwaling aan de zijde van [K] Kunst c.s.. Verder stellen [gedaagden] meer subsidiair dat [eisers] niet-ontvankelijk verklaard dienen te worden in hun vordering tegen [B.], nu deze in contacten met [eisers] steeds is opgetreden als vertegenwoordiger van [B.] B.V. en niet als in enige privé-hoedanigheid. Ten slotte stellen [gedaagden] dat er sprake is van een ondeugdelijk petitum met betrekking tot de gevorderde schadevergoeding wegens gederfde winst, nu daarvoor geen rechtsgrond valt aan te wijzen.

Beoordeling van het geschil

met betrekking tot de ontvankelijkheid van de vordering

4.1. [eisers] hebben hun stelling dat [B.] (als privé-persoon) naast [B.] B.V. aansprakelijk is voor de schade die zij hebben geleden en nog zullen lijden onderbouwd met het feit dat [B.] statutair directeur van [B.] B.V. is, die alle contacten met hen heeft onderhouden namens [B.] B.V. en mede gelet op zijn hoedanigheid van hun adviseur. De rechtbank acht dat echter niet voldoende om een eigen aansprakelijkheid van [B.] jegens [eisers] te mogen aannemen. Waar [B.] optrad namens [B.] B.V. kan voor de eventuele schade die [eisers] hebben geleden of nog zullen lijden als gevolg van de tussen [eisers] en [B.] B.V. gesloten overeenkomsten slechts [B.] B.V. worden aangesproken en niet [B.] als privé-persoon. Niet is gesteld of gebleken dat [B.], ook als adviseur, anders dan als vertegenwoordiger van [B.] B.V. is opgetreden, zodat [eisers] niet-ontvankelijk zullen worden verklaard in hun vordering tegen [B.].

5.1. Naar het oordeel van de rechtbank treft het door [B.] B.V. gevoerde "ne bis in idem" verweer geen doel. Anders dan [B.] B.V. heeft gesteld blijkt niet uit de stellingname van [eisers] dat zij de non-conformiteit c.q. het ontbreken van de authenticiteit van de door hen van [B.] B.V. aangekochte (zilveren) voorwerpen respectievelijk de aankoopwaarde van die voorwerpen ten opzichte van de door hen bepaalde koopprijs tot inzet hebben gemaakt van de eerder gevoerde arbitrageprocedure. Hoewel geen van partijen het klaagschrift heeft overgelegd, waarbij [eisers] bij het bestuur van de Vereniging van Handelaren in Oude Kunst in Nederland hun klacht aanhangig hebben gemaakt, waarna het bestuur van VHOK de zaak in handen heeft gesteld van het Scheidsgerecht VHOK, kan uit de - door [gedaagden] - overgelegde vonnissen van het Scheidsgerecht VHOK worden afgeleid dat [eisers] zich via het bestuur van VHOK tot het Scheidsgerecht VHOK hebben gewend met het verzoek vast te stellen dat [gedaagden] door te handelen als omschreven in het klaagschrift "op flagrante en op toerekenbare wijze de normen die voor hen gelden hebben geschonden, en dat zij, in strijd met de voor hen geldende verplichtingen als vastgelegd in de Gedragregels en in de Algemene Voorwaarden, hebben geweigerd de gevolgen van hun optreden te herstellen, onder meer door de door hen aan verzoekers verkochte zilveren objecten als genoemd in de bijlagen 7 t/m 9 niet op herhaald verzoek van verzoekers terug te nemen".

5.2. Hoewel uit het arbitraal (tussen)vonnis van 28 februari 1998 blijkt dat de stelling, dat [eisers] voor de in bijlage 8 van het klaagschrift genoemde plaquettes een koopprijs hebben betaald die aanzienlijk hoger is geweest dan de werkelijke waarde van het object, onderdeel van de klacht was, dient die stelling naar het oordeel van de rechtbank uitsluitend te worden opgevat als ondersteuning van het verzoek tot vaststelling dat [gedaagden] door hun handelwijze de gedragsnormen van hun beroepsgroep hebben geschonden.

5.3. De inzet van die arbitrageprocedure was aldus een geheel andere dan de inzet van deze procedure, waarin immers primair wordt gevorderd de betreffende koopovereenkomst te ontbinden en de schade van [eisers] te vergoeden. Daaraan doet niet af dat het Scheidsgerecht in zijn aanvullend vonnis van 12 oktober 1999 het overwogene 2.3. in zijn vonnis van 20 mei 1998 heeft herroepen, namelijk waar het Scheidsgerecht had overwogen dat [eisers] "het geschil tussen hen en verweerders wensen te beperken tot de door verweerders berekende verkoopprijzen met betrekking tot de in bijlage 8 bij het klaagschrift vermelde zilveren voorwerpen t.w. een achttal zilveren plaquettes, waarvan de authenticiteit niet wordt betwist" en dat hij in dat aanvullend vonnis tevens een oordeel heeft gegeven over de authenticiteit van die voorwerpen. Ook dat oordeel dient te worden gezien in het licht van de afdoening van de ingediende klacht. De (afwijzende) beslissing van het Scheidsgerecht VHOK op de klacht van [eisers], staat daarom de ontvankelijkheid van de onderhavige vorderingen niet in de weg.

met betrekking tot de verjaring van het vorderingsrecht

6.1. Het door [gedaagden] gedane beroep op verjaring beoordeelt de rechtbank als volgt. Ingevolge het bepaalde in artikel 3: 52 BW verjaart de rechtsvordering tot vernietiging van een rechtshandeling wegens dwaling drie jaar nadat de dwaling is ontdekt, terwijl de gevorderde ontbinding krachtens het bepaalde in artikel 3: 311 BW een verjaringstermijn kent van vijf jaar na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser met de tekortkoming bekend is geworden en in ieder geval twintig jaren nadat de tekortkoming is ontstaan. Daarnaast kent artikel 7: 23 BW een verjaringstermijn van twee jaar voor rechtsvorderingen gebaseerd op de stelling dat de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt.

6.2. [eisers] hebben de ontbinding althans de vernietiging van de koopovereenkomsten wegens dwaling gevorderd met betrekking tot de (de rechtbank leest: alle) door eisers ([eisers]) van [B.] B.V. gekochte objecten, die nog in het bezit zijn van eisers. Zij hebben zich met betrekking tot deze vordering mitsdien niet beperkt tot de voorwerpen, welke [eisers] in 1993 hebben laten taxeren. [eisers] hebben betwist dat er sprake is van verjaring nu de taxaties van 1993 slechts betrekking hadden op een achttal plaquettes en niets zeiden over alle andere van [gedaagden] gekochte objecten. In de tweede plaats stellen [eisers] dat tussen partijen in 1994 is afgesproken dat deskundigen (lees: het zilverpanel) de andere door [B.] geleverde objecten aan een onderzoek zouden onderwerpen. Omdat dit zilverpanel pas in februari 1996 voor het eerst een rapport heeft uitgebracht, is de verjaringstermijn voor deze objecten volgens [eisers] pas toen gaan lopen. De vordering tot ontbinding voor deze objecten is daarom volgens hen niet verjaard, nu de dagvaarding in april 2000 is uitgebracht. Verder beroepen [eisers] zich er op dat ook de vordering tot vernietiging van de koopovereenkomsten met betrekking tot deze objecten wegens dwaling en de vorderingen, in ieder geval de vordering tot ontbinding met betrekking tot de 8 plaquettes niet zijn verjaard, omdat zij in april 1997 het verzoek tot arbitrage aanhangig hebben gemaakt, waardoor de verjaring is gestuit en binnen 6 maanden na de einduitspraak in arbitrage de dagvaarding in deze procedure is uitgebracht. Zij verwijzen voor hun stellingname op dit punt naar het bepaalde in artikel 3: 316 (lid 2) BW.

6.3. De rechtbank deelt de (impliciete) stelling van [eisers] niet dat zij de door hen gestelde dwaling omtrent de voorwerpen die zij ter beoordeling aan het zilverpanel hebben aangeboden pas in 1996 hebben ontdekt, noch dat de verjaring is gestuit door de aanhangig gemaakte arbitrage. Blijkens de stellingen van [eisers] is er immers al vóór 1993 gaandeweg twijfel gerezen of de door [B.] B.V. verkochte en geleverde objecten de eigenschappen en/of waarde hadden die zij op grond van de overeenkomst met [B.] B.V. mochten verwachten. Op grond van deze twijfel hebben zij in maart 1993 een achttal van [B.] B.V. afkomstige zilveren plaquettes, die voor een totaal van ƒ 550.000,- waren gekocht, laten taxeren. Het betreffende taxatierapport van Ch.H. André de la Porte van Christie's Amsterdam is gedateerd op 19 maart 1993. Deze taxateur heeft de vaste waarde overeenkomstig artikel 275 WvK van de aan hem ter taxatie voorgelegde plaquettes bepaald op een totaal van ƒ 127.000,--. Voor zover daarin nog niet voldoende bevestiging kon worden gevonden voor de al gerezen twijfel bij [eisers], hebben zij in september 1993 nogmaals een taxatie doen uitvoeren, nu door Kenneth Jay Linsner ASA SCV, die voor genoemde plaquettes een (vervangings-)waarde heeft bepaald van in totaal ƒ 145.000,--. Naar het oordeel van de rechtbank kan derhalve in elk geval ten aanzien van deze plaquettes worden vastgesteld dat [eisers] hun vordering tot ontbinding dan wel vernietiging van de koopovereenkomst hadden moeten instellen binnen vijf respectievelijk drie jaar vanaf 15 september 1993, de datum van het taxatierapport van ASA, dat voor hen in elk geval als bevestiging van de bedoelde twijfel omtrent de eigenschappen en/of waarde van deze door hen van [gedaagden] gekochte zaken kan worden beschouwd. In deze tweede taxatie werd de waardering uit de eerdere taxatie immers (grotendeels) bevestigd. Naar het oordeel van de rechtbank is de verjaringstermijn voor deze plaquettes vervolgens niet gestuit door het aanhangig maken van de arbitrage. Die arbitrage kende immers slechts als inzet de vraag of [gedaagden] de voor hen geldende gedragregels hebben geschonden, zoals ook [eisers] met veel verve hebben betoogd ter afweer van het door [gedaagden] gedane beroep op het "ne bis in idem"-beginsel, en beoogde niet een bindend advies te verkrijgen over een of meer van de onderdelen van de thans ingestelde vorderingen. Naar het oordeel van de rechtbank zouden [eisers] zich slechts op het stuiten van bedoelde verjaringstermijnen kunnen beroepen, indien de inzet van de arbitrageprocedure (deels) dezelfde was (geweest) als die van deze procedure.

6.4. Wat betreft de overige voorwerpen die [eisers] van [gedaagden] hebben gekocht en die zij thans nog in hun bezit hebben, is de rechtbank van oordeel dat [eisers] zich er redelijkerwijs niet op kunnen beroepen dat de betreffende verjaringstermijnen pas zijn gaan lopen, nadat zij over die voorwerpen van het zilverpanel in februari 1996 een oordeel hadden ontvangen. Ook ten aanzien van die voorwerpen ontstond immers al gerede twijfel over de juistheid van de waarde c.q. de authenticiteit, anders hadden [eisers] daarnaar geen (nader) onderzoek hoeven laten instellen. Het had daarom naar het oordeel van de rechtbank op de weg van [eisers] gelegen om de onderhavige vordering veel eerder dan in april 2000 aanhangig te maken. In plaats daarvan hebben [eisers] gewacht met het instellen van hun vordering tot het Scheidsgerecht een hun onwelgevallige uitspraak had gedaan. Maar ook indien de uitkomst van de rapportage van het zilverpanel in februari 1996 als startdatum voor de verjaringstermijn ex artikel 3: 52 BW zou moeten worden aangemerkt, dan is aldus de verjaringstermijn voor het instellen van een vordering tot vernietiging van de rechtshandelingen die tot aankoop van deze voorwerpen hebben geleid, ruimschoots verstreken op de datum van het uitbrengen van de dagvaarding.

6.5. Met betrekking tot de gevorderde ontbinding wegens non-conformiteit en/of (onjuiste) waarde, waarvoor naar het oordeel van de rechtbank de verjaringstermijn van artikel 7: 23 lid 2 BW geldt, wijst de rechtbank er op dat niet is gesteld of gebleken dat partijen zijn overeengekomen het oordeel van het zilverpanel af te wachten alvorens er door [eisers] een rechtsvordering zou kunnen worden ingesteld. Ook voor die voorwerpen, andere dan de al genoemde 8 plaquettes, is naar het oordeel van de rechtbank de betreffende verjaringstermijn dan ook al gaan lopen op het moment dat er bij [eisers] gerede twijfel was ontstaan over de juistheid van de prijs die zij aan [gedaagden] hadden betaald en/of over het voldoen van die objecten aan de door [gedaagden] gegeven omschrijving en zij [B.] B.V. daarop hadden aangesproken. De rechtbank wijst hierbij op het bepaalde in artikel 7: 23 lid 1 BW op grond waarvan de koper er geen beroep meer op kan doen dat hetgeen is afgeleverd niet aan de overeenkomst beantwoordt, indien hij de verkoper niet binnen bekwame tijd nadat hij dit heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken, daarvan kennis heeft gegeven. Dat brengt met zich mee dat [eisers] - ter verzekering van hun rechten - [gedaagden] in rechte hadden moeten aanspreken binnen twee jaar nadat partijen naar aanleiding van de taxaties van de plaquettes in 1993 waren overeengekomen om een aantal objecten aan het zilverpanel voor te leggen, dan wel in elk geval binnen twee jaar nadat het zilverpanel van zijn bevindingen rapport had uitgebracht. Nu dat niet is gebeurd moet de rechtbank concluderen dat het vorderingsrecht van [eisers] ook om deze reden is verjaard. [eisers] zijn daarom ook niet-ontvankelijk in hun vordering tegen [B.] B.V..

met betrekking tot de procedurele kant van de zaak

7.1. Indien en voor zover de rechtbank zou hebben geoordeeld dat de termijn waarbinnen [eisers] hun vordering tot ontbinding van de koopovereenkomsten krachtens het bepaalde in artikel 3: 311 c.q. 7: 23 BW hadden moeten instellen nog niet mocht zijn verstreken op het moment van het uitbrengen van de dagvaarding, dan dient de vordering van [eisers] ook om andere reden te worden afgewezen. Waar tussen partijen vast staat dat [eisers sub 2] en [B.] (B.V.) al omstreeks vijftig jaar zaken doen met elkaar en de collectie van [eiser sub 2] als verzamelaar van antiek op enig moment een grote omvang aannam, zo zeer zelf dat er enige tijd over gedacht werd zelf handel in kunst en antiek te gaan bedrijven, kan [eiser sub 2] bezwaarlijk meer als leek worden aangemerkt op het gebied, waarin hij zilver van [gedaagden] aankocht. Ook fungeert [eisers sub 2] onweersproken als financier en beleidsbepaler van [K] Kunst. [eisers] hebben aangevoerd dat "gaandeweg" bij hen ernstige twijfel is gerezen of de door [B.] B.V. verkochte en geleverde objecten de eigenschappen en/of waarde hadden die zij op grond van de overeenkomst met [B.] B.V. mochten verwachten. Niet is gesteld of gebleken op welk moment bij [eiser sub 2] c.q. [K] Kunst ten aanzien van welke objecten twijfel is ontstaan over de waarde c.q. conformiteit van de aangekochte voorwerpen. Blijkens de door [eisers] overgelegde lijsten is een deel van de daarop voorkomende voorwerpen al aangekocht in 1978 en strekt de periode waarin de aankopen hebben plaatsgevonden zich uit tot het jaar 1991. Van [eisers] mag daarom minstgenomen worden verwacht preciezer te zijn met de aanduiding van het tijdstip waarop bij hen twijfel is gerezen over de waarde en/of authenticiteit van de door hen van [gedaagden] aangekochte voorwerpen. Indien die twijfel immers bijvoorbeeld reeds kort na aankoop van de voorwerpen in 1978 is gerezen, maar daar vervolgens niets mee is gedaan, gaat het niet meer aan om vervolgens in 1993 pas bij [gedaagden] te reclameren, nadat uit een taxatie van andere voorwerpen de eerdere twijfel weer werd aangewakkerd. Van [eisers] mocht worden verwacht in dat geval eerder aan de bel te hebben getrokken.

7.2. Indien [eisers] op basis van de taxaties van de meergenoemde plaquettes in 1993 hebben besloten om ook andere delen van hun collectie(s) aan een onderzoek te doen onderwerpen, zoals zij daartoe kennelijk hebben besloten met betrekking tot de 35 aan het zilverpanel voorgelegde voorwerpen, had het in de rede gelegen met [gedaagden] afspraken te maken over de mogelijke gevolgen die de uitkomst van die onderzoeken zou (kunnen) hebben. Zoals bijvoorbeeld een bindende afspraak over de terugname door [gedaagden] van die zaken die niet de waarde en/of de eigenschappen zouden blijken te hebben die zij op grond van de overeenkomst met [gedaagden] mochten verwachten. Zulks is niet gesteld of gebleken. [eisers] heeft slechts gesteld dat [gedaagden] bereid was om objecten die niet voldeden aan de daaraan door [B.] B.V. daaraan toegekende eigenschappen en gegeven omschrijving terug te nemen en dat partijen om die reden zijn overeengekomen, dat een aantal objecten zou worden voorgelegd aan het zilverpanel.

7.3. [eisers] hebben zich niet bepaald tot de 35 aan het zilverpanel voorgelegde objecten. De ingestelde vordering is mitsdien te onbepaald. Ook wordt er geen onderscheid gemaakt tussen de zogenaamde verzamelaarcollectie van [eisers sub 2] en de "handels"voorraad van [K] Kunst.

7.4. Naar het oordeel van de rechtbank hebben [eisers] op grond van voorgaande overwegingen dan ook onvoldoende voldaan aan hun stelplicht, zodat hun vorderingen ook om die reden niet voor toewijzing vatbaar zijn. Hetgeen verder nog door partijen is aangevoerd kan daarom verder onbesproken blijven.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart [eisers] niet-ontvankelijk in hun vorderingen tegen [B.] en [B.] B.V.;

veroordeelt [eisers] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [gedaagden] begroot op 3.450,-- euro wegens salaris en op 181,51 euro wegens verschotten;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van der Meer, lid van de kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 mei 2003 in aanwezigheid van de griffier.

c(99)