Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBLEE:2003:AL9017

Instantie
Rechtbank Leeuwarden
Datum uitspraak
06-10-2003
Datum publicatie
14-10-2003
Zaaknummer
03/603 BSTPL & 03/999 BSTPL
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verzoek om (binnenplanse) vrijstelling op grond van de toverformule. Geen aanwijzingen van planologische aard dat het gebruik van de gronden in overeenstemming met de geldende bestemming objectief bezien niet meer mogelijk is. B&W zijn daarom niet bevoegd om toepassing te geven aan de toverformule. Verzoek terecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK LEEUWARDEN

Sector bestuursrecht

Uitspraak ex artikel 8:84 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht

Reg.nrs.: 03/603 BSTPL & 03/999 BSTPL

Inzake het geding tussen

[A en B], gevestigd te [C], verzoekers,

gemachtigde: mr. H.S. de Vries, juridisch adviseur te Culemborg,

en

het college van burgemeester en wethouders van Skarsterlân, verweerder,

gemachtigde: G.C.J. Zaal, ambtenaar in gemeentelijke dienst.

Procesverloop

Bij brief van 17 april 2003 heeft verweerder verzoekers mededeling gedaan van zijn besluit op bezwaar, waarbij het bezwaarschrift tegen de weigering vrijstelling te verlenen voor het overnachten in de door verzoekers geëxploiteerde jachthavens, ongegrond is verklaard.

Namens verzoekers is tegen dit besluit op 26 mei 2003 beroep ingesteld bij de rechtbank. Het beroep is bekend onder registratienummer 03/603 BSTPL.

Tevens hebben verzoekers zich bij brief van 17 september 2003 tot de voorzieningenrechter gewend met het verzoek om op grond van art. 8:81 lid 1 Algemene wet bestuursrecht (Awb) een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek is geregistreerd onder nummer 03/999 BSTPL.

Het verzoek is ter zitting behandeld op 3 oktober 2003. [B] is verschenen in persoon, bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Motivering

Op grond van art. 8:81 lid 1 Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoek overweegt de voorzieningenrechter dat niet is gebleken van beletselen om verzoekers te kunnen ontvangen. Voorts is genoegzaam aangetoond dat verzoekers een spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorlopige voorziening.

Indien, zoals in het onderhavige geval, het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan terwijl beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter op grond van art. 8:86 lid 1 Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit het geval. De voorzieningenrechter zal daarom onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De voorzieningenrechter baseert zich bij zijn oordeelsvorming op onderstaande feiten en omstandigheden.

De verzoekers, [A en B], zijn ieder afzonderlijk eigenaar van een jachthaven aan de [adres] te [C]. Op grond van het geldende bestemmingsplan "Langweer-Jachthavens (Pontdijk)" is het overnachten in de boten niet toegestaan. Op 25 september 2002 hebben verzoekers verweerder gevraagd om op grond van art. 12 van de planvoorschriften vrijstelling te verlenen van voormeld verbod. Hierbij is verder aangegeven dat het verzoek om vrijstelling wordt beperkt tot huurders van een vaste ligplaats voor een eigen vaartuig en huurders van vaartuigen die op de dag waarop de huur aanvangt 's avonds na 21.00 uur aankomen respectievelijk huurders die als gevolg van (extreme) weersomstandigheden niet kunnen uitvaren.

Bij besluit van 2 december 2002 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Hiertegen hebben verzoekers een bezwaarschrift ingediend, dat bij het bestreden besluit -conform het advies van de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften (algemene kamer)- ongegrond is verklaard.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Op grond van het geldende bestemmingsplan rust op de gronden waar verzoekers hun bedrijven hebben de bestemming "Jachthavens". Op grond van art. 5 lid D van de planvoorschriften wordt tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken, zoals bedoeld in art. 12 lid A, in ieder geval gerekend het gebruik van de gronden voor het overnachten in de boten.

Art. 12 van de planvoorschriften -voor zover hier relevant- luidt als volgt:

"A. Het is verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de gegeven bestemming.

B. Burgemeester en Wethouders verlenen vrijstelling van het bepaalde in lid A, indien strikte toepassing daarvan zou leiden tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, welke bepaling niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd."

Naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) is toepassing van de zogenaamde 'toverformule', zoals verwoord in art. 12 lid B van de planvoorschriften, eerst aan de orde indien aannemelijk is dat zinvol gebruik overeenkomstig het geldende bestemmingsplan objectief bezien niet meer mogelijk is.

Noch aan het argument dat verzoekers klanten dreigen te verliezen door het van kracht zijnde verbod om op de boten te overnachten, noch aan het argument dat de gevraagde vrijstelling zodanig is dat het risico op overlast door overnachtende passanten wordt uitgesloten, komt het gewicht toe dat verzoekers hieraan gehecht willen zien. Beide argumenten geven immers geen grond voor het oordeel dat het gebruik als jachthaven (met overnachtingsverbod) planologisch bezien niet meer mogelijk is. Hooguit kan hieraan de conclusie worden verbonden, zoals Jonkman ter zitting ook heeft verwoord, dat de exploitatie vanuit een economisch gezichtspunt minder aantrekkelijk is dan vantevoren werd gedacht.

Mede gelet op het feit dat de gronden thans -in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan- worden gebruikt als jachthaven, zijn er naar het oordeel van de voorzieningenrechter derhalve geen aanwijzingen van planologische aard dat het gebruik van de gronden in overeenstemming met de geldende bestemming objectief bezien niet meer mogelijk is. Verweerder was derhalve niet bevoegd om vrijstelling te verlenen van het overnachtingsverbod met toepassing van de toverformule.

Op grond van het vorenstaande is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Het verzoek zal worden afgewezen. Er is geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep (03/603 BSTPL) ongegrond;

- wijst het verzoek (03/999 BSTPL) af.

Aldus gegeven door mr. P.G. Wijtsma, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2003, in tegenwoordigheid van mr. F.P. Dillingh als griffier.

w.g. F.P. Dillingh

w.g. P.G. Wijtsma

Tegen de uitspraak in het verzoek om een voorlopige voorziening met registratienummer 03/999 BSTPL kan geen rechtsmiddel worden aangewend.

Tegen de uitspraak in de hoofdzaak met registratienummer 03/603 BSTPL staat voor partijen hoger beroep open. Gelijke bevoegdheid komt toe aan andere belanghebbenden, zulks behoudens het bepaalde in art. 6:13 juncto 6:24 Awb.

Indien u daarvan gebruik wenst te maken dient u binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een brief (beroepschrift) alsmede een afschrift van deze uitspraak te zenden aan:

de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Postbus 20019

2500 EA Den Haag

In het beroepschrift vermeldt u dan waarom u de uitspraak niet juist vindt.

Schriftelijke uitspraak verzonden op: 8 oktober 2003